Conclusie
1.Inhoudsopgave
2.Het cassatieberoep
5.Het eerste middel – Rechtmatigheid kroongetuigenovereenkomsten
6.Het tweede middel – Betrouwbaarheid verklaringen kroongetuigen
7.Het derde middel – De belastende verklaringen van [zus 1] en [zus 2]
8.Het vierde middel – De belastende verklaringen van [ex-vriendin]
Het vijfde middel – Uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag op [slachtoffer 2]
Het zesde middel – Uitlokking van de moord op [slachtoffer 3] en de zware mishandeling van [slachtoffer 4]
11.Het zevende middel – Levenslange gevangenisstraf
12.Ambtshalve opmerking redelijke termijn in cassatie
13.Eindconclusie
2.Het cassatieberoep
3.De zaak
4.Leeswijzer
5.Het eerste middel – Rechtmatigheid kroongetuigenovereenkomsten
waaromde verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. Zo blijkt uit het middel niet over welke “andere toezeggingen”, wordt geklaagd. Uit de hiervoor onder 5.3 geciteerde overwegingen van het hof komt naar voren dat in hoger beroep verschillende “andere toezeggingen” aan de orde zijn geweest: het afzien van het indienen van een ontnemingsvordering tegen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , het geven van verkapte financiële beloningen in het kader van getuigenbeschermingsmaatregelen, het geven van verkapte immuniteit en het geven van verkapte toezeggingen van strafvermindering boven het wettelijk maximum.
single hierarchyomdat:
verklaringsovereenkomst, maar wel op het oordeel dat betrekking heeft op de
getuigenbeschermingsovereenkomst, die volgens het hof geen onderdeel uitmaakt van de in art. 226g lid 1 en 4 Sv bedoelde afspraken met die getuige. Dit brengt volgens de steller van het middel met zich dat wat de getuigenbeschermingsovereenkomst betreft:
allevoordelen die van invloed kunnen zijn geweest op de bereidheid van de getuige een verklaring af te leggen, dus ook de voordelen die in een getuigenbeschermingsmaatregel zijn vastgelegd, door de rechter in zijn toetsing dienen te worden betrokken. [34]
single hierarchyvan de Slovaakse vervolgende instantie.
hitman’ naar het slachtoffer zou hebben gereden. Aanvankelijk werd Adamčo hiervan vrijgesproken, maar in hoger beroep werd hij veroordeeld op basis van een verklaring van getuige M., die beweerde dat hij de chauffeur was geweest en Adamčo de ‘
hitman’. In beroep had de verdediging onder meer gesteld dat getuige M. niet geloofwaardig was omdat hij Adamčo had belast in ruil voor de belofte van de Slovaakse openbare aanklager dat hij niet zou worden vervolgd in verband met zijn betrokkenheid bij een andere moord, op O.
under the authority of the prosecution service and that the prosecution service is organised in Slovakia as a single hierarchy”. Wat dit betekent voor de toetsing aan art. 6 EVRM Pro wordt in de navolgende passages van het arrest van het EHRM duidelijk:
that all the decisions concerning the prosecution of M. were taken under the sole responsibility of the prosecution service with no element of any judicial control” de doorslag heeft gegeven voor het vaststellen van een schending van art. 6 EVRM Pro. In mijn ogen moet hetgeen het EHRM heeft vastgesteld in het kader van de
single hierarchypositie van de Slovaakse vervolgende autoriteiten dan ook in deze context worden bezien, namelijk dat zij zonder enige rechterlijke controle zelfstandig bevoegd waren de toezeggingen aan de getuige M. te doen in ruil voor verklaringen.
beschermingvan de kroongetuige, kenmerken vertoont van een
single hierarchy, omdat deze afspraken in de Nederlandse regeling buiten de rechterlijke toetsing vallen en behoren tot het domein van het openbaar ministerie, kan ik op zichzelf wel volgen. Maar ik denk dat dat nog niet betekent dat de gevolgde procedure in strijd is met art. 6 EVRM Pro. Ik kan dat in ieder geval uit de hiervoor geciteerde overwegingen van het EHRM in de Adamčo-zaak niet afleiden. Dat in de zaak Adamčo de openbare aanklager als een
single hierarchyfunctioneerde is weliswaar een aspect waarmee het EHRM rekening heeft gehouden, maar doorslaggevend was dat aan de getuige M. strafrechtelijke immuniteit voor zijn eigen betrokkenheid bij een moord was verleend zonder dat de betrokken rechters in de strafzaak tegen Adamčo dit gegeven op enige wijze bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van diens verklaringen leken te hebben betrokken.
single hierarchy. In Nederland is de kroongetuigenregeling wettelijk vastgelegd en is er ook bepaald welke toezeggingen wel en niet mogen worden gedaan. De toezeggingen over strafvermindering worden vastgelegd in een wettelijk geregelde verklaringsovereenkomst die aan het strafdossier wordt toegevoegd en die door de rechter wordt getoetst. [37] Ook toezeggingen met betrekking tot het afzien van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moeten aan de rechter kenbaar worden gemaakt. [38] Daar komt bij dat art. 344a lid 4 Sv eist dat de rechter verklaringen van kroongetuigen met de nodige behoedzaamheid tegemoet dient te treden, vergelijkbaar met verklaringen afkomstig uit anonieme bron waar art. 344a Sv voor het overige op ziet. Verder legt art. 360 lid 2 Sv Pro de rechter een verscherpte motiveringsplicht op voor het geval de rechter het bewijs mede op een verklaring van een kroongetuige baseert.
single hierarchyzonder rechterlijke toetsing; en
formeelbeletsel opwerpt voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , onderschrijf ik dan ook.
6.Het tweede middel – Betrouwbaarheid verklaringen kroongetuigen
Dezelfde info een andere inhoud geven”. [65]
Tweede deelklacht – (On)betrouwbaarheid kroongetuigen algemeen
7.Het derde middel – De belastende verklaringen van [zus 1] en [zus 2]
8.Het vierde middel – De belastende verklaringen van [ex-vriendin]
Het vijfde middel – Uitlokking van de moord op [slachtoffer 1] en de doodslag op [slachtoffer 2]
de factovan de verdachte heeft gevergd dat hij zijn onschuld bewijst. Ingeval de overwegingen van het hof zo moeten worden gelezen dat het hof vergt dat het bewijs voor het alternatieve scenario zou moeten worden aangetroffen in de processtukken heeft het hof te strenge eisen gesteld. Van de verdediging kan slechts worden verwacht dat het alternatieve scenario aannemelijk wordt gemaakt, aldus nog steeds de steller van het middel.
bewijsbeschikbaar is waaruit volgt dat [betrokkene 1] de opdracht tot de moord heeft gegeven. Ik meen echter dat deze passage zo moet worden gelezen dat het hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat [betrokkene 1] de moord samen met [betrokkene 2] heeft uitgelokt
niet aannemelijk is geworden, zoals het hof verderop in het arrest onder paragraaf 6.6.9 met zoveel woorden overweegt:
Het zesde middel – Uitlokking van de moord op [slachtoffer 3] en de zware mishandeling van [slachtoffer 4]
duidelijkmoet zijn geweest, om te begrijpen wat er van hen werd verlangd. Ook gaat het hof ervan uit dat een geldbedrag aan de tussenpersoon of tussenpersonen en aan de uiteindelijke schutter zal zijn beloofd. Het hof heeft hierbij het bewijs betrokken dat het heeft gebruikt ten aanzien van andere moorden die de verdachte heeft uitgelokt. Ook uit dat bewijs volgt dat moorden tegen betaling werden gepleegd. Hierbij acht het hof van belang dat [betrokkene 19] na zijn terugkeer uit Thailand in november 2005 beschikte over een groot geldbedrag. Hoewel het hof niet kan vaststellen voor welke dienst [betrokkene 19] deze betalingen heeft ontvangen, heeft het wel vastgesteld dat hij zijn werkzaamheden tegen betaling verrichtte.
geen enkeldaadwerkelijk bewijsmiddel” kan worden afgeleid dat de verdachte de opdracht heeft gegeven tot de moord op [slachtoffer 3] . Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt – recapitulerend – dat de verdachte meerdere motieven had voor de moord, hij (kort) voor en na de moord tegen verschillende personen heeft verklaard dat hij verantwoordelijk is voor de moord, dat er een connectie bestaat tussen zowel medeverdachte [betrokkene 2] als de verdachte met degene die volgens de uiteindelijke schutter de opdracht tot de liquidatie heeft gegeven en dat degene die de moord heeft uitgevoerd een groot geldbedrag heeft ontvangen en zijn werkzaamheden tegen betaling verrichtte. Gezien deze door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden in combinatie met de overweging dat een geldbedrag via een tussenpersoon of tussenpersonen aan de uiteindelijke schutter zal zijn beloofd – welke overweging is gestoeld op het gebezigde bewijsmateriaal inzake de andere bewezen verklaarde uitgelokte moorden – meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte de moord en de zware mishandeling heeft uitgelokt niet onbegrijpelijk is noch ontoereikend is gemotiveerd.
bewijsheeft geëist dat het [betrokkene 1] en niet de verdachte is geweest die de opdracht tot de moord heeft gegeven. Aan het bewijs van het opdrachtgeverschap van de verdachte inzake de moord op [slachtoffer 3] worden dus ten onrechte minder zware eisen gesteld dan ten aanzien van het aannemen van het door de verdediging gevoerde verweer inzake de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de moord op [slachtoffer 1] . [172]
noch direct noch indirect bewijsaanwezig is dat [betrokkene 1] de opdrachtgever was. [173] Ten aanzien van de uitlokking van de moord op [slachtoffer 3] en zware mishandeling van [slachtoffer 4] heeft het hof uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte deze heeft uitgelokt en dus wederom geoordeeld dat
voldoende bewijsaanwezig is voor verdachtes daderschap. Hieruit volgt mijns inziens dat het hof steeds de juiste bewijsstandaard heeft gehanteerd.
11.Het zevende middel – Levenslange gevangenisstraf
van sufficient procedural guaranteeswaarmee de herbeoordelingsprocedure moet zijn omgeven. Gewezen kan ook worden op het feit dat de huidige Minister recent heeft gewezen op de (te) beperkte rechtswaarborgen waarmee de gratieprocedure is omgeven, wat mede de reden is geweest een alternatieve modaliteit van herbeoordeling voor te stellen. Dat maakt ook duidelijk dat aan de mogelijkheid van het inschakelen van de burgerlijke (dan wel penitentiaire) rechter voor een levenslanggestrafte bij een afwijzende beslissing omtrent re-integratieactiviteiten of afwijzende gratiebeslissing, zoals omschreven in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017 [182] en herhaald in de arresten van de Hoge Raad in het Passageproces [183] , in minder vergaande mate procedurele waarborgen te ontlenen zijn als waar de Hoge Raad van is uitgegaan. Gebleken is dat in concrete gevallen het veelvuldig inschakelen van de burgerlijke en/of penitentiaire rechter nodig is geweest en dit steeds moeizame en tijdrovende procedures zijn geweest, voordat deze enig effect hadden op (motivering van) de beslissingen van de Minister. [184]
sufficient degree of clarity and certainty. De beoordeling is niet gebaseerd op objectieve, vooraf vastgestelde criteria. Niet duidelijk is of de criteria waaraan het ACL dient te toetsen ter beoordeling van de vraag of de levenslanggestrafte in aanmerking komt voor re-integratieactiviteiten eveneens gelden voor de beoordeling van het voorstel van gratieverlening door de Minister. Het op basis van de Gratiewet geldende criterium of aannemelijk is geworden dat met de verdere tenuitvoerlegging van de straf in redelijkheid geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel wordt gediend, voldoet niet aan voornoemd vereiste, terwijl niet is voorgeschreven dat de Minister zijn beslissing omtrent gratieverlening motiveert. [185]