Conclusie
1.Overzicht
remittance-bepaling in art. 2(5) van het belasting-verdrag tussen Nederland en Malta (NL-MT) en over de toepassing van de anti-
treaty shopping-bepaling in art. 30 NL Pro-MT. De eerste bepaling weigert verdragsvoordelen voor inkomensbestanddelen die in de Staat van toewijzing niet worden belast als ze niet naar die Staat worden betaald. De laatste bepaling sluit toegang tot de verdragsvoordelen uit als de Staat van toewijzing de toegewezen inkomsten belast naar een begunstigende ‘bijzondere regeling’. Middel (iv) gaat over de verhouding tussen die twee bepalingen. Middel (v) stelt dat de raadsheren van het Hof zich hadden moeten verschonen omdat zij een driedaagse conferentie hebben bijgewoond waar ook als spreker optrad een ter zitting tot bijstand van de Inspecteur aanwezige ambtenaar van de Coördinatiegroep constructiebestrijding.
BNB2015/126, [1] maar die zaak betrof een ander Maltees regime dan het nu te toetsen Maltese regime van winstbelastingheffing in art. 4
Income Tax Act(ITA)
junctoeen teruggaafregeling in de
Income Tax Management Act(ITMA). De vraag is of dat regime ‘in wezen gelijksoortig’ is aan de bij de invoeging van art. 30 NL Pro-MT als “bijzondere regeling” aangemerkte
Malta International Business Activities Act(MIBAA).
non-domiciled residentaangemerkt. Zij heeft voor 2012 t/m 2014 in Malta buitenlands inkomen aangegeven dat niet naar Malta is overgemaakt (
income not remitted). Voor 2013 heeft zij in Malta € 1.007.928 Duitse handelswinst aangegeven als buitenlands inkomen dat (wel) belast is Malta. Zij heeft in datzelfde jaar 2013 een dividend ad € 1.008.275 gedeclareerd. Het na heffing van Maltese belasting resterende netto-dividend ad € 655.379 is uitgekeerd aan de CV, die gebruik heeft gemaakt van een Maltese teruggaafregeling in de ITMA op basis waarvan de CV in december 2015 € 302.478 (6/7e deel van de belasting ten laste van de belanghebbende) heeft teruggekregen. De Inspecteur heeft de aanslagen Vpb 2012 t/m 2014 opgelegd zonder objectvrijstelling.
geschilis of de aanslagen Vpb 2012 t/m 2014 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Vanaf de hoger-beroepsfase gaat het erom of (i) de
remittancebepaling in art. 2(5) NL-MT Nederlandse heffing over belanghebbendes Zwitserse vermogenswinsten toelaat, (ii) of art. 30 NL Pro-MT objectvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting uitsluit en zo ja, (iii) of de Maltese ITA dan als kosten ten laste van de winst van belanghebbende kan komen.
Rechtbank Noord-Nederlandheeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard omdat zij nog kon terugkomen van de bij aangifte gemaakte keuze inzake de waardering van haar beleggingen: zij hoefde
niet-gerealiseerde vermogenswinsten niet als belastbare winst te verantwoorden. Op
gerealiseerdevermogenswinsten, waar ook behaald, achtte de Rechtbank art. 2(5) NL-MT van toepassing, nu de belanghebbende wegens haar rechtsvorm binnenlands belastingplichtig is en dus voor haar wereldwinst in Nederland is onderworpen.
BNB2015/126 (zie 5.2 hieronder), of de combinatie van art. 4 ITA Pro (heffing bij de belanghebbende) en de ITMA (teruggaaf aan haar aandeelhouder) gelijk of in wezen gelijksoortig is aan de MIBAA, hetgeen toegang tot het verdrag uitsluit. Hoewel per 1 januari 2007 het onderscheid tussen Maltese en niet-Maltese aandeelhouders is vervallen, resulteert de combinatie ITA/ITMA voor niet-Maltese aandeelhouders in een effectief tarief van 5% (de vennootschap betaalt 35% en de aandeelhouder krijgt 30 punten terug) en voor Maltese aandeelhouders in een effectief tarief ad 38,25% (de vennootschap betaalt 35% en de aandeelhouder bovendien (38,25 minus 35 =) 3,25%). De Maltese wetswijziging per 2007 neemt dus niet weg dat Malta aldaar geregistreerde vennootschappen met niet-Maltese aandeelhouders begunstigt in vergelijking met vennootschappen met Maltese aandeelhouders, en wel zodanig (33,25 punten verschil) dat de ITA/ITMA-combinatie in wezen gelijksoortig is aan de voormalige MIBAA omdat het verschil in effectieve belastingdruk onder de MIBAA is feitelijk volledig in stand gebleven. Art. 30 NL Pro-MT sluit dan beroep op de objectvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting uit.
Hof Arnhem-Leeuwardenheeft belanghebbendes hogere beroep gegrond verklaard omdat hij aftrek van de Maltese belasting als kosten heeft toegestaan. Anders dan de Rechtbank, acht het Hof de
remittancebepaling van art. 2(5) NL-MT niet van toepassing op de vermogenswinsten omdat wél overgemaakte niet-Maltese vermogenswinsten in Malta net zo min belast zijn als niet-overgemaakte vermogenswinsten. Dat helpt de belanghebbende echter niet, want voor de vraag of zij (deels) is vrijgesteld door een ‘bijzondere regeling’ als bedoeld in art. 30 NL Pro-MT, neemt het Hof de overwegingen en het oordeel van de Rechtbank over, nu de belanghebbende de door de Rechtbank berekende effectieve
overallMaltese belastingdruk van 5% niet heeft betwist. Art. 4(1)(ii) ITA
junctode ITMA-teruggaaf is dan in wezen gelijksoortig aan de MIBAA, waardoor art. 30 NL Pro-MT de belanghebbende uitsluit van de Verdragsvoordelen. De in 2012-2014 gerealiseerde vermogenswinsten en de Duitse handelswinst 2013 zijn dan terecht in haar Nederlandse belastbare wereldwinst betrokken. Het Hof heeft het hogere beroep niettemin gegrond verklaard omdat art. 10(1)(e) Wet Vpb niet in de weg staat aan aftrek van de in Malta geheven ITA 2013 als kosten, nu
juist doorde toepassing van art. 30 NL Pro-MT geen regeling ter voorkoming van dubbele belasting meer van toepassing is op haar winst.
vijf cassatiemiddelenvoor:
junctoart. 4(1)(ii) ITA: art. 30 NL Pro-MT geldt niet voor gerealiseerde niet-Maltese vermogenswinsten van een
non-domiciled resident, nu Malta in 1976 geen belastingheffing op vermogen kende, hetgeen Nederland bij de verdragssluiting heeft aanvaard, en pas in 1992 een beperkte belasting op vermogen heeft ingevoerd.
BNB2015/126, is dus geen sprake van een bijzondere regeling die Maltese en niet-Maltese aandeelhouders verschillend behandelt. Ook onjuist is dat het Hof bij Maltese aandeelhouders wél rekening houdt met hun inkomstenbelasting en bij belanghebbendes niet-Maltese aandeelhouder geen rekening houdt met diens Franse belasting.
junctoart. 117 Grondwet Pro is geschonden doordat de raadsheren zich hebben ingelaten met ambtenaren van de Belastingdienst, in het bijzonder leden van de Coördinatiegroep Constructie Bestrijdingen en meer in het bijzonder een ter zitting tot bijstand van de Inspecteur aanwezig lid van die Coördinatiegroep.
non-domiciledvennootschappen voor 6/7e vrij van de reguliere 35% winstbelasting waar het Maltese aandeelhouders en hun vennootschappen belast voor in totaal 38,25%.
BNB2015/126 volgt dat ook voordelen uit een bron buiten Nederland of Malta in de Nederlandse winst vallen als zij in Malta buiten de heffing blijven wegens niet-overmaking. De belanghebbende acht dat discriminatoir, maar zij wordt niet anders behandeld dan andere al dan niet emigrerende onderdanen. Volgens HvJ
Van Hilten-Van der Heijdenis een
tracing taxten laste van eigen onderdanen echter geen verboden discriminatie. Dat ook een andere lidstaat heft, is geen discriminatie, maar een dispariteit waartegen de EU-Verdragsvrijheden geen bescherming bieden, aldus HvJ
Kerckhaert-Morres, en aan de toepassing van bilaterale belastingverdragen is inherent dat verschillen kunnen ontstaan tussen verschillende buitenlandsituaties waarin verschillende bilaterale verdragen gelden, aldus het HvJ in de zaak
D. v Inspecteur. Ook dit middel faalt mijns inziens.
treaty shoppingdoor
non-remittancein de zin van art. 2(5) NL-MT. Het Hof heeft vastgesteld dat voor belanghebbendes vermogenswinsten het
remittance-voorbehoud in art. 2(5) NL-MT niet geldt omdat de belastingvrijdom in Malta niet een gevolg is van niet-overmaking en dat oordeel wordt niet bestreden door de Staatssecretaris. Het gaat dan niet aan dat Nederland tóch belast onder het ‘bijzonder regime’-voorbehoud in art. 30 NL Pro-MT, zo begrijp ik de belanghebbende, nu het regime van teruggaaf van 6/7e van de Maltese
income taxniet kán zien op niet-Maltese vermogenswinsten, die immers vrijgesteld zijn van
income tax, die dus evenmin kan worden teruggegeven: het ITA / ITMA-regime is zonder betekenis voor niet-Maltese vermogenswinsten, die hoe dan ook vrijgesteld zijn. Inderdaad kan men betogen dat geen ‘bijzonder regime’ vigeert en dat art. 30 NL Pro-MT dus niet aan de orde komt. Daar staat echter tegenover dat de Maltese vrijstelling kennelijk alleen geldt voor niet-Maltese vermogenswinst, hetgeen toch ‘bijzonder’ is omdat daardoor voor niet-Maltese vermogenswinsten van Maltees geregistreerde vennootschappen met niet-Maltese aandeelhouders een resultaat wordt bereikt dat gelijk is aan vrijstelling van doorstromers en daarmee vergelijkbaar met het MIBAA-regime. Nederland vond een Maltese heffing ad 5% al te laag om af te zien van heffingsbevoegdheid, zodat aangenomen moet worden dat nihil te minder aanvaardbaar zou zijn geweest. Ik leid uit ’s Hofs uitspraak af dat hij de feitelijke Maltese belastingvrijdom voor niet-Maltese vermogenswinsten als wezenlijk gelijk beschouwt aan het MIBAA-regime, wat verdragsvoordelen uitsluit omdat het doorstromers op vergelijkbare wijze begunstigt onder gelijktijdige
ring fencingvan de Maltese inlandse belastinggrondslag. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk, zodat middel (iv) strandt.
BNB2006/96). Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing zijn van vooringenomenheid; die althans de bij een partij daarvoor bestaande vrees objectief rechtvaardigen. Deelname aan een driedaagse conferentie waar diverse externe sprekers optreden, levert mijns inziens geen zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid op, noch een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat de desbetreffende ambtenaar ter zitting het woord heeft gevoerd, en evenmin dat die ambtenaar tijdens die conferentie heeft gesproken over de zaak van de belanghebbende of specifiek de uitleg van art. 2(5) en art. 30 NL Pro-MT in het licht van art. 4(1)(ii) ITA
junctoart. 48 ITMA Pro. Ik meen dat ook middel (v) strandt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Overallis aldus over de door de belanghebbende uitgedeelde winst kennelijk € 50.413 aan ITA geheven, i.e. 5% van de winst vóór Maltese belasting.
non-domiciled resident. In haar
income tax returns/
self assessments2012 en 2014 heeft zij in Malta geen belastbare winst aangegeven; wel heeft zij € 246.474 (2012) c.q. € 488.146 (2014) niet-Maltees inkomen opgegeven dat niet naar Malta is overgemaakt (rubriek 32a:
income not remitted to Malta). In haar
income tax return/
self assessment2013 heeft zij haar belastbare winst op € 1.007.928 berekend en dat bedrag ook opgegeven als buitenlands inkomen dat is overgemaakt (
remitted) naar Malta. Dit bedrag bestaat uit commissies voor de levering van zandzakken in Duitsland in verband met een overstroming aldaar in 2013. Deze inkomsten zijn vanuit Duitsland overgemaakt naar Malta.
Office of the Commissioner for Revenueheeft bij brief van 2 maart 2021 op namens belanghebbende gestelde vragen onder meer het volgende geantwoord:
remittancebepaling in art. 2(5) NL-MT Nederlandse heffing over belanghebbendes vermogenswinsten toelaat, (ii) art. 30 NL Pro-MT aan voorkoming van dubbele belasting (objectvrijstelling) in de weg staat en zo ja, of (iii) de in 2013 op Malta geheven ITA dan op grond van art. 10(i)(e) Wet Vpb 1969 als kosten ten laste van de fiscale winst kan komen.
remittancebepaling geldt volgens haar alleen voor inkomsten uit Nederlandse bron en hoe dan ook niet voor vermogenswinsten omdat die volgens haar geen ‘inkomsten’/’income’ zijn. Vermogenswinsten zijn bovendien vrijgesteld op Malta ongeacht of zij naar Malta worden overgemaakt zodat niet-belasting in Malta geen gevolg is van
non-remittance, maar van reguliere Maltese wetgeving. Zij vallen daarom per definitie niet onder de
remittancebepaling; de belanghebbende verwijst naar onderdeel 7.18 (zie 5.4 hieronder) van de conclusie [2] voor uw arrest van 1 juli 2022, nr. 20/03826 [3] (zie over dat arrest 5.3 hieronder). De Inspecteur daarentegen acht art. 2(5) NL-MT wél van toepassing.
Malta International Business Activities Act(MIBAA), toepasselijkheid waarvan verdragstoepassing uitsluit. De belanghebbende bestrijdt dat zij onderworpen is aan een ‘bijzonder regime’, nu dat regime ook geldt voor Maltese inkomsten en ook voor Maltese aandeelhouders en bovendien rekening moet worden gehouden met de Franse inkomstenbelasting ten laste van belanghebbendes aandeelhouder.
income taxad € 356.434 als kosten ten laste van haar winst komt als zij door het buiten werking stellen van het Verdrag NL-MT geen toegang heeft tot een regeling ter voorkoming van dubbele belasting. De Inspecteur stelt daar primair tegenover dat zij niet in aanmerking komt voor aftrek als kosten omdat in art. 10(1)(e) Wet Vpb is bepaald dat buitenlandse winstbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt als een regeling ter voorkoming van dubbele belasting zoals het Verdrag NL-MT van toepassing is, en subsidiair dat kostenaftrek moet worden beperkt tot de
income taxminus de teruggaaf ad € 302.478 aan de CV, dus tot € 53.956 (€ 356.434 -/- € 302.478).
remittance-bepaling van art. 2(5) NL-MT niet alleen voor inkomsten met bron in Nederland of Malta, nu de belanghebbende voor haar wereldwinst belastingplichtig is in Nederland, ook voor (gerealiseerde) vermogenswinsten. Ook dergelijke winsten blijven dus in Nederland belast als zij niet worden overgemaakt naar Malta:
NTFR2020/547 de conclusie dat de
remittance-bepaling zich ook uitstrekt tot inkomsten die niet in Nederland of Malta zijn opgekomen:
i.e.van een belastbaar bedrag ad € 1.016.190 (Rechtbank) naar een belastbaar bedrag ad € 659.756. Het Hof oordeelde als volgt over de in hoger beroep resterende geschilpunten (i) of de
remittancebepaling van art. 2(5) NL-MT Nederlandse heffing over de vermogenswinsten toelaat, (ii) of art. 30 NL Pro-MT aan objectvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting in de weg staat en (iii) of art. 10(i)(e) Wet Vpb aftrek van de Maltese
income taxals kosten toestaat.
remittancebepaling niet van toepassing op de gerealiseerde vermogenswinsten die niet naar Malta zijn overgemaakt omdat zulke vermogenswinsten in Malta evenmin belastbaar zouden zijn geweest als ze wél naar Malta waren overgemaakt:
NTFR2022/990) acht ’s Hofs oordeel om een aantal redenen belangwekkend:
BNB2015/126; PJW]. Of dat ook mogelijk is op basis van de remittance-bepaling, als de feitelijke leiding van de vennootschap in Malta is gelegen, is op zijn minst onduidelijk. Helaas is de heffing van dividendbelasting alleen in geschil in de twee procedures waarin de rechter heeft geconcludeerd dat de feitelijke leiding in Nederland is gelegen. Dat het Verdrag Nederland-Malta dan niet in de weg staat aan heffing van dividendbelasting door Nederland is duidelijk.”
3.Het geding in cassatie
non-domiciled resident. Ten tijde van het sluiten van het verdrag in 1976 kende Malta geen belastingheffing over vermogenswinsten (maar pas in 1992) en Nederland heeft op dat punt in 1976 geen voorbehoud gemaakt. Hieraan gaat het Hof volgens belanghebbende ten onrechte en zonder begrijpelijke motivering voorbij met zijn oordeel dat de effectieve belastingdruk van 0% als voor Nederland onaanvaardbaar moet gelden voor de toepassing van art. 30 Verdrag Pro.
non-domiciled residentvan Malta zijn genoten. Middel (ii) bestrijdt dat de combinatie van art. 4(1)(ii) ITA en de teruggaveregeling in de ITMA een ‘bijzondere regeling’ is als bedoeld in art. 30 NL Pro-MT. Rechtbank en Hof verwijzen beiden naar HR
BNB2015/126, maar anders dan onder het regime beoordeeld in dat arrest is in casu geen sprake van verschillende behandeling van Maltese en niet-Maltese aandeelhouders. Er zijn dan geen argumenten om bij de vergelijking tussen Maltese en niet-Maltese aandeelhouders de inkomstenbelastingheffing bij de eersten wel mee te nemen en bij de laatsten niet. Als regelingen ‘in onderlinge samenhang’ moeten worden bezien, zoals het Hof oordeelt, getuigt het van een onjuiste analyse en conclusie om dat alleen te doen bij een Maltese aandeelhouder en niet bij een in de EU wonende niet-Maltese aandeelhouder, zoals in casu, nu ook Malta EU-lid is.
verweeronderschrijft de Staatssecretaris ad middel (i) ’s Hofs oordeel dat art. 4(1)(ii) ITA
junctode ITMA-teruggaaf in wezen gelijksoortig is aan de als bijzondere regeling in de zin van art. 30(1) NL-MT aangewezen MIBAA, gegeven de achtergrond [6] van de invoeging van art. 30 Verdrag Pro en doel en strekking van die bepaling. [7] Hij meent ad middel (ii) dat het Hof terecht, net als in HR
BNB2015/126, heeft beoordeeld of zich een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van belasting voordoet uit hoofde van een bijzondere regeling krachtens de wetten van één van beide staten, en terecht heeft geoordeeld dat dat het geval is. De Staatssecretaris acht middel (iii) vergeefs voorgesteld omdat bij de toepassing van bilaterale belastingverdragen in beginsel geen sprake is van verboden discriminatie omdat het inherent is aan de toepassing van bilaterale belastingverdragen dat verschillen kunnen ontstaan tussen verschillende buitenlandse situaties (HvJ EG 5 juli 2005, zaak C-376/03,
D. v Inspecteur, ECLI:EU:C:2005:424, punten 53, 54 en 61). De strekking van middel (iv) is de Staatssecretaris niet duidelijk. Voor zover nodig, verwijst hij naar hetgeen hij over art. 30 NL Pro-MT heeft opgemerkt in reactie op de middelen (i) t/m (iii). Ad middel (v) acht de Staatssecretaris art. 12 Wet Pro RO niet geschonden omdat de presentatie door het lid van de Coördinatiegroep constructiebestrijding op de driedaagse Hofconferentie ging over constructiebestrijding in brede zin en niet over uitleg van (de bepalingen in) het Verdrag NL-MT. De belanghebbende trekt bovendien de onpartijdigheid van de raadsheren te laat in twijfel, nu zij tijdens de zitting op de hoogte is gesteld van de conferentie en de presentatie en daarom tijdens de zitting of kort daarna een wrakingsverzoek had moeten indienen. De Staatssecretaris verwijst naar art. 8:16(1) Awb en HR
BNB2002/84. [8]
repliekwijst belanghebbende er ad middel (ii) op dat de Staatssecretaris erkent dat de teruggaafregeling in de ITMA geen onderscheid maakt tussen Maltese en niet-Maltese aandeelhouders, noch tussen Maltese en niet-Maltese inkomensbronnen, zodat de regeling voor alle belastingplichtigen beschikbaar is en het geval van HR
BNB2015/126 dus niet vergelijkbaar is met haar zaak omdat in die zaak een andere, wél onderscheid makende regeling (de
Flat Rate Foreign Tax Credit(FRFTC)) in samenhang met de ITMA werd beoordeeld. Ook is ten opzichte van de zaak HR
BNB2015/126 kennelijk gewijzigd hetgeen voor Nederland aanvaardbare effectieve belastingheffing is voor verdragsdoeleinden, nu Nederland een belastingverdrag heeft gesloten met de Verenigde Arabische Emiraten, die geen vennootschapsbelasting of dividendbelasting heffen. Ad middel (iv) wijst belanghebbende op de haars inziens typerende inconsistente stellingname van de fiscus ter zake van
non-remittedvermogenswinsten: eerst wordt gesteld dat de Verdragsvoordelen niet voor die vermogenswinsten gelden op grond van
non-remittance, dus op grond van art. 2(5) NL-MT (de Maltese regeling is dan dus blijkbaar niet ‘bijzonder’, want onderdeel van het
remittance-regime), maar na een negatief advies van de A-G Wattel in diens conclusie voor het arrest over de toepasbaarheid van art. 2(5) NL-MT op vermogenswinsten van 1 juli 2022, nr. 20/03826 [9] (zie 5.3 hieronder) wordt moeiteloos overgestapt op beroep op art. 30 NL Pro-MT, en wordt de Maltese regeling ineens wél als bijzonder regime aangemerkt.
4.De regels en enige parlementaire geschiedenis
Income Tax Act(ITA). Het algemene tarief bedroeg in de geschiljaren 35%. De ITA bepaalde in de geschiljaren onder meer het volgende:
Income Tax Management Act(ITMA) kunnen aandeelhouders na het ontvangen van een dividend van een in Malta geregistreerde vennootschap 6/7e deel van de van die vennootschap geheven
advance company income taxterugvragen. Art. 48(4A)(a) ITMA luidt als volgt:
Malta International Business Activities Act(MIBAA) in, die gunstige belastingregelingen voor doorstroomvennootschappen bevatte. De MIBAA stelde onder meer
non-trading off-shore companiesvrij van
income taxen er werd geen Maltese bronbelasting geheven over dividend uitgekeerd aan niet-Maltese aandeelhouders in zo’n vennootschap.
Trading offshore companieswaren wel onderworpen aan de ITA, naar een tarief van 5 percent van hun winst.
5.Rechtspraak / de verhouding tussen de artt. 2(5) en 30(1) NL-MT (middel iv).
non remittance-uitsluiting en ‘bijzonder regime’-uitsluiting) verhinderen dat naar Malta verplaatste Nederlandse BVs beroep doen op de verdragsvoordelen. Soms komt het niet eens zover, als de BV er niet in slaagt aannemelijk te maken dat haar feitelijke leiding daadwerkelijk op Malta wordt uitgeoefend. De huidige zaak is de vierde die u bereikt in relatief korte tijd. Het hieronder in 5.2 geciteerde arrest HR
BNB2015/126 betrof drie naar Malta verplaatste BVs met een in Zwitserland wonende enige aandeelhouder die gebruik maakten van een vanaf 1994 geldend begunstigend Maltees regime voor doorstromers en die zich beriepen op (i) het Ierland-arrest HR
BNB1992/379 om ondanks art. 30(1) NL-MT toch toegang te krijgen tot het dividendartikel (10(6) NL-MT), (ii) art. 2(4) van het belastingverdrag met Zwitserland (1951) in combinatie met het drielandenpuntarrest HR
BNB2001/295 om dividendbelasting-heffing te verhinderen en (iii) het discriminatieverbod ex art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro om art. 1(3) Wet Div.bel. 1965 (vestigingsplaatsfictie) te ontkrachten. Alles vergeefs. Op 1 juli 2022 wees u drie arresten over Maltagangers waarvan het arrest met rolnr. 20/02384 [13] eindigde in ongegrondverklaring van het cassatieberoep van de belanghebbende met toepassing van art. 81 Wet Pro RO. De belanghebbende in die zaak ontving rente ontving van haar in Zwitserland wonende aandeelhouder en was er volgens de feitenrechter niet in geslaagd te bewijzen dat haar werkelijke leiding naar Malta was verplaatst. Het arrest van die datum met rolnr. 20/01414 verwijst naar het arrest van die datum met rolnr. 20/03826, [14] dat hieronder in 5.3 t/m 5.7 geciteerd en besproken zal worden. De lijn in deze rechtspraak is dat de anti-ontgaansbepalingen in het verdrag met Malta effectief blijken.
BNB2015/126 [15] betrof de inmiddels vervangen Maltese
flat rate foreign tax credit(FRFTC) die niet-Maltese inkomsten niet naar de reguliere 35%, maar naar 18,75% belastte (zonder kostenaftrek), gecombineerd met de ITMA, die op verzoek van niet-Maltese aandeelhouders voorzag in teruggaaf van 2/3e van die 18,75 punten aan die aandeelhouders. De zaak betrof drie naar Nederlands recht opgerichte en naar Malta verplaatste en daar geleide BVs met één aandeelhouder die in Zwitserland woonde. De BVs hadden hun winst aan hun aandeelhouder uitgekeerd, die twee derde van de Maltese ITA op die winst had teruggekregen. Nederland hief zowel vennootschapsbelasting over de winst van als dividendbelasting over de dividenduitkeringen door de verplaatste BVs. De vraag was of de FRFTC / ITMA-combinatie in wezen gelijk was aan het voorafgaande begunstigende MIBAA-regime, in welk geval de belanghebbenden door art. 30 NL Pro-MT uitgesloten zouden zijn van de verdragsvoordelen. U overwoog:
remittancebepaling in art. 2(5) NL-MT niet van toepassing geacht op de Zwitserse vermogenswinsten, hoewel ze niet zijn overgemaakt naar Malta. In een recent vergelijkbaar geval over Zwitserse
rentegenoten door een naar Malta verplaatste BV die evenmin die rente had overgemaakt naar Malta, werd die belanghebbende wél getroffen door art. 2(5) NL-MT. U overwoog in die zaak op 1 juli 2022 als volgt: [16]
non-remittance, maar onderdeel is van het Maltese belastingregime voor niet-Maltese vermogenswinsten, overgemaakt of niet. Onderdeel 7.18 van de bedoelde conclusie waarnaar het Hof verwijst, luidt als volgt:
income] niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten/
incomenaar [Malta] zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen’. Dat betekent mijns inziens dat de niet-belasting in Malta een gevolg moet zijn van de niet-overmaking. Art. 2(5) is geen algemene
saving clauseof
claw backdie aangrijpt in elk geval waarin de
winner Stategeen gebruik maakt van het hem toegewezen heffingsrecht, maar grijpt alleen aan als de niet-belasting een gevolg is van wetgeving die
non-remitted incomeonbelast laat. De belanghebbende betoogt (5.2.11 cassatieberoepschrift) dat niet-Maltese vermogenswinsten in Malta zijn vrijgesteld, ongeacht
remittance. Als dat zo is, is de niet-belasting in Malta ter zake van vermogenswinsten geen gevolg van diens
remittance base regime, maar van andere Maltese wetgeving, die art. 2(5) Verdrag niet activeert.”
income taxaan haar niet-Maltese aandeelhouder. Dat regime kan echter niet zien op haar niet-Maltese vermogenswinsten, die immers vrijgesteld zijn van
income tax, die dus evenmin kan worden teruggegeven aan haar aandeelhouder. Het Maltese bijzondere regime van heffing en teruggaaf van winstbelasting heeft geen betekenis voor niet-Maltese vermogenswinsten, die hoe dan ook vrijgesteld zijn van
income tax. Hoewel inderdaad moeilijk te doorgronden, is dit denkelijk de strekking van middel (iv), dat ’s Hofs toepassing van art. 30 NL Pro-MT aanmerkt als denaturering van die bepaling tot ‘vangnet’ waarvoor die bepaling niet is bedoeld.
BNB2015/126, c.q. het thans aan de orde gestelde ITA / ITMA-regime. Als de achtergrond van invoering van art. 30(1) NL-MT is dat de Nederlandse verdragssluiter een Maltese heffing van rond de 5% al te laag vond om af te zien van enige Nederlandse heffingsbevoegdheid, dan is geen enkele Maltese heffing over die niet-Maltese vermogenswinsten voor die verdragssluiter kennelijk te minder aanvaardbaar.
ring fencingvan de Maltese territoriale belastinggrondslag.
treaty shoppingdoor
non-remittancein de zin van art. 2(5) NL-MT geconstateerd kan worden.
junctoart. 15e Wet Vpb. Het precedent HR
BNB2015/126 (zie 5.2 hierboven) kan niet zonder meer worden toegepast omdat Malta zijn regime voor doorstromers sindsdien heeft gewijzigd door formeel zo weinig mogelijk verschillen met de reguliere Maltese belastingheffing te laten bestaan. Het gaat er om of de combinatie van art. 4(1)(ii) ITA en de ITMA materieel leidt tot een regeling die in wezen gelijksoortig is aan de Maltese MIBAA die ten tijde van het wijzigingsprotocol (zei 4.6 t/m 4.10 hierboven) in aangewezen als ‘bijzondere regeling’ die toegang tot de verdragsvoordelen verspert.
middel (iv)vergeefs wordt voorgesteld.
non-remittedvermogenswinsten. Anders dan de belanghebbende betoogt, meen ik dat voor de toepassing van art. 30 NL Pro-MT niet relevant is of Malta al dan niet een vermogenswinstbelasting had vóór de invoering van die bepaling, noch of Nederland zich daarvan bewust was toen hij het Verdrag met Malta sloot. Uit de tekst en context van art. 30 NL Pro-MT volgt dat slechts relevant is of Malta vanaf de invoering van die bepaling al dan niet een MIBAA-achtig begunstigend regime toepast. Dat heeft het Hof niet miskend. De conclusie voor HR
BNB2015/126 vermeldt over de beoordeling van de gelijksoortigheid van het voorafgaande FRFTC / ITMA-regime en de MIBAA het volgende:
BNB2015/126 (zie 5.2 hierboven) acht ik middel (i) ongegrond.
non-domiciledvennootschappen voor 6/7e vrij van de reguliere 35% winstbelasting waar het Maltese aandeelhouders en hun vennootschappen belast voor in totaal 38,25%.
middel (iii)op dat het ziet op de Zwitserse vermogenswinsten en op alle drie de geschiljaren. Volgens de belanghebbende schendt Nederlandse heffing over die vermogenswinsten de EU-verkeersvrijheden. Uit HR
BNB2015/126 (zie 5.2 hierboven) volgt dat voor een naar Nederlands intern recht onbeperkt belastingplichtige ook voordelen uit een bron buiten Nederland of Malta in de Nederlandse winst vallen behalve voor zover zij zijn overgemaakt naar Malta of aldaar zijn ontvangen. De belanghebbende acht dat – zo begrijp ik – horizontale discriminatie omdat Nederland aldus bij verdrag verschillende buitenlandsituaties verschillend behandelt. De belanghebbende wordt echter niet anders behandeld dan andere al dan niet slechts op grond van hun rechtsvorm binnenlands belastbare rechtspersonen die al dan niet hun zetel verplaatsen. Volgens HvJ
Van Hilten-Van der Heijden [21] schuilt in een
tracing taxten laste van eigen onderdanen geen door het Unierecht verboden discriminatie. Dat een andere lidstaat mogelijk eveneens (nondiscriminatoir) heft, is geen discriminatie door een van beide Staten, maar een dispariteit tussen nationale stelsels waartegen de EU-Verdragsvrijheden geen bescherming bieden, aldus onder meer HvJ
Kerckhaert-Morres. [22] Aan bilaterale belastingverdragen, die onderhandelingsresultaat zijn van onderhandeling tuissen twee jurisdicties met elk een autonoom belastingstelsel, is verder inherent dat verschillen kunnen ontstaan tussen verschillende buitenlandsituaties waarin verschillende bilaterale verdragen gelden, aldus het HvJ EU in de zaak
D. v Inspecteur: [23]
7.Middel (v): niet-verschoning van de zetel
Voorzitterdeelt mee dat vorige week bij een driedaagse conferentie van het belastingteam van het gerechtshof een presentatie is gegeven door de coördinatiegroep constructiebestrijding van de Belastingdienst en dat de thans aanwezige [G] daarbij een van de sprekers was. De Voorzitter deelt mee dat de zetel geen reden ziet om zich te verschonen, maar wel vindt dat de gemachtigde hierover geïnformeerd moet worden.
gemachtigdeverklaart dat hij het niet gepast vindt dat de leden van de zetel aanwezig waren bij een presentatie van een procespartij die betrokken is bij een lopende procedure bij liet Hof en dat hij even wil nadenken of dit voor hem reden is om een verzoek tot wraking in te dienen. De gemachtigde verklaart na enig beraad dat hij alles overziend en afwegend geen reden ziet voor een wrakingsverzoek.”
BNB2006/96 [24] volgt dat ook als een rechter in een eerdere instantie niet is gewraakt, diens onpartijdigheid wel degelijk nog ten toets kan komen in een volgende instantie. Als er serieuze aanwijzingen zijn dat de rechter in een vorige instantie niet onpartijdig was, moet de volgende instantie mijns inziens zo nodig van ambtswege ingrijpen. Bij de beoordeling van een klacht over (objectieve schijn van) partijdigheid van de rechter is volgens HR
BNB2006/96 uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing zijn dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Middel (v) verwijt het Hof dat hij zich niet verschoond heeft hoewel hij voor een driedaagse conferentie van zijn belastingsector externe sprekers had uitgenodigd, onder wie een of meer ambtenaren van de Coördinatiegroep constructiebestrijding van de fiscus, van wie er één als spreker optrad op die conferentie en die ter zitting van het Hof in belanghebbendes zaak bleek te verschijnen tot bijstand van de Inspecteur.
junctode ITMA. De belanghebbende stelt dat de voorzitter ter zitting meldde dat tijdens de conferentie ook ‘de Malta-casuïstiek ter sprake is gekomen,’ maar (i) het proces-verbaal is de enige kenbron van hetgeen is voorgevallen ter zitting en (ii) zij stelt niet dat met ‘de Malta-casuïstiek’ bedoeld zou zijn haar geval of een geval als het hare, of specifiek de uitleg van art. 2(5) en art. 30 NL Pro-MT in het licht van het regime van art. 4(1)(ii) ITA
junctode ITMA. Ik meen dat als een rechter een PAO-cursus bijwoont over art. 10a Wet Vpb waar diverse winstdrainagestructuren worden belicht door zowel belastingadviseurs als belastingambtenaren als wetenschappelijk personeel, dat er niet aan in de weg staat dat die rechter een week of enige weken later een zaak over rente-aftrek op zitting behandelt waar één van die PAO-sprekers aanwezig is tot bijstand van een van de (gemachtigden van de) partijen, zonder het woord te voeren. De door de belanghebbende gestelde opmerking ter zitting van een van de raadsheren inhoudende dat het Hof informatie kan filteren, waarvan evenmin uit het proces-verbaal blijkt, kan mijns inziens, indien gemaakt, redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat rechters alle informatie op alle congressen die zij bijwonen beoordelen mede in het licht van de professionele achtergrond van de informanten. Het lijkt mij een kerncompetentie van een rechter om feitelijke en juridische stellingen en onderbouwingen te ‘filteren’ mede in het licht van de functie of hoedanigheid van de personen die die stellingen innemen of onderbouwen. Dat verklaart uw uitgangspunt in HR
BNB2006/96 dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.