Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
pro seals in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de toen nog minderjarige [eiser 2] , [verweerster] – voor zover in cassatie van belang – in haar hoedanigheid van curator gedagvaard voor de rechtbank Den Haag.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1Ais gericht tegen rov. 6.22, waarin het hof heeft verwezen naar de bijsluiter van het medicijn Concerta, die [verweerster] heeft overgelegd als productie 1 bij haar memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Volgens het onderdeel is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de stelling van [verweerster] te behandelen dat – kort gezegd – uit de bijsluiter niet volgt dat het staken van het medicijn leidt tot gewelddadig gedrag. Het onderdeel betoogt dat het gaat om een nieuwe grief die is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat door het staken van het gebruik van Concerta het gewelddadig gedrag is veroorzaakt of beïnvloed. Deze grief had op grond van de tweeconclusieregel in de memorie van grieven aangevoerd moeten worden. Daarnaast zag het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep op de verjaring en gaf het geenszins aanleiding voor [verweerster] om met voornoemde stelling te reageren. Ook om die reden had het hof deze stelling buiten beschouwing moeten laten. Het onderdeel stelt voorts dat geen sprake was van aanvaarding van de rechtsstrijd door [eisers] aangezien de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep het laatste processtuk was en naar vaste jurisprudentie van een procespartij niet mag worden verlangd dat deze een akte neemt of pleidooi verzoekt uitsluitend om bij memorie van antwoord aangevoerde feiten te bestrijden. Het hof had op grond van de jurisprudentie bovendien niet mogen uitgaan van de juistheid van de stelling van [verweerster] , althans [eisers] in de gelegenheid moeten stellen om op de stelling en de inhoud van de bijsluiter te reageren. Het onderdeel betoogt dat sprake is van een essentiële stelling: indien de stelling niet was toegelaten of indien [eisers] in de gelegenheid waren gesteld daarop te reageren, was er een reële kans dat het hof tot een andere beslissing was gekomen. Bovendien speelt deze stelling een dragende, althans belangrijke rol in de overweging van het hof dat het risico op mishandeling van [eiser 2] naar het oordeel van het hof niet voorzienbaar was voor [verweerster] , aldus het onderdeel.
hem rustig te houden in zijn hoofd.
Onderdeel 2Aricht een motiveringsklacht tegen rov. 6.22 waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] onweersproken heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] vóór de mishandeling geen intensieve begeleiding in het dagelijks leven kreeg, zelfstandig naar school en stage ging, met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging. Het onderdeel betoogt dat [eisers] een en ander gemotiveerd hebben weersproken met de stellingen die in het onderdeel worden opgesomd. Voor zover het hof van mening zou zijn dat deze stellingen een onvoldoende betwisting inhouden, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [verweerster] , aldus het onderdeel.
Onderdeel 2Bstelt dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van [eisers] dat [betrokkene 1] nog nooit alleen op vakantie was geweest, maar altijd met iemand anders.
Onderdeel 2Cklaagt dat de overweging van het hof dat de vader van [betrokkene 1] hem ook in staat achtte om zelfstandig in Griekenland te blijven, onbegrijpelijk is.
Onderdeel 3Abetoogt dat, gelet op hetgeen in de voorgaande onderdelen is aangevoerd, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn de conclusies van het hof in o.a. rov. 6.21 en 6.22 dat het risico op de mishandeling van [eiser 2] in het geval dat [betrokkene 1] zonder toezicht in Griekenland zou achterblijven, onvoorzienbaar of onvermijdbaar was en dat [verweerster] de zorg heeft betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Het onderdeel verwijst hierbij naar verschillende stellingen van [eisers]
Onderdeel 3Cbetoogt dat het hof op grond van art. 25 Rv Pro jo. art. 10:2 BW Pro ambtshalve aandacht had moeten besteden aan deze Griekse uitspraak.
onderdeel 3Bvoortbouwt op de vorige onderdelen, behoeft het geen behandeling. Voor zover het onderdeel klaagt over verdeling van de bewijslast, merk ik het volgende op. In art. 10:3 BW Pro is bepaald dat het Nederlandse recht van toepassing is op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter. Art. 1 lid 3 Rome Pro II-Verordening bepaalt dat deze verordening niet van toepassing is op de bewijsvoering en de rechtspleging, onverminderd art. 21 en Pro 22. In art. 22 lid 1 Rome Pro II-Verordening is het volgende bepaald:
“Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided. (...)”. (…)’
lex causae). Art. 22 ziet Pro op materiële kwesties van bewijsrecht, waaronder de bewijslastverdeling, en heeft geen betrekking op kwesties met betrekking tot de formele aspecten van het bewijsrecht, zoals de toelaatbaarheid van bewijs en de bewijswaardering. [23] Deze aspecten zijn ingevolge art. 10:3 BW Pro onderworpen aan Nederlands recht als het recht van de aangezochte rechter (
lex fori). [24]
lex fori. Op grond van art. 152 lid 2 Rv Pro is de waardering van bewijs aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Dit voorschrift houdt in dat de rechter vrij is om naar eigen inzicht te bepalen welke bewijskracht aan een bepaald bewijsmiddel moet worden toegekend en te beslissen wanneer het bewijs is geleverd. [26] De bewijswaardering is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. [27] Hoewel in algemene zin geldt dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang [28] , behoeft de rechter niet te motiveren waarom hij meer waarde hecht aan het ene bewijsmiddel dan aan het andere bewijsmiddel. [29] De klacht faalt daarom.
2.
Onderdeel 5Aklaagt, kort samengevat, dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [verweerster] de mishandeling van [eiser 2] feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [betrokkene 1] in Griekenland zou zijn gebleven.
Onderdeel 6Astelt dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof rekening houdt met het ‘overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht’ nu het hof Grieks recht moet toepassen. Volgens het onderdeel is slechts beslissend of sprake is van ‘supervision (…) of a person under judicial assistance’, welke vraag door het hof bevestigend is beantwoord in rov. 6.19. Vervolgens is slechts relevant of aan de ‘tenzij-bepaling’ van art. 923 Grieks Pro BW is voldaan, waarbij het Nederlandse recht verder geen rol speelt. Het onderdeel klaagt dat eveneens onjuist of onbegrijpelijk zijn de voortbouwende conclusies van het hof dat [verweerster] niet gehouden was tot het persoonlijk uitoefenen van permanent toezicht op [betrokkene 1] en dat zij geen verplichting had hem te dwingen terug te keren naar het buitenland, nu het hof zich hierbij op het Nederlandse recht baseert.
Strandhotel-arrest. [31] Vervolgens heeft het hof in rov. 10 van het tussenarrest een belangenafweging ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring dient te worden toegewezen. Het hof heeft immers geoordeeld dat [verweerster] er belang bij heeft om, met behoud van de bestaande toestand, de toetsing in hoger beroep van de door de rechtbank aangenomen aansprakelijkheid naar Grieks recht af te wachten, welk belang zwaarder weegt dan het belang van [eiseres 1] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing. Anders dan het onderdeel betoogt, is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en is zijn oordeel evenmin onbegrijpelijk. De klacht van onderdeel 9 stuit hierop af.