Conclusie
Re-integratieverloop
Arbeidsbelasting en knelpunten
2.Bespreking van het cassatieberoep
eerste onderdeelvalt in twee subonderdelen uiteen.
Subonderdeel 1.1stelt dat de feitenweergave in rov. 3.1-3.19 onvolledig en daarmee onbegrijpelijk is. Daartoe wordt betoogd dat het hof de volgende zeventien feiten en omstandigheden niet in die overwegingen heeft vermeld en daardoor niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken:
Mogelijkheden tot re-integratie in ander passend werk bij de eigen werkgever
de werkgerelateerde problematiek eerst op te lossen.
conflict.Desgevraagd heeft [eiser] tijdens dat gesprek al aangegeven dat hij - zoals afgesproken - wilde re-integreren in zijn eigen functie en dat hij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld, maar nog slechts e-mails had mogen lezen.
subonderdeel 1.1af.
bemiddeling/mediationin te schakelen structureel te negeren. Dit heeft ertoe geleid dat re-integratie op het 1e spoor onhaalbaar is geworden. Daarmee is gegeven dat ROCvA ernstig verwijtbaar tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Verder heeft ROCvA zich niet ten volle ingespannen om [eiser] te laten re-integreren in zijn eigen werk(omgeving) en daarmee opzettelijk in strijd met het advies van de arbeidsdeskundige van 29 oktober 2012 gehandeld. ROCvA heeft van meet af aan op beëindiging van de arbeidsrelatie aangestuurd.
subonderdeel 1.2 acht ik ongegrond. In de kern betoogt dit subonderdeel dat het hof voorbij is gegaan aan de stellingen (1) dat ROCvA de adviezen van de bedrijfsarts over bemiddeling/mediation heeft veronachtzaamd, (2) dat ROCvA zich onvoldoende heeft ingespannen voor re-integratie van [eiser] in eigen werk(omgeving) en (3) dat ROCvA heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsrelatie. Volgens mij heeft het hof die stellingen niet miskend, maar zijn deze stellingen door het hof verworpen:
eerste onderdeelop deze gronden.
tweede onderdeelis een rechtsklacht over rov. 5.9 en 5.16 en bestaat uit subonderdelen 2.1-2.4.
subonderdeel 2.1wordt naar voren gebracht dat uit de Wet verbetering poortwachter, de UWV Werkwijzer Poortwachter (volgens het onderdeel beide recht in de zin van art. 79 RO Pro [37] ) en de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten, waarnaar de UWV Werkwijzer Poortwachter voor nadere toepassing verwijst, volgt dat:
subonderdeel 2.2had het hof ambtshalve rechtsgronden moeten aanvullen door het optreden van ROCvA aan de in subonderdeel 2.1 genoemde en geciteerde regelgeving te toetsen. [eiser] heeft immers gemotiveerd betoogd dat ROCvA tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen [39] . Bij s.t. onder 3.3-3.4 heeft [eiser] hieraan toegevoegd dat de STECR Werkwijzer tot de professionele standaard voor bedrijfs- en verzekeringsartsen behoort; hierbij wordt verwezen naar de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Stcr 2002/236 en Stcrt 2006/224).
subonderdelen 2.1 en 2.2lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Daarbij is van belang dat (kort gezegd en voor zover hier relevant) als recht in de zin van art. 79 RO Pro kwalificeren: de Nederlandse wet- en regelgeving (zowel wetten in formele zin als andere algemeen verbindende voorschriften) [40] en naar behoren bekend gemaakte beleidsregels van bestuursorganen, die zich naar hun inhoud en strekking ervoor lenen om als rechtsregels te worden toegepast [41] . Voor de verzuim- en re-integratieaanpak gaat het om de Wet verbetering poortwachter [42] (waarbij onder meer art. 7:658a en 7:660a BW zijn ingevoerd), de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar [43] en de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter met bijlage [44] [45] .
subonderdelen 2.1 en 2.2falen.
subonderdelen 2.3-2.4opgekomen tegen de oordelen (i) dat in het bericht van de bedrijfsarts van 4 december 2012 geen advies tot het inschakelen van bemiddeling viel te lezen, (ii) dat ROCvA tijdig heeft gehandeld naar de adviezen van de bedrijfsarts door in maart 2014 een mediationtraject te faciliteren en (iii) dat ROCvA haar re-integratieverplichting ook overigens niet heeft verzaakt. In subonderdeel 2.4 wordt betoogd dat ROCvA rechtens de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige(n) had moeten opvolgen, bij gebreke waarvan ROCvA (indien zij geen deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd, hetgeen niet het geval is) geacht moet worden haar re-integratieverplichting te hebben verzaakt.
tweede onderdeel.
derde onderdeelbevat alleen de voortbouwende klacht dat het voorgaande ook rov. 5.1 t/m 5.8, 5.10 t/m 5.12, 5.14, 5.15, 5.17 t/m 5.22, 6 en het dictum raakt. Die klacht mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de hiervoor besproken klachten.