Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de vader van de man woonde vanaf de scheiding in 1990 weer in Spanje, ook tijdens het opstellen van het testament.De vader van de man werkte tijdens het huwelijk in Nederland als expat voor een Spaanse werkgever, hij was niet ingeburgerd in Nederland en hoefde dat ook niet.
Ook blijkt uit het testament dat de vader van de man belang toekende aan het hebben van zijn geslachtsnaam en de Spaanse nationaliteit.De nalatenschap van de vader van de man wordt beheerst door het Spaanse erfrecht. Dat recht kent geen uitsluitingsclausule. Gelet op deze omstandigheden onderbouwt de man voldoende dat zijn vader tijdens het opmaken van zijn testament niet op de hoogte was of redelijkerwijs behoorde te zijn van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en erfrecht, ook al was hij gehuwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit met wie hij in Nederland heeft gewoond en geleefd.
De rechtbank volgt daarom de stelling van de man dat zijn vader in zijn testament heeft aangegeven wie zijn erfgenamen zijn, met – zoals gebruikelijk in Spanje – uitsluiting van alle anderen.In het onderhavige geval is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de erfrechtelijke verkrijging van de man in de huwelijksgemeenschap valt. Dit leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 88.259,13 privévermogen van de man betreft en dat hij ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap, in die zin dat voormeld bedrag in mindering strekt op de overwaarde van de woningen.’ (mijn cursiveringen, A-G)
Onderdeel 1-IVklaagt over de vaststelling van het hof dat de vader van de man vanaf 1965 ruim 30 jaar in Nederland heeft gewoond. Het onderdeel wijst er onder meer op dat de erflater vanaf 1990 weer in Spanje heeft gewoond.
Onderdeel I-Vbevat een veegklacht.