ECLI:NL:HR:2010:BI4691
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor bedrieglijke verkorting van schuldeisersrechten door bestuurder BV
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [A] B.V., waarvan hij bestuurder was. In de periode voorafgaand aan het faillissement onttrok verdachte geld aan de boedel van de vennootschap en gebruikte dit voor privé-uitgaven, waaronder de financiering van een landhuis in Frankrijk.
De Hoge Raad oordeelde dat het opzet van de verdachte op verkorting van de rechten van schuldeisers vereist is voor veroordeling op grond van art. 343 Sr Pro, waarbij ook voorwaardelijk opzet wordt begrepen. Het is niet nodig dat de rechten van de schuldeisers daadwerkelijk zijn verkort, maar wel dat de handelingen van verdachte een aanmerkelijke kans op verkorting hebben doen ontstaan.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro en verminderde de straf met drie maanden en twee weken. Voor het overige werd het beroep verworpen. De motivering van het hof omtrent het bewezenverklaren van het opzet werd als toereikend beoordeeld.
Uitkomst: Strafvermindering wegens termijnoverschrijding, veroordeling voor bedrieglijke verkorting van schuldeisersrechten bevestigd.