Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
Customer Due Diligencegehouden was haar administratie zodanig in te richten dat afwijkend en ongebruikelijk verkeer als hier aan de orde kon worden gedetecteerd en aangenomen moet worden dat de Bank haar administratie ook in die zin had georganiseerd. Het door de Bank te verrichten onderzoek zou vervolgens aan het licht hebben gebracht dat [betrokkene 1] activiteiten verrichtte die op grond van de Wtk en de Wte vergunningplichtig waren. Door niet tijdig in actie te komen heeft de Bank volgens de Stichting haar zorgplicht geschonden (rb. rov. 4.14).
4.Het bestreden tussenarrest
Safe Haven):
in pari delicto-verweer’ van de Bank). Het hof erkent dat de norm niet beschermt tegen opzet of daaraan grenzende roekeloosheid, maar concludeert dat ook dergelijke omstandigheden aan de orde kunnen komen in een individueel geding tussen een belegger en de Bank. Zij staan niet in de weg aan een verklaring voor recht in dit op de voet van art. 3:305a BW gevoerde geding, dat de bijzondere zorgplicht van de bank strekt ter bescherming van (de in rov. 31 en 32 bedoelde) beleggers die schade lijden of hebben geleden door schending van die norm. (rov. 37).
Safe Havenniet aan dit oordeel in de weg. Het hof ziet geen aanleiding de Bank te volgen in haar standpunt dat aansluiting moet worden gezocht bij de normen die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in gevallen waarin een partij niet zelf een gevaarlijke situatie in het leven roept, maar niettemin onder bijzondere omstandigheden een zorgplicht heeft. Enerzijds rust op banken (ook) jegens derden een
bijzonderezorgplicht, die zijn basis vindt in hun bijzondere functie in het maatschappelijk verkeer en hun specifieke deskundigheid op het gebied van financiële dienstverlening, zoals het hof hiervoor onder 29 en verder heeft overwogen. Zij zullen dus bedacht moeten zijn op het (zeer specifieke) gevaar voor beleggers dat een rekeninghouder beleggingsactiviteiten ontplooit zonder de daarvoor vereiste vergunning. Anderzijds neemt het hof in aanmerking dat de Bank [betrokkene 1] in de gelegenheid heeft gesteld de bankrekeningen te openen en aan te houden. Zij heeft daardoor de beleggingsactiviteiten van [betrokkene 1] , en later ook de Ponzi-zwendel, gefaciliteerd en daarvan tevens geprofiteerd. In die zin heeft de Bank dat gevaar wel degelijk in het leven geroepen.”
toerekening van wetenschapvan haar medewerkers aan de Bank overweegt het hof (verderop in rov. 50):
ongebruikelijke betalingsverkeerop de rekeningen verstaat het hof de volgende, in rov. 45 en 46 genoemde elementen:
ongebruikelijke betalingsverkeer. De Bank heeft dit volgens het hof onvoldoende betwist (rov. 45).
wetenschaphad van het ongebruikelijke betalingsverkeer, moet de Stichting stellen en bewijzen (rov. 46).
een verklaring van Workel over de [002] -rekening, dat hij in maart 2003 werd gebeld door het filiaal Hilversum met de mededeling dat het hoofdkantoor had gevraagd “
wat er op deze rekening gebeurde. Het was het hoofdkantoor opgevallen dat er in kort tijd flinke bedragen waren gestort op deze rekening.” De Stichting heeft zich hierop beroepen in verband met haar stelling dat de Bank wetenschap had van de omvang en aard van de bijschrijvingen (rov. 51).
medewerkers van het Hilversumse kantoor van de Bank, die handmatige overboekingen in opdracht van [betrokkene 1] verrichtten, wetenschap (moeten) hebben gehad van het ongebruikelijke betalingsverkeer op beide rekeningen (rov. 54, eerste volzin, en rov. 55).
5.Juridisch kader
Mees Pierson/Ten Bos), [13] wederpartijen van cliënten (zoals in
Safe Haven) [14] of het beleggend publiek (zoals in
World Online). [15]
[C] /Rabobank). [17]
MeesPierson/Ten Bos(1998) overwogen:
Safe Haven(2005) vormt het vertrekpunt voor de beoordeling van de zorgplicht van de Bank jegens de [betrokkene 1] -beleggers.
BeFra(2011) [18] moet worden onderscheiden van
Safe Havenomdat zich daarin – naar het hof feitelijk vaststelde − een andere situatie voordeed: er was sprake van beleggen (door Befra) van het eigen vermogen van een c.v. (ingebracht door een kapitaalverschaffer) en niet van beleggen door Befra van het vermogen van die kapitaalverschaffer.
Safe Haven-arrest bedoelde bijzondere zorgplicht rustte. Dat oordeel hield stand. Uw Raad overwoog:
World Online(2009) moet op feitelijke gronden worden onderscheiden van
Safe Haven. Hierin ging het om de rol van de bank als syndicaatsleider bij een aandelenemissie:
Safe Haven, de bank verweten te hebben nagelaten om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de beleggingsactiviteiten van haar cliënt via diens betaalrekening. In verband daarmee wordt gewezen op de volgende overweging van arrest
Struikelende broodbezorger(1975): [19]
BeFra-arrest al uitvoerig in op het doel en de geschiedenis van de Wte, alsmede op het verbod van art. 7 lid 1 Wte Pro. [20]
Sanctiewet 1977, [21] in werking getreden op 21 april 1980, zijn in de loop der jaren meerdere regels uitgevaardigd ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties. Daartoe behoren regels ziend op het diensten- en betalingsverkeer, bijvoorbeeld het bevriezen van tegoeden van personen of organisaties aan wie internationale sancties zijn opgelegd. Banken zijn verplicht om hun bedrijfsvoering zo in te richten dat de in de regels benoemde transacties worden opgemerkt, meldingen worden gedaan en geen tegoeden aan bedoelde (rechts)personen ter beschikking worden gesteld. [22]
Wet identificatie bij dienstverlening, [23] van kracht van 1 februari 1994 tot 1 augustus 2008, [24] was onderdeel van in internationaal verband ondernomen pogingen om het witwassen van gelden uit criminele activiteiten tegen te gaan. De wet verplichtte banken om de identiteit van de cliënt vast te leggen en redelijke maatregelen te treffen om informatie te verkrijgen omtrent de identiteit van de personen namens wie een rekening werd geopend of een transactie werd uitgevoerd indien werd vermoed dat de cliënt niet voor zichzelf handelde.
Wet Melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT), [25] eveneens van kracht van 1 februari 1994 tot 1 augustus 2008, riep een landelijk meldingssysteem in het leven met een tweeledig doel: het voorkomen van het misbruiken van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en het bestrijden van het witwassen zelf. De handhaving van de integriteit van het financiële stelsel stond daarbij centraal: wanneer een onderdeel van het financiële stelsel systematisch misbruikt wordt voor het witwassen van uit criminaliteit afkomstige gelden, kan dit het publieke vertrouwen in het financiële stelsel als geheel en daarmee het functioneren van dit stelsel ernstige schade toebrengen. [26] De monitorplicht rustte op eenieder die beroeps– of bedrijfsmatig een financiële dienst verleende (‘financiële instellingen’) en zag op feiten die konden wijzen op het witwassen van geld. De wetgever meende dat financiële instellingen vanuit hun eigen specifieke positie bij uitstek in staat zijn om - mede gezien de relatie met een bepaalde cliënt - te beoordelen of een transactie ongebruikelijk is. [27] Daarbij ging de wetgever ervan uit dat de meldingsplicht ook de alertheid op ongebruikelijke transacties zou vergroten:
Basel Core Principles for Effective Banking Supervisionvan september 1997 verwerkt. [29] In deze kernbeginselen werden de elementen opgesomd waaraan een effectief toezichtsraamwerk moet voldoen. [30] Een van deze kernbeginselen zag op het Know-Your-Customer (KYC) beginsel. De toelichting op dit kernbeginsel vermeldde onder meer:
Rapport Customer due diligence for banksvan oktober 2001, [34] dat overigens ook voortbouwde op de Core Principles for Effective Banking Supervision uit 1997:
Know Your Customer, A-G] has been contained in the following three papers and they reflect the evolution of the supervisory thinking over time. The Prevention of Criminal Use of the Banking System for the Purpose of Money-Laundering issued in 1988 stipulates the basic ethical principles and encourages banks to put in place effective procedures to identify customers, decline suspicious transactions and cooperate with law enforcement agencies. The 1997 Core Principles for Effective Banking Supervision states, in a broader discussion of internal controls, that banks should have adequate policies, practices and procedures in place, including strict “know-your-customer” rules; specifically, supervisors should encourage the adoption of the relevant recommendations of the FATF. These relate to customer identification and record-keeping, increased diligence by financial institutions in detecting and reporting suspicious transactions, and measures to deal with countries with inadequate anti-money laundering measures. The 1999 Core Principles Methodology further elaborates the Core Principles by listing a number of essential and additional criteria. (Annex 1 sets out the relevant extracts from the Core Principles and the Methodology.)
circulaire van 7 juni 2002 [39] aan de onder haar ressorterende financiële instellingen toegezonden.
circulaire van 8 mei 2003een gezamenlijke toelichting op het rapport gegeven, waarin betaalrekeningen als laagrisico-product bij cliëntacceptatie worden aangemerkt. [40] Wel werd van belang geacht dat instellingen ook bij laagrisico-cliënten periodiek toetst of cliënt nog steeds aan het risicoprofiel voldoet. Een review diende plaats te vinden op het moment dat cliënt aanvullende dienstverlening vroeg, boven een door de instelling bepaald grensbedrag komt of bij signalen als witwas- of fraude-incidenten. Voor monitoring golden de volgende regels: [41]
Monitoring
instellingenin relatie tot hun management retailbedrijf worden toegepast. (…)”
Regeling Organisatie en beheersing (ROB) [44] van de Nederlandse Bank die op 1 april 2001 in werking trad, nam tot uitgangspunt dat financiële instellingen verantwoordelijk zijn voor een zodanige organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen, dat daarmee wordt voorzien in een beheerste en integere bedrijfsvoering. Financiële instellingen dienen daarom onder meer zorg te dragen voor een systematische risicoanalyse, gericht op het identificeren, meten en evalueren van alle risico’s (art. 8). Daaronder vielen ook integriteitsrisico’s, waaronder art. 0 sub i verstond Pro “de aantasting van de reputatie, alsmede de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de instelling als gevolg van een ontoereikende naleving van (1) privaat-, bestuurs-, fiscaal-, of strafrechtelijke verplichtingen, (2) regelgeving en/of rapportagevoorschriften van toezichthouders, en (3) door de instelling zelf opgestelde normen, voorschriften of gedragsregels.
Protocol “Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen”van 21 mei 2002. [45]
Wet actualisering en harmonisatie financiële toezichtswetten [46] beoogde de ongerechtvaardigde verschillen tussen de toezichtswetten op te heffen en volgde de Bazelse minimum standards. [47] De wet en introduceerde ‘integriteit’ als een expliciete toezichtsdoelstelling en voegde daartoe per 1 december 2003 onder meer een nieuwe paragraaf in de
Wtk 1992, luidende:
Besluit integere bedrijfsvoering kredietinstellingen en verzekeraars. [49] Per 1 december 2003 gaf het Besluit nadere regels omtrent het voeren van een integere bedrijfsvoering. Voor banken gold deze regeling echter al bijna twee jaar uit hoofde van de aanbevelingen vervat in de circulaire van DNB d.d. 9 januari 2002 met aanbevelingen ten aanzien van een integere bedrijfsvoering op het gebied van incidenten en integriteitsgevoelige functies. [50] Na overleg met de betrokken representatieve organisaties hebben de Nederlandse Bank en de Pensioen- & Verzekeringskamer de in art. 3 Besluit Pro integere bedrijfsvoering kredietinstellingen en verzekeraars [51] bedoelde nadere regels opgesteld waaraan het integriteitsbeleid moet voldoen. Deze
Regeling incidenten kredietinstellingen en verzekeraars (Regeling CDD) [52] trad op 1 januari 2004 in werking en verplicihtte de instelling onder meer om beleid vast te stellen ter zake van de omgang met incidenten.
6.Bespreking van de middelen
nrs. 1.1-1.2). Dit onjuiste oordeel werkt door in rov. 37 en 43 (
nr. 1.3).
.De Bank wijst erop dat in een contractuele relatie (zoals bij beleggingsadvies of vermogensbeheer) de cliënt vertrouwt op de deskundigheid van de bank en daarvoor betaalt en dat dit anders ligt bij derden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit
[C] /Rabobank(s.t. Bank nrs. 76-77).
Safe Havenkan zich ook in het kader van betalingsverkeer de situatie voordoen dat de bank rekening behoort te houden met beleggersbelangen (van derden). In een situatie dat de bijzondere zorgplicht van de bank meebrengt dat zij met beleggersbelangen rekening moet houden, dient zij bij de door haar in acht te nemen zorg als gegeven de ‘lichtvaardigheid en gebrek aan kunde en inzicht van het beleggend publiek’ te verdisconteren. Niet valt in te zien waarom een bank dit gegeven in buitencontractuele relaties zou mogen negeren.
Kelderluik-gezichtspunten in het algemeen geldt dat (eventueel) te betrachten zorg mede afhangt van “de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht”. [54] De door onderdeel 1A bestreden overweging zou als een verbijzondering van die gedachte kunnen worden gezien.
[betrokkene 1] -beleggerswel aanspraak kunnen maken op zorg van de zijde van de Bank gegeven dat zij, volgens de Bank, collectief (a) voor zichzelf kunnen zorgen, (b) dusdanige gevaarssignalen hebben genegeerd dat de Bank daarmee geen rekening behoefde te houden dan wel (c) zich door hun gedrag hebben onttrokken aan de bescherming die de norm hen pleegt te bieden.
[betrokkene 1] -beleggersgeen aanspraak kan maken op zorg van de zijde van de Bank om de zojuist bij 6.9 genoemde redenen.
World Onlineeen juiste maatstaf gehanteerd om te beoordelen of in een collectieve actie een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld, kan worden toegewezen. In
World Online(en in
Safe Havenwaarnaar dat arrest verwijst) werd een beroep gedaan op verschillen in deskundigheid en voorzichtigheid bij de beleggers om te betwisten dat hun belangen voldoende gelijksoortig waren voor een collectieve actie op basis van art. 3:305a BW. In dat verband overwoog Uw Raad in
World Online:
onderdelen 3.a-cvan het principale middel moet bij de bepaling van de door de Bank te betrachten zorg worden uitgegaan van een geobjectiveerde maatman-maatstaf waarin wordt geabstraheerd van de bijzondere of individuele omstandigheden (
nrs. 3.1-3.8). Het hof zou dit hebben miskend. De [betrokkene 1] -beleggers hebben namelijk een aantal omstandigheden gemeen, die erop wijzen dat zij niet van doen hadden met normale (gereguleerde) financiële producten van een bona fide (onder toezicht gestelde) aanbieder. Samengevat: [betrokkene 1] beloofde buitensporig hoge, gegarandeerde rentevergoedingen en hij werkte zonder zekerheden, met simpele schuldbekentenissen en niet via zijn vennootschappen maar in privé (
nrs. 3.10-3.11). Die omstandigheden staan eraan in de weg dat de Bank jegens deze (groep) beleggers onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende zorg te betrachten (
nrs. 3.11-3.22).
nrs. 3.8 en 3.22). Bij een dergelijk uitgangspunt heeft De Bank gelijk als zij zegt dat zij haar zorg (hier: het doen van onderzoek of haar klant zijn rekeningen gebruikt voor beleggingsactiviteiten voor derden zonder vergunning) moet afstemmen op de behoefte van een geobjectiveerde belegger.
nr. 3.18betoogt [55] – niet specifiek om de ‘maatmanbelegger’ uit
World Online. In die zaak ging het de verantwoordelijkheid van de bank jegens het beleggend publiek voor bepaalde van anderen afkomstige misleidende mededelingen. Bij de beoordeling van misleidende mededelingen moet in beginsel worden uitgegaan van een nogal robuuste maatman: de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument.
[D]): [56]
[D]is naar mijn mening het volgende. Voor degene die in een bepaalde situatie verantwoordelijk is voor de (veiligheids)belangen van anderen is kenbaar dat met het oog op bepaalde gedragingen van die anderen geen maatregelen behoeven te worden genomen, omdat redelijkerwijs geen rekening behoeft te worden gehouden met de mogelijkheid dat iemand zó onvoorzichtig is dat hij zich door dergelijke gedragingen aan een gevaar zal blootstellen. In deze gevallen is geen sprake van informatieasymmetrie: de verantwoordelijke persoon en de potentiële benadeelden die zich in de bedoelde situatie begeven beschikken (in voldoende mate) over dezelfde informatie (bijvoorbeeld over de begaanbaarheid van de weg). Daarom kan de verantwoordelijke persoon de door hem te betrachten zorg (mede) afstemmen op hetgeen nog aan onvoorzichtigheid van anderen kan worden verwacht.
nrs. 3.14-3.17 en 3.22). Vanuit het perspectief van de Bank bezien, is voor de door haar in acht te nemen zorg echter niet relevant wat de [betrokkene 1] -beleggers wisten over de omstandigheden waaronder zij gelden aan [betrokkene 1] ter beschikking stelden. De Bank kende deze omstandigheden immers niet. Zij kon daarom kon slechts uitgaan van de zorgbehoefte van de anonieme maatmanbelegger. [57]
Safe Havenhet geval was, de [betrokkene 1] -beleggers zelf het gevaar hebben opgezocht (s.t. Bank nr. 154). Hetzelfde geldt ten aanzien van het al eerder besproken argument dat de [betrokkene 1] -beleggers voor hun eigen belangen kunnen zorgen.
nr. 3.23) voert in de eerste plaats aan dat het zich onttrekken aan de bescherming van de norm niet is beperkt tot gevallen dat de benadeelde dezelfde norm heeft overtreden.
nr. 3.23; s.t. Bank nr. 163) voert in de tweede plaats aan dat het zich onttrekken aan de bescherming van de norm niet is beperkt tot opzet of daaraan grenzende bewuste roekeloosheid, maar dat dit ook het geval is of kan zijn indien de beleggers zelf verantwoordelijk moeten worden geacht voor een verregaande mate van onbezonnenheid, onzorgvuldigheid en roekeloosheid door gelden aan [betrokkene 1] toe te vertrouwen onder omstandigheden en op basis van condities die elk gerechtvaardigd vertrouwen uitsluiten op een schijn van normale gereguleerde financiële producten van een bona fide, onder toezicht gestelde aanbieder.
nrs. 3.24-3.28). Daarom was de Bank jegens deze beleggers niet gehouden tot onderzoek en kunnen deze beleggers geen beroep doen op de beschermende strekking van de toezichtswetgeving (
nr. 3.29).
Safe Haven,rov. 6.3.4), [63] maar dat niet behoeft te doen als zij geen aanleiding heeft om te veronderstellen dat het gevaar van beleggingsactiviteiten zonder vergunning zich voordoet (
Befra,rov. 3.8.2). De bank die gezien de informatie waarover zij beschikt aanleiding heeft tot onderzoek naar de vraag of door gebruik van bij haar aangehouden rekeningen beleggers worden blootgesteld aan het gevaar van beleggingsactiviteiten zonder vergunning, maar nalaat om dit te doen, handelt om die reden onrechtmatig.
Befradat er geen onderzoeksplicht is “indien er ogenschijnlijk een overtreding van de toezichtswetgeving aan de orde is die er achteraf niet blijkt te zijn” (Repliek nr. 44). Deze lezing lijkt mij onjuist. Het aangrijpingspunt voor de onderzoeksplicht is immers niet het resultaat van het onderzoek. Ik zie in het arrest ook geen steun voor de lezing van de Bank. In
Befrawas er geen aanleiding voor onderzoek, omdat de situatie zodanig was dat (de bank ervan mocht uitgaan dat) de Befra als beherend vennoot van de betrokken cv het eigen vermogen van de cv belegde (en niet dat van een ander).
Safe Haven-situatie (of een daarmee volgens het hof gelijk te stellen situatie; zie rov. 43) waarin de Bank moet onderzoeken of de rekeninghouder beleggingsactiviteiten verricht met de vereiste vergunning. Die onderzoeksplicht beschermt volgens het hof de beleggers “bij wie de benadeling via (een van) de betrokken bankrekeningen is gelopen”.
Safe Havenniet ziet op alle beleggers, maar het hof ziet voor de andere beleggers ook nog een mogelijkheid. Daarom [68] concludeert het hof in rov. 34, dat de rechtbank ten onrechte “de bijzondere zorgplicht van de Bank categorisch heeft beperkt tot de [betrokkene 1] -gedupeerden die gelden hebben gestort of hebben laten storten op de [001] - en de [002] -rekening”.
onderdeel 1 van het incidentele middel. Dit is gericht tegen rov. 29-31 en 34 en betoogt in de kern dat het hof geen onderscheid kon maken tussen beide groepen beleggers. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. [69]
nrs. 1.2 en 1.3); het hof overweegt wel dat art. 7 Wte Pro een ruime strekking heeft en beoogt bescherming te bieden aan eenieder die met betrekking tot effecten transacties aangaat en daardoor beleggersbelangen krijgt, maar beperkt vervolgens de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht op een wijze die met die ruime strekking niet zonder meer valt te rijmen (
nrs. 1.4 en 1.5).
nrs. 1.6 en 1.7) en tot de maatschappelijke functie van banken behoort het mede ter bescherming van de belangen van derden waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel (
nrs. 1.8 en 1.9). Dit blijkt uit de Sanctiewet 1977, de Wet identificatie bij dienstverlening, de Wet melding ongebruikelijke transacties, het incidentenwaarschuwingssysteem EVA, rapporten van het Bazelse Comité, de Nota Integriteit Financiële Sector, de handhavingsarrangementen tussen banken en OM, de Regeling Organisatie en Beheersing, het Integriteitsbesluit, de Regeling CDD en de Nadere Toelichting daarop.
nr. 1.10).
Safe Haven(rov. 6.3.2).
Safe Havenrov. 6.3.2). Zij is om de volgende reden relevant. Als de beschermingstrekking van de Wte wordt bezien tezamen met de deskundigheid van de bank (waaruit volgt dat zij op de hoogte is van deze wetgeving) en haar maatschappelijke functie (die niet uitsluitend is gericht op het bedienen van haar klanten), dan wordt verklaard waarom de bijzondere zorgplicht van de bank onder omstandigheden kán meebrengen dat de bank rekening moet houden met de belangen van bepaalde derden-beleggers.
1.4van het incidentele middel bedoelde voorzienbaarheid dat bij ook anderen bij de fraude betrokken kunnen zijn aan de orde.
Safe Haven. Uit het hofarrest in die zaak blijkt dat de informatie waarover de bank beschikte bestond uit “de omvang van de op de rekening gestorte bedragen” en uit “de mate waarin aan leidinggevende personen binnen de Bank (…) bekend was of moet zijn geweest wat met die stortingen werd beoogd”. [70] Op grond van die informatiestroom werd aangenomen dat de bank een zorgplicht jegens de derden-beleggers had (rov. 6.3.4). [71]
Safe Havenen de Wte heeft het hof duidelijk gemaakt dat de belangen van derden-beleggers in het onderhavige geval in beeld kunnen komen. Alle belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt, zijn beleggers. Het hof kon daarom naar mijn mening in zijn tussenarrest in het midden laten of een bescherming van beleggers wellicht ook zou volgen uit de andere wetten, regels, beleidsstukken etc. die in het incidentele middel worden genoemd. Het hof kon eveneens in het midden laten of daaruit een bescherming van de [betrokkene 1] -gedupeerden zou volgen in een andere hoedanigheid dan die van belegger, zoals de hoedanigheid van lid van het publiek in de zin van art. 82 Wtk Pro of van slachtoffer van fraude (
nrs. 1.2 en 1.8van het incidentele middel). Volgens het hof is immers aan de orde dat de beschikbare informatie wees op de mogelijkheid dat beleggers werden blootgesteld aan het gevaar dat [betrokkene 1] beleggingsactiviteiten zonder een vergunning verrichtte.
onderdeel 2 van het incidentele middelover rov. 32. Het hof noemt daarin “specifieke omstandigheden” waarin de Bank mogelijk onrechtmatig jegens de andere gedupeerde beleggers heeft gehandeld.
nrs. 2.1-2.3) veronderstellen dat het hof de mogelijke onrechtmatigheid jegens de andere gedupeerde beleggers niet in deze procedure beoordeelt, omdat deze specifieke omstandigheden zich niet lenen voor beoordeling in een collectieve actie (zie s.t. Stichting nrs. 123-124). Die klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof spreekt in rov. 32 van “specifieke omstandigheden” (niet om aan te geven dat art. 3:305a BW niet ingezet kan worden, maar) om aan te geven dat voor onrechtmatigheid jegens de andere gedupeerde beleggers méér nodig is, dan wetenschap van de Bank van het ‘ongebruikelijke betalingsverkeer’ als genoemd in rov. 31. Het hof dwingt deze beleggers dus niet tot het voeren van individuele procedures (anders dan in de s.t. Stichting nr. 125 wordt gevreesd).
incidentele middel nr. 2.3(met verwijzing naar vele vindplaatsen in de voetnoten 19, 22-25 en 28) miskent dit.
onderdeel 3.d.ii van het principale middel (nr. 3.31), dat het hof niet kon toekomen aan een oordeel als bedoeld in rov. 32, omdat de Stichting niet heeft gesteld dat de Bank wist of behoorde te weten van de Ponzi-zwendel.
nrs. 3.33-3.34van onderdeel 3.d.ii van het principale middel miskennen overigens dat het hof in rov. 32 over een andere situatie spreekt dan de situatie waarop het hof in rov. 31 doelt.
nrs. 1.4-1.7).
Struikelende broodbezorger), waaruit blijkt dat onrechtmatige nalaten schuilt in stilzitten terwijl met weet (
nrs. 1.8-1.9).
nrs. 1.10-1.14).
nr. 1.15).
nr. 1.16).
nrs. 1.17-1.20).
nrs. 1.21).
Struikelende broodbezorger-rechtspraak gevaarsbewustzijn vereist is (zie hierboven ad (i), (iii) en (iv)). Voorts stelt het onderdeel de meer rechtspolitieke vraag wat redelijkerwijs nog kan worden gevergd van banken die betaaldiensten verlenen. Met het oog daarop wijst het onderdeel (ad (ii), (v) en (vi)) op het volgende.
nr. 1.11). Van een bank – die anders dan AFM of DNB geen toezichthouder is – kan (destijds) daarom geen inzet van medewerkers of geautomatiseerde systemen worden verwacht om dit gevaar te signaleren. De bank kan haar deskundigheid pas inzetten als zij een probleem daadwerkelijk ziet (
nr. 1.12).
nr. 1.13).
nr. 1.13) en verdraagt zich niet met de aard van de betaaldienstverlening door banken (
nr. 1.14).
nr. 1.18).
nr. 1.19).
nr. 1.20).
nr. 1.21).
alsde Bank
weetvan het ongebruikelijke betalingsverkeer en de bijbehorende omschrijvingen op de rekeningen en daarmee
van de beleggingsactiviteitenvan [betrokkene 1] ,
danhad zij zich
behoren te realiserendat [betrokkene 1] mogelijk in strijd met de Wte handelde door zonder vergunning beleggingsactiviteiten te verrichten en
onderzoek moeten doenof een vergunning op grond van de Wte en/of Wtk vereist was.
weetvan de beleggingsactiviteiten van [betrokkene 1] (rov. 43, laatste volzin), had de Bank −
omdat zij bedacht moet zijn op het gevaarvoor beleggers dat een rekeninghouder beleggingsactiviteiten ontplooit zonder de daarvoor vereiste vergunning (rov. 43, vijfde volzin) – zich
behoren te realiserendat hij mogelijk in strijd met de Wte handelde (rov. 43, eerste volzin).
Safe Havenaan de orde was.
Safe Havenging het om het geval dat de bank (a)
wistvan de beleggingsactiviteiten op de rekening en (b) zich
realiseerdedat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaatsvonden. Zie voor (a) rov. 6.3.2 en voor (b) rov. 6.3.4 van dit arrest.
wistvan de beleggingsactiviteiten op de rekening en (b) zich
behoorde te realiserendat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaatsvonden.
,normatief, dat de Bank zich behoorde te realiseren dat beleggingsactiviteiten op de rekening plaatsvonden. Het hof gaat er behoudens tegenbewijs vanuit dat de bank dit wist.
Safe Haven. Ook daarin was sprake van een oordeel van het hof, dat de bank op een gegeven moment na opening van de rekening
bekend moet zijn geraaktmet de beleggingsactiviteiten van Safe Haven (rov. 6.3.2).
Safe Havenniet aan de orde was. De vraag is of het hof deze stap kon zetten.
weetdat een betaalrekening van een particulier wordt gebruikt voor beleggingsactiviteiten, dan is het mijns inziens geen grote stap om te zeggen (zoals het hof heeft gedaan) dat zij zich
behoortte realiseren dat dit mogelijk geschiedt zonder vergunning. Die stap is in lijn met hetgeen van banken aan kennis mag worden verwacht.
Mees Pierson/Ten Boswerd gesproken van de situatie dat de bank zich bewust was, althans behoorde te zijn, van het – in die zaak relevante − feit dat de beleggingen betrekking hadden op de vermogensbelangen van de minderjarigen (rov. 3.6.2). Nu ging die zaak om een andere feitelijke constellatie en was met name het aspect van nalaten om onderzoek te doen niet aan de orde. Daarom richt de discussie zich op de arresten
Safe Havenen
Struikelende broodbezorger.
Safe Havendwingt naar mijn mening niet tot een andere conclusie, namelijk dat steeds gevaarsbewustzijn vereist zou zijn.
Safe Havengeen uitspraak doet over de vraag of de bank die weet van de beleggingsactiviteiten op de betaalrekening, zich vervolgens behoort te realiseren dat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaatsvinden.
Struikelende broodbezorger).
Safe Haven-arrest.”
Safe Haveneen bank zich onder omstandigheden de belangen moet aantrekken van derden die gelden storten op een betaalrekening die wordt gebruikt voor beleggingsactiviteiten waarvoor een vergunning is vereist welke mogelijk ontbreekt. [79] Ook in het onderhavige geval gaat het om derden met een dergelijk belang.
nr. 1.16aangeeft − feitelijk betaalopdrachten heeft uitgevoerd en daarvoor provisie heeft ontvangen. Voor zover het middel in deze overweging meer leest, mist het feitelijke grondslag en faalt het om die reden.
Safe Havenverwerpt het Nederlandse recht de gedachte (die zich met name aandient bij de bespreking van het Engelse recht) [81] dat er op een bank in het kader van het betalingsverkeer nimmer een op de maatschappelijke betamelijkheid gebaseerde verplichting tot onderzoek bestaat die beleggers onder omstandigheden zou kunnen beschermen. De Nederlandse benadering ligt meer in de lijn van het Duitse recht. [82] In het voorgaande is ervan uitgegaan dat een dergelijke verplichting bestaat indien de omstandigheden zodanig zijn dat de bank (a) weet van de beleggingsactiviteiten op de rekening en (b) zich realiseerde (
Safe Haven) dan wel zich behoorde te realiseren dat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaatsvonden. In dat geval strekt de verplichting ertoe dat de bank eerst eens onderzoekt of inderdaad in strijd met de wet wordt gehandeld.
nrs. 1.22-1.26) subsidiair dat het hof in rov. 31 en met name 43 e.v. heeft miskend (
nr. 1.25) dat voor het aannemen van een onderzoeksplicht van de Bank ten minste een “normatief gevaarsbewustzijn” (
nr. 1.24) is vereist.
nr. 1.23).
nr. 1.24 en 1.25), hoe de situatie feitelijk was gegroeid en de perceptie van de betrokken medewerkers van de activiteiten van de succesvolle zakenman [betrokkene 1] (
nr. 1.26).
nr. 1.27faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, voor zover zij ervan uitgaat dat volgens het hof de bank eerst een onderzoeksplicht heeft “indien de betrokken medewerkers zich daadwerkelijk behoorde(n) te realiseren dat [betrokkene 1] beleggingsactiviteiten ontplooide en daarmee de Wte 1995 (mogelijk) overtrad.” Zoals besproken, heeft het hof onderzocht wat de Bank wist over de beleggingsactiviteiten en wat zij zich daarom behoorde te realiseren omtrent de mogelijkheid dat in strijd met de Wte werd gehandeld.
nr. 1.27heeft de Stichting niet gesteld dat wetenschap van het ongebruikelijke betalingsverkeer en de daarbij gehanteerde omschrijvingen reeds betekende dat de Bank wist of behoorde te weten van de beleggingsactiviteiten van [betrokkene 1] en zich op die grond hadden behoren te realiseren dat mogelijk in strijd met de Wte 1995 werd gehandeld.
ende bijbehorende omschrijvingen op de rekeningen. Dat laatste betreft blijkens rov. 45 en 46 echter een element van het eerste. Rov. 45-46 betrekt de ongebruikelijkheid immers op de aantallen overboekingen, de bedragen en de omschrijvingen en de aard van de rekeningen. In rov. 43 gaat het dus om kennis van het ongebruikelijke betalingsverkeer
inclusiefde bijbehorende omschrijvingen op de rekeningen. In cassatie wordt, terecht, niet aangevoerd dat het hof in rov. 43/44 en in 45/46 uitgaat van begrippen ‘ongebruikelijke betalingen’.
1.28klaagt het onderdeel, kort gezegd, dat het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft betrokken dat noch volgens de toenmalige noch volgens de huidige regelgeving er een wettelijke verplichting bestaat tot monitoring van betalingsverkeer ter detectie van mogelijke overtreding van de toezichtregelgeving en/of ter bescherming van de vermogensbelangen van beleggers die zaken doen met klanten van banken. Het ontbreken daarvan wijst er a fortiori op dat alleen een daadwerkelijk gevaarsbewustzijn bij banken ertoe kan leiden dat zij uit oogpunt van ongeschreven recht/van maatschappelijke betamelijkheid de zorgplicht hebben om maatregelen te nemen.
Safe Haven. Het middel voert niet aan dat in de periode 1998-2004 wetgeving bestond die in de weg ging staan aan een dergelijke ongeschreven rechtsplicht. [86] Anders dan de klacht aanvoert, wijst het ontbreken van regelgeving niet op een vereiste van gevaarsbewustzijn.
nrs. 1.29-1.33stelt het principale middel aan de orde hoe nauwkeurig schending van de Wte of Wtk moet worden (vast)gesteld, wil de rechter zich een oordeel kunnen vormen over de vraag of de Bank een onderzoeksplicht had.
nr. 1.30). Uit het
Befra-arrest volgt dat de rechter bij de vraag of een bank jegens derden onrechtmatig heeft gehandeld, met de vereiste nauwkeurigheid en precisie moet nagaan welke specifieke verbodsbepaling, kenbaar voor de bank, mogelijk werd overtreden en in welke mate op die specifieke overtreding een maatschappelijke zorgplicht van de bank kan worden gebaseerd (
nr. 1.31). In rov. 24 kan het hof niet overwegen dat [betrokkene 1] zich reeds vanaf 1998 bezighield met beleggingen ten behoeve van derden die daartoe geld op de [001] -rekening overmaakten “en dus in strijd handelde met de Wte” zonder duidelijk te maken welke bepaling in de Wte werd overtreden (
nr. 1.33).
Befra(zie bij 6.27-6.30). Als de bank beschikt over voldoende aanwijzingen dat beleggers worden blootgesteld aan het gevaar van beleggen zonder vergunning, dan dient zij daarnaar in beginsel onderzoek te verrichten. Uiteraard zullen die aanwijzingen zodanig moeten zijn dat de mogelijkheid van schending van een of meer verboden in beeld komt. Maar daarbij hoeft nog niet duidelijk te zijn precies welke verbodsbepaling mogelijk wordt overtreden. Dat moet blijken uit het onderzoek.
nr. 1.29), dat het hof in rov. 31 niet kon verwijzen naar art. 7 lid 1 Wte Pro omdat de Stichting zich niet op die bepaling heeft beroepen. De Stichting heeft betoogd dat de Bank door geen onderzoek in te stellen de beleggers heeft blootgesteld aan het gevaar van activiteiten in strijd met de Wte en Wtk waarvoor vergunning is vereist. [87] Aan die onderzoeksplicht heeft zij ten grondslag gelegd dat de door haar gestelde feiten en omstandigheden de Bank tot dat onderzoek aanleiding hadden moeten geven. De Stichting heeft zich er in dat verband op beroepen dat [betrokkene 1] art. 3 Wte Pro en art. 82 Wtk Pro heeft overtreden. [88] Dat laatste impliceert (naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen) geen beperking van de grondslag van haar vordering tot het verwijt dat Bank geen onderzoek heeft verricht naar specifiek overtreding van art. 3 Wte Pro of 82 Wtk. De Hoge Raad overwoog in
Safe Havenoverigens in het algemeen dat de bepalingen van de Wte mede strekken ter bescherming van de belangen van de beleggers. Het feit dat de Stichting niet specifiek heeft gesteld dat [betrokkene 1] art. 7 Wte Pro heeft overtreden, belemmerde het hof daarom niet om in rov. 31 de onderzoeksplicht van de Bank te betrekken [89] op (ook) art. 7 lid 1 Wte Pro.
onderdeel 2.a (nr. 2.1)bouwt voort op onderdeel 1 en faalt in het verlengde daarvan.
onderdeel 2.b (nrs. 2.2-2.4)gaat het hof in rov. 44 uit van een onjuist, althans onduidelijk wetenschapscriterium.
nrs. 2.5-2.7(het hof heeft bij de vaststelling van de ongebruikelijkheid van het betalingsverkeer niet de juiste bewustzijnsmaatstaf gehanteerd) bouwt voort op onderdeel 1 en faalt daarom. Voor zover de klacht in
nr. 2.8niet reeds ook om deze reden moet falen, komt zij erop neer dat het hof is voorbijgegaan aan een drietal (volgens het onderdeel kennelijk essentiële) stellingen van de Bank. Het sterk feitelijk gekleurde onderdeel ziet ‘
fundamentele flaws’ in het arrest (Repliek nr. 47 e.v.).
Nr. 2.8 onder (i)gaat over de handmatige verwerkte afschrijvingen van de [001] -rekening.
uit de verklaring van [F]blijkt dat telefonische overboekingen schriftelijk werden gegeven (vgl. met name de MvA tevens MvG incidenteel nr. 5.3.27, 5.3.38-5.3.39 en 5.3.56).
Nr. 2.8 onder (ii)betoogt dat het betalingsverkeer niet ongebruikelijk overkwam op de medewerkers van het Hilversumse filiaal, omdat [betrokkene 1] bekend stond als welgestelde zakenman met diverse activiteiten, waaronder legale beleggingsondernemingen en sponsoring.
Nr. 2.8 onder (iii)voert aan dat de enkele ongebruikelijkheid van transacties nog geen bewijs vormt voor mogelijke wetsovertreding. Dit argument gaat niet op. Het hof heeft de wetenschap (in de zin van rov. 44) van de ongebruikelijkheid van het betalingsverkeer immers in verband gebracht met de wetenschap dat sprake was van beleggingsactiviteiten (rov. 43, slot). Dat die wetenschap aanwezig was, heeft het hof nog niet beslist, maar het heeft te dien aanzien wel bewijsvermoedens geformuleerd. Indien die wetenschap aanwezig was, had de Bank zich volgens het hof behoren te realiseren dat [betrokkene 1] mogelijk in strijd met de Wte handelde door zonder vergunning beleggingsactiviteiten te verrichten en daarnaar onderzoek moeten doen (rov. 43).
nr. 2.9bouwt voort op de klachten in de nrs. 2.1-2.8 en faalt daarom ook.
nr. 2.11wordt verondersteld, heeft het hof in rov. 50 niet miskend dat de toerekeningsvraag moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Evenmin heeft het hof kennis toegerekend uitsluitend omdat deze in het kader van de functie werd verkregen. Dat blijkt niet alleen uit de verschillende overwegingen van rov. 50, maar ook uit rov. 54-55.
nr. 2.13wordt verondersteld, heeft het hof in rov. 50-55 niet nagelaten te beoordelen in hoeverre de gestelde wetenschap van de (balie)medewerkers toerekenbaar was aan de Bank.
nr. 2.14wordt verondersteld, heeft het hof in rov. 55 geen oordeel gegeven over eventuele wetenschap van de accountmanager van [betrokkene 1] bij het Hilversumse filiaal van de Bank. Het hof veronderstelt dat er een accountmanager was voor [betrokkene 1] , maar de referte aan “de” wetenschap van de accountmanager ziet kennelijk alleen op de eventualiteit dat vast zou komen te staan dat deze inderdaad kennis had over de mutaties op de rekeningen.
nrs. 2.11 en 2.12wordt voorts geklaagd dat het hof niet is ingegaan op de vraag of de betrokken functionaris de relevantie van zijn kennis inzag of, voor zover de juridische context zulks vergde, behoorde in te zien. In nr. 2.12 wordt voorts geklaagd dat het hof een te ruime, althans onvoldoende precieze maatstaf aanlegt. Onduidelijk is met name wanneer een impliciete taak of verantwoordelijkheid van een bij het betalingsverkeer betrokken medewerker bestaat om iets te doen met verkregen kennis of die door te leiden. Dit laatste komt ook terug in
nr. 2.13.
benefit of hindsightkennis wordt “gesprokkeld”, wordt beteugeld doordat de rechter zijn uitspraak afdoende moet motiveren in het licht van de toe te passen maatstaven en de relevante feiten en omstandigheden zoals die ten processe zijn (vast)gesteld. Daartoe is de rechter des te beter uitgerust wanneer partijen meer feiten en omstandigheden hebben aangedragen. Uit rov. 54 leid ik af, dat het hof van de Bank meer concrete stellingen over de binnen haar organisatie aanwezige kennis verwacht.
Onderdeel 2.e (nrs. 2.15-2.17)bestrijdt het oordeel in rov. 51 en rov. 54 dat hogere eisen kunnen worden gesteld aan de motivering van het verweer van de Bank nu het hier gaat om door de Stichting te leveren bewijs van feiten en omstandigheden die zich geheel binnen de sfeer van de Bank bevinden.
nr. 2.16, kort gezegd, rechtvaardigt de aard van de aan de Bank verweten normschending geen verzwaarde motiveringsplicht.
nr. 2.17dient te falen. Uit de stukken van de feitelijke instanties blijkt dat de Stichting de nodige moeite heeft gedaan om haar stellingen omtrent de wetenschap aan de zijde van de Bank te concretiseren en te onderbouwen. In dat licht en gegeven het feit dat bepaalde informatie die de stellingen van de Stichting zou kunnen weerspreken nu eenmaal in het domein van de Bank ligt, is het argument dat de Stichting ook een voorlopig getuigenverhoor had kunnen entameren onvoldoende om het oordeel van het hof onbegrijpelijk te kunnen noemen.
nr. 2.22, dat het hof met zijn overweging over de accountmanager in rov. 54 blijkt geeft van een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken dan wel van een verboden aanvulling van de feiten.
Onderdeel 2.f (nrs. 2.18-2.19)bestrijdt het bewijsvermoeden van rov. 53. De louter voortbouwende klacht in nr. 2.18 faalt.
nr. 2.19faalt eveneens. De waardering van de schriftelijke verklaring van Workel is aan het hof overgelaten. De stellingen van de Bank dat die verklaring onbetrouwbaar is omdat Workel betrokken was bij de fraude en dat zij het in die verklaring bedoelde telefoongesprek met haar medewerksters niet heeft kunnen achterhalen, behoefden het hof niet te weerhouden van het aannemen van het vermoeden. Het hof heeft in rov. 51 uitgelegd waarom het de betwisting van deze verklaring door de Bank onvoldoende heeft geacht.
Onderdeel 2.g (nrs. 2.20-2.23)bestrijdt rov. 54 en 55. De louter voortbouwende klacht in nr. 2.20 faalt.
nrs. 2.21-2.23heeft het hof zich in rov. 54 en 55 geen rekenschap gegeven van de in nr. 2.21 bedoelde verweren en omstandigheden.
bijschrijvingen op de rekeningen vonden geheel geautomatiseerd plaats en de medewerkers van het Hilversumse kantoor kenden de bijschrijvingen en de daarbij behorende omschrijvingen niet.
afschrijvingen van de [001] -rekening.
afschrijvingen van de [001] -rekening werd een klein deel handmatig verwerkt, daarvan had een klein deel een omschrijving en een klein deel van die omschrijvingen zou achteraf wellicht in verband kunnen worden gebracht met beleggingsactiviteiten. Maar op de stellingen in de dagvaarding over de omschrijvingen bij de handmatig verwerkte afschrijvingen, waarop het hof zich blijkens rov. 15 baseert, kan geen vermoeden worden gebaseerd ten aanzien van de afschrijvingen van de [001] -rekening vanaf 1998 nu deze stellingen zien op de periode 2002-2005 en de genoemde betalingen grotendeel
bijschrijvingen betreffen en de
afschrijvingen geen bijzondere kenmerken of omvang betreffen.
afschrijvingen van de [002] -rekening werden geheel geautomatiseerd uitgevoerd.
nr. 2.23ziet het vermoeden in rov. 53 op ongebruikelijke betalingsverkeer op de [002] -rekening in 2003. Daaruit kan het hof in rov. 55 niet afleiden:
bijschrijvingen op beide rekeningen zowel wat betreft de omvang ervan (veelvuldig grote bedragen) als de aard ervan (omschrijvingen die vragen hadden moeten oproepen). De klacht onder (b) geeft niet aan waarom die lezing van de procestukken door het hof onbegrijpelijk zou zijn.