Belanghebbende ontving in 1991 een ontslagvergoeding in de vorm van een stamrecht, ondergebracht in een BV waarvan hij enig aandeelhouder was. De BV betaalde in de periode 1994-2013 betalingen aan belanghebbende die tot en met 2008 ten laste van de winst werden gebracht. In 2007 gaf belanghebbende de betaling van €46.182 aan als loon, zonder de BV als werkgever te vermelden. De Inspecteur legde de aanslag IB/PVV 2007 op zonder de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) van de BV te raadplegen.
De aangifte Vpb 2007 van de BV toonde een aanzienlijke afname van de stamrechtverplichting, die niet tot de fiscale winst werd gerekend maar rechtstreeks ten gunste van het eigen vermogen werd geboekt. De Inspecteur verhoogde bij navordering het inkomen van belanghebbende met €767.198, de waarde van de stamrechtaanspraak volgens de Wet IB 2001 en Wet LB. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 de Vpb-aangifte van de BV had moeten raadplegen en dat het nalaten daarvan een ambtelijk verzuim was, waardoor de navorderingsaanslag werd vernietigd.
De Hoge Raad stelt dat de Inspecteur in beginsel niet verplicht is om dossiers van andere belastingplichtigen of belastingen te raadplegen, tenzij de gegevens in het eigen dossier daartoe aanleiding geven. Het Hof heeft dit miskend. De gegevens in het IB/PVV-dossier van belanghebbende gaven geen aanleiding tot het raadplegen van het Vpb-dossier van de BV. Daarom is geen sprake van ambtelijk verzuim. Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling van de overige geschilpunten.
De Hoge Raad wijst geen proceskosten toe en laat de vergoeding daarvan over aan het verwijzingshof.