Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
24 juni 2016.
Hoge Raad
Partijen zijn in 1974 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij echtscheiding in 2013 ontstond discussie over de ontslagvergoeding van de man, die was ingebracht in een stamrecht-BV. De man stelde dat de aanspraak op periodieke uitkeringen uit deze BV verknocht was aan hem en dus niet tot de huwelijksgemeenschap behoorde.
De rechtbank volgde dit standpunt, maar het hof oordeelde dat de uitkeringen die na ontbinding van de gemeenschap worden gedaan verknocht zijn, terwijl uitkeringen voor ontbinding wel tot de gemeenschap behoren. Het hof stelde dat de man nog geen uitkeringen had ontvangen en dat de waarde van de aandelen nihil was.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest omdat het hof onvoldoende had onderzocht in hoeverre de aanspraak ziet op perioden voor en na ontbinding van de gemeenschap. De Hoge Raad benadrukte dat het niet relevant is of de aanspraak al is verzilverd, maar dat de strekking van de aanspraak bepalend is voor de verknochtheid.
De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak voor nadere behandeling naar het gerechtshof Amsterdam.