In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'fout' in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het kader van navordering van inkomstenbelasting over 2007.
Belanghebbende werd geconfronteerd met een boekenonderzoek over de jaren 2005 tot en met 2007, waarbij de controlerend ambtenaar naliet het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te registreren. Dit leidde ertoe dat de primitieve aanslag en de eerste navorderingsaanslag geen rekening hielden met de bevindingen uit het boekenonderzoek. Later werd een tweede navorderingsaanslag opgelegd op basis van deze bevindingen.
Het Hof oordeelde dat het nalaten van registratie van het boekenonderzoek een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur was en derhalve geen fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR die navordering rechtvaardigt. De Hoge Raad stelde echter dat het begrip 'fout' neutraal en ruim moet worden uitgelegd en ook het nalaten van registratie als een fout moet worden aangemerkt die navordering rechtvaardigt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het oordeel van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, waarbij het arrest de uitleg van het begrip 'fout' in de AWR verduidelijkt en de voorwaarden voor navordering bevestigt.