Uitspraak
1.Inleiding9
2.Getuigen19
3.Opnamen106
4.Achtergronden130
5.Aanslag Mieremet136
6.Moord Van Hout en aanslag Ter Haak146
7.Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1]167
8.Moord Mieremet208
9.Moord Houtman en moord Van der Bijl217
10.Criminele organisatie236
11.Eerlijkheid proces238
12.Bewezenverklaring en strafbaarheid245
13.Straf250
14.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel253
15.Beslissingen van het hof277
Verdachte werd op 13 december 2014 aangehouden omdat hij werd verdacht van de betrokkenheid bij de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl. Op 23 maart 2015 werd bekend dat de zussen van verdachte, Astrid en Sonja Holleeder, en ook een ex-partner van verdachte, Sandra den Hartog, verklaringen hadden afgelegd over de betrokkenheid van verdachte bij levensdelicten. Al deze omstandigheden bleken ingrediënten voor boeken, documentaires, een televisieserie en een theatervoorstelling en voor veel aandacht voor en meningen over de strafzaak tegen verdachte.
De strafzaak tegen verdachte is echter niet in de eerste plaats een strafzaak tegen een bekende Nederlandse crimineel. In deze strafzaak gaat het er in de eerste plaats om te achterhalen wie verantwoordelijk is voor de dood van Cor van Hout, de dood van Robert ter Haak, de dood van Willem Endstra, de aanslag op [benadeelde partij 1], de aanslag op en later de dood van John Mieremet, de dood van Kees Houtman en de dood van Thomas van der Bijl. Het gaat daarbij ook om hun kinderen, hun partners en andere naasten die hen moeten missen.
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank was dat ook van oordeel en heeft verdachte veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Ook voor verdachte is het belang van deze strafzaak groot.
Ook het onderzoek in hoger beroep heeft lang geduurd. Nadat verdachte hoger beroep had ingesteld, heeft er op 25 mei 2020 een zogenoemde regiezitting plaatsgevonden waarop gesproken is over de inrichting van het hoger beroep. Op 22 september 2020 kon de inhoudelijke behandeling beginnen. Deze inhoudelijke behandeling is afgerond op 21 januari 2022 met het laatste woord van verdachte. Bij het hof hebben ruim 40 zittingsdagen plaatsgevonden.
In de zaak tegen verdachte is een aantal feiten in drie juridische varianten aan hem ten laste gelegd. Verdachte wordt beschuldigd dat hij meerdere keren een moord heeft gepleegd of medegepleegd (lees: samen gepleegd) en daarnaast ook dat hij die moord samen met anderen heeft uitgelokt. In die eerste twee juridische varianten zou verdachte de moord zelf of samen met anderen hebben uitgevoerd, in de derde juridische variant zou hij samen met anderen de opdracht voor die moord hebben gegeven, terwijl die moord door weer anderen is uitgevoerd.
- het plegen of medeplegen van de moord op Houtman (zaak A onder 1);
- het plegen of medeplegen van de moord op Van der Bijl (zaak A onder 2);
- het plegen of medeplegen van de moord op Van Hout (zaak B onder 1);
- het plegen of medeplegen van de moord op Endstra (zaak B onder 3);
- het plegen of medeplegen van de moord op Mieremet (zaal C onder 1);
- het plegen of medeplegen van de poging tot moord op Mieremet (zaak C onder 2).
Deze beslissing heeft het gevolg dat de beslissingen van de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het zelf plegen en het medeplegen van de moorden en de poging daartoe, blijven staan. Het hoger beroep gaat alleen over de feiten die de rechtbank wel bewezen heeft verklaard.
Mieremet (zaaksdossier Boeddha)- Het medeplegen of alleen plegen van de uitlokking van de moord die op 2 november 2005 in Thailand is gepleegd op J. Mieremet. De uitlokking van die moord heeft volgens de tenlastelegging plaatsgevonden omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005 in (in elk geval) Nederland (Zaak C onder 1);
Dit heeft tot gevolg dat het hof zal toekomen aan de volgende vraag: heeft verdachte de feiten gepleegd die aan hem ten laste zijn gelegd?
- giften,
- geweld,
- bedreiging,
- misleiding, en
- het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen.
worden genoemd; en
Voor het bewijs van ‘opzet’ is voldoende als de uitlokker het zogenoemde ‘voorwaardelijk opzet’ had dat het strafbare feit werd gepleegd. Het ‘voorwaardelijk opzet’ op een bepaald gevolg – zoals bijvoorbeeld de dood van Ter Haak en het zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] – is aanwezig indien verdachte ‘bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard’ dat dit gevolg zal intreden. Bij deze beoordeling is van belang dat de uitlokker kiest voor een teruggetrokken positie en dat hij het uitvoeren van het strafbare feit overlaat aan anderen. Dat kan betekenen dat de uitlokker daarmee bewust ervoor kiest dat hij de uitvoering niet in de hand heeft en dat de uitgelokte het strafbare feit naar eigen inzicht uitvoert en daarbij acties onderneemt.
Dat iemand een reden heeft om een ander om het leven te brengen, draagt op zichzelf niet bij aan het bewijs dat diegene de ander daadwerkelijk om het leven heeft gebracht. Er zijn immers personen die een reden hebben om een ander om het leven te brengen, zonder dat zij daartoe daadwerkelijk actie ondernemen. Tegelijk is het zo dat bewezen kan worden dat iemand een ander om het leven heeft gebracht, zonder dat duidelijk is geworden wat daar de reden voor was. Dat relativeert de betekenis dat er een motief komt vast te staan voor de beoordeling in een strafzaak.
‘die gaat eraan’of
‘hij gaat liggen’. Bij dergelijke uitlatingen kan het hof er niet zomaar van uitgaan dat het slechts gaat om een loze bedreiging of een theoretisch motief, maar zal het hof ook moeten onderzoeken of dit moet worden opgevat als een serieuze aankondiging van een moord.
In het dossier komen getuigen voor die vertellen over wat zij met verdachte hebben meegemaakt en over zijn motieven. Onderzoek naar die motieven kan ook dan bijdragen aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen.
- nodig is om de beslissingen te begrijpen;
- (op grond van de wet) vereist is bij het gebruik van een bepaald bewijsmiddel;
- (op grond van de wet) vereist is omdat het openbaar ministerie en de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren hebben gebracht of de verdediging een verweer heeft gevoerd.
‘randnummers’te noemen uit het eerdere requisitoir of pleidooi. De voorzitter heeft deze voorwaarde op de zitting van 24 november 2021 herhaald voordat het openbaar ministerie begon aan het requisitoir.
De verdediging heeft in het pleidooi in hoger beroep vaak verwezen naar standpunten die bij de rechtbank in het pleidooi en de latere reactie naar voren zijn gebracht. Het hof heeft daar steeds kennis van genomen. Het hof acht zich verplicht om op een standpunt in te gaan voor zover dat in het pleidooi, zoals dat in hoger beroep is voorgedragen, is samengevat en duidelijk is welk standpunt naar voren wordt gebracht of welk verweer wordt gevoerd.
In dit arrest zal eerst worden ingegaan op de betrouwbaarheid van een aantal getuigen en de bruikbaarheid van hun verklaringen voor het bewijs. Ook zullen eerst verschillende ontwikkelingen en verhoudingen die op de achtergrond een rol hebben gespeeld worden besproken, voordat het hof ingaat op de verschillende strafbare feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Het hof zal in de motivering vaak in voetnoten verwijzen naar de vindplaats in het dossier van de feiten en omstandigheden die in de motivering een rol spelen. Als het gaat om een verwijzing naar een dossierstuk dat ook als bewijsmiddel in bijlage 4 is opgenomen, wordt niet in alle gevallen verwezen naar het precieze digitale paginanummer in dat dossierstuk. De relevante tekst uit dat dossierstuk is immers terug te vinden in de bijlage. Als het gaat om een verwijzing naar een dossierstuk dat niet als bewijsmiddel in de bijlage is opgenomen, zal het hof in elk geval het specifieke digitale paginanummer in de voetnoot noemen.
Een deel van het dossier is alleen digitaal beschikbaar in het computerprogramma Zysearch. Voor zover in voetnoten wordt verwezen naar een document uit Zysearch, zal er worden verwezen naar de digitale pagina van het pdf-bestand dat uit Zysearch is gehaald. Het hof zal – mocht tegen dit arrest beroep in cassatie worden ingesteld – zorgdragen voor een gegevensdrager waarop de digitale bestanden uit Zysearch staan waar in dit arrest naar wordt verwezen.
In het arrest zal ook worden verwezen naar opnamen van gesprekken tussen (onder meer) verdachte en Astrid Holleeder én verdachte en Sonja Holleeder. Een deel van deze opnamen is op de zitting beluisterd. Het hof zal in de motivering vaak verwijzen naar een nummer van de opname. Dat nummer komt overeen met de nummering van het
‘Schematisch overzicht door A.A. Holleeder verstrekte opnames’, dat op 26 mei 2021 per e-mail aan het openbaar ministerie en de verdediging is toegestuurd. In dit overzicht staan per opname de vindplaatsen in het dossier.
2.Getuigen
‘De ontvoering van Alfred Heineken’en van de film die daarvan is gemaakt. Ook beschikte Astrid Holleeder over contant geld van verdachte dat zij voor verdachte zou bewaren. Astrid Holleeder heeft meerdere boeken geschreven over verdachte die op grote schaal zijn verkocht en ook tot een televisieserie en een theaterstuk hebben geleid. De getuigen hoefden dit geld niet met verdachte te delen en konden daarvan profiteren als verdachte voor lange tijd in de gevangenis zou belanden.
Het hof zal hieronder ingaan op de vraag of deze belangen aannemelijk zijn geworden.
eraan moesten gaan’ en zij vreesde dat dat zou gaan gebeuren zodra hij weer de beschikking over voldoende macht en geld zou hebben. Ook dreigde hij Sonja Holleeder en haar kinderen en Peter de Vries (hierna ook: De Vries) te laten vermoorden. De getuigen vonden deze dreiging zeer reëel. [9] De hoofdreden voor Astrid Holleeder om te gaan verklaren was dat zij wilde voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. Zij had om die reden geen keus meer. [10]
Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat de getuigen Holleeder verklaringen hebben afgelegd in ruil voor bepaalde toezeggingen door het openbaar ministerie.
iemand plat heeft’ bij de politie en dat ze bang is dat hij te horen krijgt dat ze met justitie in gesprek is. Dat zou haar doodvonnis betekenen. Bij de getuigen is voortdurend sprake geweest van grote bezorgdheid over de omvang van de kring van personen die op de hoogte was van het traject. Het vertrouwen in de geheimhouding is zeer langzaam gegroeid. [14]
aan boord te houden’. [17] In januari 2014 hebben de getuigen Holleeder laten weten dat zij het traject niet meer zagen zitten en dat zij wilden dat de afgelegde verklaringen vernietigd zouden worden. Een afspraak voor een laatste gesprek kwam moeizaam tot stand. Op 26 maart 2014 heeft mr. Wind een exitgesprek gevoerd met Astrid en Sonja Holleeder waarin de getuigen niet op andere gedachten waren te brengen en afgesproken werd dat de afgelegde kluisverklaringen door justitie vernietigd zouden worden. Buiten het zicht van de getuigen werd door het openbaar ministerie echter besloten nog niet onmiddellijk tot vernietiging over te gaan, maar even af te wachten. [18]
in het hart van hun beschuldigingen hebben gelegd’. Zij hebben immers verklaard dat verdachte Van Hout heeft laten vermoorden om zo de beschikking te krijgen over De Achterdam. Dat betoog zegt iets over het tegenover elkaar staan van de belangen van verdachte en de getuigen Holleeder met betrekking tot De Achterdam; het betoog zegt echter niets over een belang om verdachte op valse gronden veroordeeld te krijgen.
niet voor teruggeschrokken is het leugenachtige verhaal over de erfenis van Van Hout in te zetten om haar beschuldigingen aan het adres van verdachte meer gewicht te geven’. Deze stelling van de verdediging gaat eraan voorbij dat het gewicht van de beschuldiging niet is verminderd, nadat de leugen die de verdediging bedoelt aan het licht is gekomen. De verdediging bedoelt dat Sonja Holleeder heeft verklaard dat Van Hout zijn bezittingen al voor zijn dood had verkocht, omdat hij wist dat verdachte hem wilde doden om toegang te krijgen tot zijn bezit, terwijl later is gebleken dat in elk geval De Achterdam niet voor de dood van Van Hout door hem is verkocht. Dat Sonja Holleeder heeft gelogen over het moment van deze verkoop betekent echter nog niet dat zij dat heeft gedaan met de bedoeling de beschuldiging aan het adres van verdachte over de dreiging van hem tegenover Van Hout zwaarder te maken. Het lijkt er eerder op dat zij daar toen niet de waarheid over heeft verteld in verband met het standpunt dat zij in het Goudsnip-onderzoek had ingenomen. Nog steeds niet valt in te zien welk eigen belang van Sonja Holleeder zij hier zou dienen met een beschuldiging aan het adres van verdachte.
De ontvoering van Alfred Heineken’ en van de verfilming van dat boek. Als verdachte zou worden veroordeeld voor een aantal moorden, dan zouden de getuigen Holleeder die opbrengst niet hoeven te delen met verdachte. Verdachte heeft daarover gezegd dat Sonja Holleeder na het overlijden van Van Hout recht had op een deel van de opbrengst van het boek en dat De Vries recht had op het andere deel van de opbrengst. Maar als er ooit een film zou komen, zou de opbrengst worden verdeeld onder De Vries, Van Hout, Jan Boellaard, Frans Meijer en verdachte. [25] Verdachte heeft verklaard dat hij vindt dat Jan Boellaard en Frans Meijer ook recht hebben op een deel van de opbrengst van de film. [26]
De ontvoering van Alfred Heineken’. Ook is in deze overeenkomst een bepaling opgenomen over inkomsten die voortvloeien uit een verfilming van het boek. [27] Getuige De Vries heeft verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken van de overeenkomst en de inhoud kende. [28] Ook is er een ondertekende verklaring van 4 april 2012 van verdachte die onder meer gaat over de opbrengst van het boek. [29] Uit deze stukken blijkt welke personen recht hadden op welk deel van de opbrengst. Uit deze stukken volgt niet dat verdachte enige aanspraak kon maken op een deel van de opbrengst.
kroon’ werd gebruikt als een verwijzing naar de term ‘
kroongetuige’ en dat er namens verdachte een boodschap werd doorgegeven. De verdediging heeft gelijk dat dit een conclusie is van de getuige.
kroon’. Die houding en deze interpretatie wijst er dan ook niet op dat de getuige de realiteit uit het oog is verloren. Het is weliswaar een conclusie die de getuige heeft getrokken, maar de getuige heeft daarbij wel inzicht gegeven in de feiten die voor haar de aanleiding waren om deze conclusie te trekken. Op die manier kan worden onderzocht of die conclusie terecht of onterecht is.
Maar ik was er toch focking bij? Hij zegt het toch tegen mij. Ik zat met mr. [advocaat 2] in de kamer en Wim was daarbij en we bespraken de zitting na afloop. Mr. [advocaat 2] zei dat toen tegen mij. Het kwam erop neer dat ze elkaar binnenkort nog wel even zouden spreken.” [41]
Ik heb haar toen alles verteld over de betalingen, over alles eigenlijk. Ik weet het nu niet meer uit mijn hoofd. Dit klopte volledig met wat zij ook had gehoord van Ros. Dat had ik van Willem al, dus ik heb haar dat allemaal al verteld, voordat ik überhaupt aan boord kwam. Vandaar dat ik ook wist dat Ros het niet zou worden”. [42] Aan Astrid Holleeder is op deze zitting vervolgens de opmerking voorgehouden dat zij zei ‘
dat wat zij aan mr. Wind vertelde over de betalingen, overeenkwam met wat mr. Wind van Ros had gehoord’. Daarop heeft Astrid Holleeder verklaard: “
Ik heb dat niet in detail gehoord van haar, maar zij kan dat checken, want zij weet wat ze van Ros heeft gehoord.” [43]
Mr. Wind heeft mij niet iets verteld. Het is meer dat ik haar iets vertelde. Misschien dat ze knikte of dat ik uit haar houding iets heb afgeleid.” [47]
Als mij foto’s worden gestuurd van mijn kleinkinderen die ergens binnen zitten, dan word ik pislink. Meneer Janssen, u heeft ook kinderen. Iedereen heeft kinderen. Ik hoef geen bewijs, [mr. Janssen]. Als dat soort dingen gebeuren, krijg je een andere kant van mij te zien. Als er foto’s van mijn kleinkinderen worden gestuurd, heb je echt een probleem. Ik ga niet wachten op niemand niet. (..) Ik ga helemaal niet met jou in discussie, [mr. Janssen]. Je moet geen foto’s sturen van mijn kleinkinderen.”
je’ mr. Janssen bedoelt. De getuige antwoordt daarop ‘
nee’. [49] Het hof begrijpt deze passage zo dat de getuige het woord ‘
je’ gebruikt in de betekenis van ‘
men’; ‘
als dat soort dingen gebeuren, krijgt men een andere kant van mij te zien. Als men foto’s
How a notorious gangster was exposed by his own sister.’ Volgens de getuige werd in dat artikel aan mr. Janssen gevraagd of zij niet afgemaakt gaat worden door haar broer, waarop mr. Janssen had gezegd dat hij daar zijn handen niet voor in het vuur kan steken. [51] De verdediging voert aan dat de getuige op basis van flarden informatie tot vergaande beschuldigingen komt en er niet voor terugschrikt die beschuldigingen openlijk, expliciet en uitermate stellig te doen.
I (het hof begrijpt: de auteur van het artikel) spoke recently with Wim’s lawyer [mr. Janssen], who said, “It’s possible that she really believes she is in danger. For my part, it is impossible to say that she is not in danger. I would have to be godlike to have that kind of certainty.” He continued, “Willem says that she is not in danger, that he is not going to hurt her.” Nevertheless, Janssen acknowledged, Wim is “very angry with Astrid.” [52]
weet’, maar dat het een ‘
beredenering’ is. Voordat zij tijdens het verhoor antwoord gaf, heeft zij de vraag gesteld of het de bedoeling was om ‘
vrijelijk te redeneren’. [55] Aan het slot van haar uitleg over dit onderwerp zegt zij nogmaals dat het speculeren is. [56] Het hof ziet in deze verklaring dan ook geen bewijs dat de getuige de werkelijkheid niet van fantasie kan onderscheiden. De getuige heeft uitgelegd dat het niet gaat om wetenschap en dat zij zich ervan bewust is dat het speculaties zijn. Zij heeft uitgelegd wat de feiten zijn waarop zij haar vermoedens baseert. Zij heeft dus onderkend dat het gaat om vermoedens en heeft zich ook bereid getoond om haar vermoedens ter discussie te stellen.
weten’ als een gegroeide wetenschap. Men kent sommige feiten zonder dat men zich nog herinnert hoe die kennis is ontstaan. Men kent bijvoorbeeld een kleur zonder te weten hoe de kennis is ontstaan dat die kleur die kleur is. Ook kan er tussen twee mensen een gedeelde wetenschap bestaan, zonder dat die wetenschap onder woorden wordt gebracht. Met een gedeelde geschiedenis heeft men soms aan weinig woorden genoeg om elkaar heel goed te begrijpen. Zo hoeven twee partners niet onder woorden te brengen dat zij een relatie hebben. Dat is een evidente wetenschap die niet benoemd hoeft te worden. Zo’n gegroeide wetenschap naar aanleiding van gezamenlijke ervaringen, is echter niet zonder meer bruikbaar voor het bewijs. Voor het bewijs zal de rechter moeten vaststellen wat de redenen van wetenschap zijn, hoe de wetenschap is ontstaan, welke feiten de getuige heeft waargenomen of ondervonden.
indruk’ dat verdachte met die aanslag te maken had. [59]
aangever’ in de Dongestraat had gestaan en ook dat degene die door het openbaar ministerie voor deze aanslag werd vervolgd wél de schutter was, ondanks dat hij is vrijgesproken. Mieremet heeft tegen Van den Heuvel gezegd dat verdachte hen de woning aan de Deurloostraat heeft aangewezen. [62]
hij gaat eraan, hij gaat eraan’. [72] Op de vraag of hij daar na de moord nog wat over heeft gezegd, heeft zij verklaard dat verdachte heeft gezegd dat het mooi was, [73] maar dat verdachte daar verder niets over heeft verteld. Zij weet niet wanneer en aan wie de opdracht is gegeven. [74] De getuige heeft deze vraag, die in meerdere verhoren is gesteld, niet aangegrepen om daarover specifieker te verklaren en verdachte ten aanzien van die moord verder te belasten. De getuige maakt formuleringen van uitlatingen van verdachte niet specifieker dan de formulering volgens haar was.
Wat ik wel wil zeggen is dat Willem wist dat Thomas met de CIE sprak. Wim wist altijd alles van zijn petten”. [82] Ter terechtzitting van 4 oktober 2021 heeft de getuige uitgelegd dat zij wist dat verdachte ‘
petten had’ (het hof begrijpt: corrupte politieambtenaren), omdat hij dat zelf altijd zei. Zij heeft echter ook verklaard dat verdachte niet letterlijk heeft gezegd ‘
ik weet van mijn petten dat Van der Bijl met de CIE praat’. De getuige heeft verklaard dat zij zelf het verband heeft gelegd tussen de eerdere mededeling van verdachte dat hij petten had en zijn mededeling dat hij weet dat Van der Bijl met de CIE praat en dat zij op grond daarvan dacht dat verdachte dat van zijn petten weet, omdat hij anders niet zo snel had kunnen weten dat Van der Bijl met de CIE sprak. [83]
WC-gesprek’. Sonja Holleeder heeft verklaard dat verdachte, gezeten op het toilet bij Sonja Holleeder thuis, had gezegd ‘
dat Endstra ook zou gaan’. Sonja Holleeder heeft verklaard dat zij uit die mededeling begreep dat ‘
er misschien wel wat met hem zou gebeuren’ en dat verdachte tijdens dit gesprek ook zei ‘
dat Endstra met de CIE sprak’. [84] Bij een ontmoeting kort na de moord op Endstra heeft verdachte volgens de verklaring van Sonja Holleeder daarover tegen haar gezegd ‘
Boks, het was hij of ik’. [85] In samenhang beschouwd kan aan deze uitlatingen van verdachte een belastende conclusie worden verbonden, maar als de getuige verdachte vals had willen beschuldigen, had voor de hand gelegen dat zij verdachte veel directer termen in de mond zou hebben gelegd.
gedaan wat hij bij hem had gedaan’. Sonja Holleeder bleek wel in staat deze mededeling van Van Hout te reproduceren, maar kon niet uitleggen wat hij met die mededeling precies bedoelde. Het hof acht moeilijk voorstelbaar dat de getuige Sonja Holleeder deze mededeling zou verzinnen. Het gaat om een uitlating die zich in de context van het geheel aan gebeurtenissen goed laat interpreteren, maar waarvan de getuige Sonja Holleeder de precieze betekenis niet heeft kunnen duiden. [86]
Het hof ziet in de dossierstukken geen bewijs dat Van der Bijl contact onderhield met Ros. Van belang is echter dat Astrid Holleeder heeft verklaard dat het verdachte was die dit tegen haar heeft gezegd. Het hof houdt voor mogelijk dat verdachte dit later tegen Astrid Holleeder heeft gezegd als rechtvaardiging voor zijn betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl. Een dergelijke rechtvaardiging komt vaker voor met uitspraken van verdachte als ‘
het was hij of ik’. Het hof ziet in deze verklaring van Astrid Holleeder niet het bewijs dat zij liegt of zomaar wat zegt.
Nergens is aannemelijk geworden dat Astrid Holleeder Den Hartog heeft geregisseerd in de verklaringen die Den Hartog zou gaan afleggen. Er is voor het openbaar ministerie dan ook geen reden om te twijfelen aan de oprechtheid van de motieven van Den Hartog om te gaan verklaren. De verklaringen van Den Hartog zijn voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Zij heeft niet uit eigen belang of financieel gewin verklaard, maar vanwege de motieven die ze heeft genoemd. Den Hartog heeft consistent verklaard en weet gebeurtenissen vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. Zij maakt dingen niet mooier of groter dan wat zij uit eigen wetenschap kan verklaren.
Bij de bespreking van de afzonderlijke zaaksdossiers waar de getuige Den Hartog over heeft verklaard, zal ook worden ingegaan op de betrouwbaarheid van haar verklaringen in relatie tot de overige processtukken.
beloond’ voor haar verklaringen in Vandros met de beslissingen die het openbaar ministerie in die zaak inmiddels heeft aangekondigd.
Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat Den Hartog niet wordt beloond voor haar verklaringen en heeft daarbij ook kenbaar gemaakt hoe het Functioneel Parket van plan is om de FIOD-zaak af te handelen. Den Hartog zal in die zaak worden vervolgd. Dat kan ofwel leiden tot een transactie met Den Hartog, ofwel tot het aanbrengen van haar strafzaak bij de rechter. Bij de afdoening van deze zaak zal aansluiting worden gezocht bij soortgelijke zaken waarin partners van vermoorde personen uit het criminele milieu worden aangesproken op delicten die verband houden met witwassen van crimineel vermogen. Dat betekent dat Den Hartog in het kader van een transactie vrijwillig afstand zal moeten doen van het aanwezige criminele vermogen en dat zij inzicht zal moeten geven in eventueel nog onbekend vermogen. Als dat inzicht is gegeven én er is ook overeenstemming met de Belastingdienst, dan kan het openbaar ministerie de vervolgingsbeslissing nemen. Bij een transactie denkt het openbaar ministerie aan een werkstraf, naast het genoemde afstand doen van het criminele vermogen. Het openbaar ministerie heeft uitgelegd wat de reden is dat deze afdoening lang duurt. Daarbij is onder andere gewezen op de fiscale problematiek die kennelijk voortkomt uit complexe erfrechtelijke omstandigheden, waarbij er ook sprake is van een verschil van inzicht tussen de Belastingdienst en Den Hartog, althans de Belastingdienst heeft nog geen standpunt ingenomen hoe zij de verhouding tussen Den Hartog, haar kinderen en dat vermogen duidt. Zodra de Belastingdienst daarover een standpunt heeft ingenomen, kan het openbaar ministerie een vervolgingsbeslissing nemen die dus zal leiden tot een transactie in de vorm van een werkstraf met afstand van crimineel vermogen, dan wel een dagvaarding voor een openbare zitting. [96]
Ook uit het proces-verbaal van officier van justitie mr. Wind van 19 augustus 2015 volgt dat Den Hartog voorafgaand aan het afleggen van verklaringen over verdachte, geen voorwaarden heeft gesteld. [97] Hoewel mr. Wind door Astrid Holleeder is geïnformeerd over ‘
een belastingzaak of strafzaak’ tegen Den Hartog, is dit onderwerp niet besproken met Den Hartog, zoals blijkt uit dat proces-verbaal. [98] Den Hartog heeft ook na het afleggen van haar kluisverklaringen geen voorwaarden verbonden aan haar instemming met het gebruik van die verklaringen. [99] Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mr. Wind verklaard dat in het contact met Den Hartog het FIOD-onderzoek wel ter sprake is gekomen maar dat daarover vooraf op geen enkele wijze afspraken zijn gemaakt. Mr. Wind heeft niet met Den Hartog gesproken over de erfenis van Klepper en over belastingaanslagen. Ook andere functionarissen binnen het openbaar ministerie hebben in het kader van het tot stand komen van de verklaringsbereidheid en het bekend maken van die verklaringen in Vandros niet gesproken over het FIOD-onderzoek. Ruim na het afleggen van haar verklaringen heeft het Functioneel Parket ook met Den Hartog gesproken over de afdoening van het FIOD-onderzoek. [100] De aangekondigde afdoening, die in belangrijke mate nog afhangt van de opstelling van Den Hartog, past kennelijk in een algemeen beleid van het openbaar ministerie. Als Den Hartog geen inzage geeft en afstand doet van het criminele vermogen, zal zij worden gedagvaard voor de strafrechter waarna een proces volgt waarvan de uitkomst onbekend is. Voor het hof is, gelet op deze omstandigheden, niet aannemelijk geworden dat Den Hartog ‘
beloond’ wordt voor haar verklaringen in Vandros en dat deze beloning inmiddels ook werkelijkheid is geworden.
Het hof concludeert tot slot dat er geen aanknopingspunten in beeld zijn gekomen voor de conclusie dat Den Hartog voordeel heeft verkregen of mocht verwachten van het afleggen van verklaringen tegen verdachte.
Dat heeft Willem (het hof begrijpt: verdachte) gedaan”. [101] In een latere verklaring heeft Den Hartog verklaard dat verdachte bij een bezoek aan haar in België heeft gezegd dat hij niet achter de moord op Klepper zat en dat is Den Hartog gaan geloven. [102]
kankerjong’ en een ‘
teringjong’ heeft genoemd en heeft gezegd: “
anders gaat hij liggen, zoals ik zijn vader heb laten liggen”. De eerste keer is dat volgens Den Hartog in de tweede helft van 2013 geweest en de tweede keer in augustus 2014. Den Hartog is toen naar Astrid Holleeder gegaan, omdat zij aan haar wilde vragen of het klopte wat verdachte had gezegd over Klepper. Den Hartog heeft verklaard dat zij in die periode misschien nog wantrouwig naar Astrid Holleeder toe was, maar dat zij op dat moment vanwege emoties helemaal niet kon nadenken. Astrid Holleeder was niet thuis, maar kwam later naar Den Hartog toe. Den Hartog vroeg toen aan haar of het klopte van Klepper, waarop Astrid Holleder zei: “
Ik kan en wil het niet zeggen”
.Den Hartog heeft tegenover Astrid Holleeder gezegd dat zij het
‘moest’weten en dat zij het al voldoende vond als Astrid Holleeder alleen maar zou knikken. Daarna hoefde Den Hartog het er dan niet meer over te hebben met Astrid Holleeder. Vervolgens wilde Astrid Holleeder Den Hartog fouilleren en dat heeft zij ook gedaan. Daarna knikte Astrid Holleeder bevestigend. [103]
luister; heeft hij het “gedaan”, wat “met Sam” te maken?”. Astrid Holleeder vertrouwde Den Hartog niet en heeft tegen haar gezegd: “
trek je kleren uit. We gaan zo naar buiten, ik wil je fouilleren”. Astrid Holleeder heeft verklaard dat zij niets heeft willen zeggen tegen Den Hartog omdat ze haar nog steeds niet vertrouwde. Zij heeft overal bij Den Hartog gevoeld waar iets van afluisterapparatuur kon zitten en heeft haar helemaal gecheckt. Buiten de woning heeft Astrid Holleeder niets gezegd tegen Den Hartog, maar geknikt. [104]
Den Hartog heeft over haar relatie met verdachte verklaard dat vanaf het voorjaar of de zomer van 2001 sprake was van een man-vrouwrelatie. De relatie heeft geduurd tot augustus 2014. Den Hartog wilde toen inderdaad dat verdachte uit haar leven zou gaan, maar wel dat ze als goede vrienden uit elkaar zouden gaan. [107] Het einde van de relatie is niet per se wat Den Hartog heeft doen
besluitenom verklaringen te gaan afleggen, maar heeft het wel
mogelijk gemaaktom bij de politie verklaringen af te leggen.
Dat Den Hartog wel wilde verklaren, was naar aanleiding van een gebeurtenis die al eerder had plaatsgevonden. Die gebeurtenis was een ruzie over de zoon van Den Hartog zoals hiervoor beschreven. Dit was voor Den Hartog ook een reden om de relatie met verdachte te willen beëindigen. Op advies van Astrid Holleeder heeft Den Hartog na die eerste keer in de tweede helft van 2013 de relatie om veiligheidsredenen nog niet beëindigd. Den Hartog was bang en verkeerde niet in de positie om de relatie met verdachte te beëindigen. “
Dat is niet een keuze die Willem aan jou overlaat, hij beëindigt de relatie.” De relatie heeft daarna nog driekwart jaar voortgeduurd. Er volgden meer ruzies over de zoon van Den Hartog en in augustus 2014 barstte de bom na opnieuw een ruzie over de zoon van Den Hartog die volgens verdachte het huis uit moest. Er heeft toen een ontmoeting plaatsgevonden bij De Omval tussen verdachte, Den Hartog en Astrid Holleeder. Verdachte was volgens Den Hartog door het dolle heen en niet rustig te krijgen. Den Hartog moest van verdachte zijn spullen in haar woning gaan halen. Verdachte heeft in het bijzijn van Astrid Holleeder weer allerlei bedreigingen in de richting van de zoon van Den Hartog geuit en gezegd dat haar zoon anders
‘zou gaan liggen’net zoals verdachte zijn vader had laten liggen. Den Hartog weet tijdens het verhoor niet meer of verdachte dit al had gezegd voordat Astrid Holleeder was gearriveerd, maar hij zei het in ieder geval ook toen Astrid Holleeder erbij was. Den Hartog heeft de relatie na dit incident bij De Omval beëindigd. Toen Den Hartog eind september 2014 haar eerste verklaring bij de politie aflegde, was de relatie tussen verdachte en haar al beëindigd. [108] Verdachte heeft in de periode van 2006 tot 2012 vanwege de Kolbakzaak gedetineerd gezeten, waarbij de vraag zich opdringt waarom Den Hartog de relatie met verdachte in die periode niet heeft beëindigd. Op die vraag heeft Den Hartog geantwoord:
“Het was niet aan mij om de relatie te beëindigen en toen hij gedetineerd zat wilde ik hem niet laten stikken, dat doe je niet. Maar ook toen was ik te bang om de relatie te beëindigen. Hij komt altijd een keer los, hè”. [109]
“Toen dat dus speelde verwees hij ook weer naar Sam, dat hij Sam had ‘laten doen’. Toen waren we wel met zijn drieën zeg maar. Toen stond Sandra daar wel bij. Maar dat is eigenlijk de enige keer geweest, over Sam dat wij daar met zijn drieën waren. En ik heb haar echt, echt pas in een heel, heel laat stadium durven zeggen of knikken hoe het zat”. [110]
‘greep van Willem zou zitten’en doodsbang was. Zonder te vertellen dat zij zelf kluisverklaringen had afgelegd, had Astrid Holleeder gaandeweg voorzichtig gepolst en beetje bij beetje hadden Astrid Holleeder en Den Hartog elkaar in vertrouwen genomen. Daaruit was Astrid Holleeder gebleken dat Den Hartog
‘ook helemaal klaar was met Willem’. Astrid Holleeder en Den Hartog hadden in augustus 2014 een paar keer afgesproken en waren doodsbang dat verdachte daar achter zou komen, wat ook een keer gebeurd was en waardoor Den Hartog doodsangst had uitgestaan. Den Hartog had Astrid Holleeder verteld dat ze heel bang was dat verdachte haar kinderen iets aan zou doen, omdat hij daarmee steeds dreigde. Ze zou niet eerder iets durven te verklaren dan dat verdachte (langdurig) vast zou zitten.
Den Hartog vreesde het moment dat de drie jaren gevangenisstraf als ‘voorwaardelijke invrijheidstelling uit de Kolbakzaak’ verdachte niet meer boven zijn hoofd zouden hangen. Verdachte had gezegd dat hij, zodra hij weer ruimte had, haar jongste zoon, Sonja Holleeder en de zoon van Sonja Holleeder zou (laten) vermoorden. De dreigementen naar haar kinderen vormden voor Den Hartog de druppel die maakte dat zij nu, ondanks haar angst voor verdachte, bereid was te verklaren. In de periode van medio december 2014 tot eind maart 2015 hebben nog verschillende gesprekken plaatsgevonden met de getuigen, bijgestaan door hun raadsman die optrad voor alle drie de getuigen. In deze besprekingen is een aantal voorwaarden ter sprake gekomen die de getuigen mogelijk wilden verbinden aan het gebruik van hun verklaringen. De besprekingen hebben er uiteindelijk in geresulteerd dat ook Den Hartog geen voorwaarden heeft verbonden aan haar instemming met het gebruik van haar verklaringen. Wel is aan haar toegezegd dat mr. Wind zich, indien Den Hartog ten gevolge van haar optreden als getuige haar baan zou verliezen, tot het uiterste zou inspannen om te bezien wat de mogelijkheden zijn om gemiste inkomsten te vergoeden en ook proces- en advocaatkosten die daar mee zouden samenhangen. Op 23 maart 2015 hebben alle drie de getuigen ingestemd met het gebruik van hun kluisverklaringen in liquidatie-onderzoeken. [115] Den Hartog heeft ook verklaard dat zij ook voor zichzelf is gaan verklaren, voor haar eigen veiligheid, omdat verdachte weet wat hij heeft gezegd en dat Den Hartog dat weet. [116]
Verdachte heeft in zijn schriftelijke verklaring ook gewezen op het incident bij De Omval. Hij zou tijdens die ruzie tegen Den Hartog hebben gezegd dat hij niets meer zou betalen voor Den Hartog, behalve de huur. Hierna heeft verdachte een gesprek gehad met Den Hartog op het Gelderlandplein waar Den Hartog hem gevraagd zou hebben of hij haar
‘liet vallen’ook met dat van die belasting. Verdachte zou daarop gezegd hebben:
“ik heb er geen zin meer in, zoek het maar zelf uit”. Daarop zou Den Hartog gezegd hebben:
“dan zal je het weten ook”. Verdachte vermoedt dat, als hij tegen Den Hartog gezegd zou hebben dat hij haar zou helpen, Den Hartog misschien niet zou zijn gaan verklaren over hem.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gezegd dat hij niet weet of Den Hartog in ruil voor haar verklaringen van die belastingschuld af is gekomen. Hij gaat ervan uit dat Astrid Holleeder tegen haar gezegd heeft dat ze van die schuld af zal komen. Verdachte weet niet of het openbaar ministerie ook aan Den Hartog een sepot heeft beloofd, net als bij al die anderen aan wie een sepot was beloofd en bij wie het ook gelukt is. Van verdachte mag Den Hartog een sepot hebben, ondanks haar valse verklaringen. [118] Ook heeft verdachte in hoger beroep verklaard over een opname die Astrid Holleeder volgens verdachte heeft gemaakt, maar die zij niet aan het openbaar ministerie heeft verstrekt. Die opname zou volgens verdachte zijn gemaakt van een gesprek van verdachte met Astrid Holleeder over een vriendinnetje van verdachte die dicht bij de moeder van verdachte woonde. Astrid Holleeder wilde weten waar dat vriendinnetje van verdachte precies woonde. Het gesprek van verdachte met Astrid Holleeder ging ook over Den Hartog. In dat gesprek zou verdachte gezegd hebben dat hij klaar was met Den Hartog vanwege haar zoon en dat hij haar geen geld meer ging geven en dat ze het lekker zelf moest gaan uitzoeken met de Belastingdienst. Later kreeg hij die vraag op het Gelderlandplein van Den Hartog terug. Verdachte stelt achteraf te weten dat Astrid Holleeder dat gesprek heeft opgenomen en aan Den Hartog heeft laten horen. Astrid Holleeder heeft dat volgens verdachte gedaan om Den Hartog tegen hem op te zetten en haar tegen verdachte een valse verklaring te laten af leggen. Astrid Holleeder moest Den Hartog van verdachte los weken en in haar kamp krijgen. Ze moest mij in een kwaad daglicht plaatsen, aldus verdachte. [119]
“ik kan natuurlijk niet voor een ander spreken dus ik weet niet hoe dat gegaan is maar je merkte wel aan hem dat er gewoon dreiging was ook omdat hij gewapend was”. [122] Ook over de problemen tussen Mieremet en Houtman enerzijds en verdachte anderzijds met betrekking tot een pand aan de Scheldestraat heeft Den Hartog verklaard niet precies te weten wat het probleem was. [123] Als Den Hartog wordt gevraagd wat zij van het conflict met Jocic weet, geeft zij aan dat niet te weten. [124] Over de reis naar Liechtenstein in verband met het ophalen van geld is aan haar de vraag gesteld waarom het juist Hillis was die met Den Hartog meeging naar Liechtenstein. Den Hartog heeft daarop geantwoord dat verdachte dit wilde maar dat zij niet weet of Hillis het zelf wilde. [125] Als Den Hartog wordt gevraagd hoe het de tweede keer ging toen verdachte zich in een ruzie met Den Hartog uitliet over de moord op Klepper, antwoordt zij dat zij het niet meer weet of verdachte die tweede keer ook heeft gezegd:
“dan gaat hij liggen net als zijn vader”of
“ik schiet hem neer”,
“ik breek zijn knieschijven”. [126] Ook zegt Den Hartog het als de beantwoording van de vraag zou betekenen dat zij moet speculeren. Als Den Hartog gevraagd wordt wanneer verdachte er achter was gekomen dat Endstra verdachte wilde laten vermoorden antwoordt zij:
“Is speculeren, dat weet ik niet meer”. [127] Den Hartog zegt het ook wanneer de beantwoording van een vraag wordt bepaald door een indruk die zij ergens van heeft gekregen. Aan Den Hartog is bijvoorbeeld de vraag gesteld over de bedreiging van Mieremet tegen Den Hartog waarbij [betrokkene 7] (hierna ook: [betrokkene 7]) een rol zou hebben gespeeld, terwijl [betrokkene 7] een neef was van Klepper. Den Hartog heeft daarop verklaard dat het wel een bedreigend gesprek was, dat zij daar heel verbaasd over was, dat het erop leek dat er twee kampen ontstonden en dat het leek dat [betrokkene 7] voor het andere kamp had gekozen, waar het geld misschien terecht zou komen. Den Hartog had de indruk dat het gesprek voor [betrokkene 7] ook ongemakkelijk was. [128]
“nee, nee”. Den Hartog hoorde de naam Donald Groen maar zij weet niet meer wat verdachte toen zei. [135] Ook geeft Den Hartog aan dat zij niet weet wat de relatie was tussen verdachte en Kok. [136]
‘laten doen’zoals verdachte zijn vader heeft ‘
laten doen’. Den Hartog merkt dan op:
“Laten liggen zei hij volgens mij”. [147] Ook maakt Den Hartog een correctie indien in de vraagstelling volgens haar ten onrechte sprake is van een conclusie. Zij licht dan toe dat zij een vraag heeft gesteld aan verdachte waarop verdachte heeft geantwoord en dat dat dus geen conclusie van haar is. [148]
- Bezoeken aan het kantoor van Endstra
- Levensonderhoud
- Boete Houtman – verklaring [benadeelde partij 2] over boete
- Mishandeling in Dynasty
“in de Spiegelstraat zei je dat alles in orde zou komen met het geld en nu word ik met mijn kinderen het huis uitgezet en wil je niets doen voor mij. Hoe zit het dan met het geld?”. Endstra zou toen gezegd hebben dat Den Hartog daar niet te veel vragen over moest stellen, dat ze op moest passen, want kinderen hadden ook wel eens een ongelukje. Daar moesten Endstra en [betrokkene 11] een beetje om lachen en toen waren we weer terug bij het kantoor en zijn ze ieder hun weg gegaan, aldus Den Hartog. Zij weet niet of het bedreigend was wat Endstra tegen haar zei, maar ze was er wel verrast door. Endstra had met de huuropzegging niets te maken. [150]
“voor zover ik het me nu kan herinneren, ben ik maar één keer op het kantoor van Endstra geweest”. [152] De verklaringen van Endstra, [153] [betrokkene 12] [154] (secretaresse van Endstra) en A. Zeegers [155] (juridisch adviseur van Endstra) over het bezoek van Den Hartog aan het kantoor van Endstra in oktober 2003, zeggen Den Hartog niets.
Het hof heeft Den Hartog geconfronteerd met het gegeven dat de huuropzegging is gedateerd 14 april 2004 en dat het bezoek aan het kantoor in oktober 2003 dus niet in verband kan staan met die huuropzegging. Den Hartog antwoordde daarop:
“Nee, precies. Ik heb geen idee. Ik weet alleen van mijn bezoek over mijn huur. Dat is bij mijn weten de enige keer dat ik daar… ik ben er niet eens binnen geweest. Ik heb bij de deur gestaan”. [156]
‘1,5 miljoen’bij Den Hartog had liggen en toen hij vrij kwam was daar ongeveer € 850.000 van over. Verdachte stelt dat Den Hartog niet net moet doen alsof zij nooit geld van hem kreeg: Den Hartog heeft van verdachte altijd geld gehad ook toen hij vastzat; zij heeft daarover kunnen beschikken en er alles mee kunnen doen. [163]
‘een vieze hond’want die deed met Mieremet samen of hij deed iets niet met Mieremet samen. Verdachte deelde het in zoverre met Den Hartog dat hij vertelde dat het met Mieremet te maken had. Het ging volgens Den Hartog over een pand dat Mieremet had of een pand dat van Endstra vandaan kwam. Over Houtman riep verdachte ook:
“teringhond, kankerhond, betalen moet hij”.
Volgens Den Hartog was het bij verdachte altijd zo: er was iets gebeurd, en of dat nu ook met die panden te maken had, dat weet Den Hartog niet, maar er was iets gebeurd wat verdachte persoonlijk als een belediging zag en als je hem persoonlijk beledigt dan krijg je eerst altijd een boete. [165] [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij met Houtman heeft besproken hoe Houtman ging betalen. Zij verklaart:
“Ja, het was een boete over de Scheldestraat, panden van Mieremet. Kees had die panden willen kopen. Daar is rotzooi over gekomen. Daar werd ook al aan de voordeur aan gerefereerd. Ze riepen: je luistert niet”. [166]
boete’ bevestigd wordt door [benadeelde partij 2] die daar in haar verklaring expliciet naar verwijst: een boete die aan Houtman is opgelegd.
‘Dynasty’(het hof begrijpt: restaurant Dynasty in de Reguliersdwarsstraat te Amsterdam). Hillis zat daar aan een ander tafeltje te eten. Er is toen een vechtpartij geweest waarbij verdachte iemand heeft neergeslagen. Hillis zei toen tegen verdachte:
“ga maar weg”.Tegen ons zei hij:
“ga maar rustig zitten en doe maar net alsof er niks gebeurd is”, aldus Den Hartog. Verdachte had een man van een gezin dat aan een ander tafeltje zat neergeslagen. Die man had een opmerking gemaakt dat verdachte zoveel zat te telefoneren. [167] [betrokkene 16] (hierna ook: [betrokkene 16]) heeft op 10 juni 2001 verklaard dat hij een opmerking heeft gemaakt tegen een man die aan het telefoneren was met een mobiele telefoon en daarbij zeer luid sprak. De man reageerde zeer agressief op zijn opmerking en sloeg [betrokkene 16], zijn zoon en zijn vrouw. De man sloeg met zijn handen. [betrokkene 16] werd geraakt op zijn achterhoofd, zijn zoon kreeg klappen op zijn kaak en op zijn achterhoofd en zijn vrouw werd ook op haar hoofd geraakt. De man is daarna weggelopen uit het restaurant. Er is geen aangifte gedaan. De man die klappen had uitgedeeld, was in gezelschap van drie vrouwen. De vrouwen wilden er niets over zeggen en wilden ook hun naam niet opgeven. Op 16 maart 2006 heeft [betrokkene 16] verklaard dat hij later heeft begrepen dat de man die luidruchtig liep te bellen Holleeder was. De gastheer van het restaurant Dynasty heeft op 16 maart 2006 verklaard dat verdachte betrokken was bij deze ruzie. Ook de eigenaar van het restaurant heeft op 22 maart 2006 verklaard dat verdachte enkele jaren geleden bij een ruzie betrokken was. Ten tijde van de ruzie was deze getuige niet aanwezig maar hij hoorde het later die avond. [168]
De verklaring van Den Hartog over het incident in de Dynasty vindt steun in de verklaringen van de betrokkenen. Het hof stelt vast dat Den Hartog waarheidsgetrouw heeft verklaard en dat zij de mogelijkheid onbenut laat om in strijd met de waarheid dit incident ernstiger te doen voorkomen teneinde verdachte te belasten.
de verdachteover de kroongetuigenovereenkomst, staat dat de rechter-commissaris de verdachte geen mededeling hoeft te doen van beschermingsafspraken die met de getuige zijn gemaakt. Die bepaling wekt de indruk dat de rechter-commissaris wel van de beschermingsafspraken op de hoogte moet worden gebracht, hetgeen past bij de bedoeling van de wetgever dat ook die afspraken door de rechter worden getoetst. Desondanks heeft het openbaar ministerie de met La Serpe en Ros gemaakte beschermingsafspraken niet aan de rechter-commissaris kenbaar gemaakt. De rechter-commissaris heeft er ook niet naar gevraagd.
Habran en Dalem tegen België [172] volgt dat bij het gebruik van de verklaringen van kroongetuigen gewaakt moet worden voor een beschuldiging en berechting op grond van oncontroleerbare aantijgingen op basis van onbekend gebleven belangen. Er zijn adequate maatregelen nodig om misbruik tegen te gaan, waaronder in het bijzonder een duidelijke, kenbare procedure voor het autoriseren, tenuitvoerleggen en superviseren van de totstandkoming van dergelijk bewijsmateriaal. Uit de zaak
Adamčo tegen Slowakije [173] volgt dat de intensiteit van de toetsing van de verklaringen in verband moet staan met het belang van de voordelen die de kroongetuige krijgt in ruil voor die verklaringen. Tegen die achtergrond heeft de verdediging erop gewezen dat:
single hierarchyfungeert, met volstrekte afwezigheid van rechterlijk toezicht; en
Adamčo tegen Slowakijewaren gedaan, verschillen sterk van die in de zaken betreffende La Serpe en Ros. Zo is bij hen geen sprake van toegezegde immuniteit voor een gepleegde moord, en lijkt de rechterlijke toetsing in de Slowaakse zaak veel beperkter, aldus het openbaar ministerie.
single hierarchy, zonder externe toetsing.
single hierarchybij de totstandkoming van kroongetuigenovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv, anders dan de verdediging veronderstelt
.Deze overeenkomst wordt immers getoetst door de rechter-commissaris. Daarbij komt dat de zittingsrechter door de regeling van artikel 226g, vierde lid, Sv en de toevoeging daaraan door de Hoge Raad als het gaat om de ontnemingsvordering, voldoende zicht heeft op alle voordelen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn bereidheid tot het afleggen van een verklaring.
‘Osdorp eerst’hebben gezegd. De verdediging acht dat uitermate onwaarschijnlijk. La Serpe is pas zes jaar na de gebeurtenissen met deze verklaring gekomen toen hij een hoogoplopend conflict had met het openbaar ministerie over zijn getuigenbeschermingsafspraken. La Serpe wist dat de naam van verdachte boven het Passageproces zweefde, maar dat er onvoldoende bewijs was voor zijn concrete betrokkenheid. Het kwam La Serpe goed uit deze troef uit te spelen en zo de onderhandelingen over zijn getuigenbescherming vlot te trekken. Het is een oncontroleerbare verklaring van La Serpe die afwijkt van wat hij eerder bij de politie heeft verklaard, welke verklaringen onrechtmatig buiten het dossier waren gehouden. De verklaring kon door de verdediging niet meer getoetst worden, omdat La Serpe daarover uit zijn geheugen inmiddels niets meer kon verklaren tijdens zijn verhoor bij de rechtbank in oktober 2018. Bij deze verklaring zijn zoveel kanttekeningen te plaatsen en zij is zodanig inconsistent en niet toetsbaar gebleken, dat zij niet voor het bewijs mag worden toegelaten.
‘ga maar naar Dino, hij heeft er genoeg’, of
‘ga maar naar Dino, ik heb er genoeg’. Het eerste impliceert volgens de verdediging hooguit wetenschap, het tweede wijst op betrokkenheid. La Serpe heeft daar geen duidelijkheid over kunnen geven, doordat hij bij latere verhoren over die verklaringen keer op keer heeft verklaard geen herinnering te hebben aan die uitlating over moordopdrachten in verband met de ontmoeting in Naarden-Vesting. Dit terwijl La Serpe deze verklaringen heeft afgelegd in een fase waarvan hij heeft verklaard dat hij zogenaamd ‘tactisch bezig’ was en hij niet meer weet of dit een tactisch moment was dat buiten beschouwing moet blijven, of juist een moment waarop hij naar waarheid heeft verklaard.
‘ze maar naar Dino moesten gaan als ze een nieuwe auto nodig zouden hebben’. Volgens verdachte was hij al weg toen La Serpe de auto kreeg. De verdediging put daarvoor steun uit de verklaring die de autoverhuurder, [betrokkene 17] (hierna ook: [betrokkene 17]), bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd.
‘mocht doen’en dat Remmers zei dat hij
‘de power van Holleeder achter zich had’. Ook over dit onderwerp heeft La Serpe uiterst wisselend verklaard, zowel wat betreft het moment waarop hij dit van Remmers hoorde, als wat betreft de inhoud van de informatie. Zijn verklaring kan niet geverifieerd worden. Dat Ros heeft verklaard dat hij Remmers hetzelfde heeft horen zeggen, maakt dat niet anders. Ros heeft La Serpe op de zittingen in het Passageproces eindeloos over deze uitlating horen praten voordat hij zelf ging verklaren. Bovendien heeft La Serpe uitspraken gedaan in relatie tot de moord op Van Hout die hij op een later moment expliciet heeft ingetrokken met als uitleg dat hij de naam Van Hout had genoemd omdat hij de naam Houtman nog niet wilde of durfde te noemen.
‘Osdorp eerst’, over opdrachten die zouden zijn gegeven in de Baja Beach Club en over zijn ideeën over opdrachtgevers, achterliggende conflicten, het driemanschap en wat hij uit het milieu heeft begrepen en geconcludeerd.
Mr. Plasman was een tijdlang de raadsman van Ros toen hij kroongetuige werd in het Passageproces. Volgens de interpretatie van de verdediging zegt mr. Plasman in deze uitzending dat Ros als kroongetuige heeft gelogen over de motor die is gebruikt bij de moord op Van Hout, zodat dit een nieuwe aanwijzing is dat Ros veel meer betrokkenheid heeft gehad bij de moord op Van Hout dan hij heeft verklaard. Dat acht de verdediging van belang voor de waardering van de betrouwbaarheid van Ros, maar ook voor de stelling van Astrid Holleeder dat verdachte tegen haar zou hebben gezegd dat Ros niet op de motor heeft gezeten ten tijde van de moord op Van Hout. Verdachte betwist die mededeling aan Astrid te hebben gedaan, maar zou hij dat wel hebben gezegd, dan wijst dat er juist op dat verdachte weinig wist over de gang van zaken bij de moord op Van Hout.
‘Osdorp eerst’en over de ontmoeting in Naarden-Vesting. Daarbij heeft het openbaar ministerie gewezen op de overwegingen hierover van het hof in het Passageproces en gesteld dat er geen reden is om dit in Vandros anders te zien.
‘En Holleeder zei neem contact op met Dino, hij had er genoeg neem contact op met Dino, en dat is wat Holleeder zei’. Voor de tenlastelegging maakt het niet uit; Remmers heeft aan verdachte om een liquidatieklus gevraagd. De relevantie is volgens het openbaar ministerie dat Holleeder aan Remmers heeft laten blijken dat hij op het punt van te plegen moorden samenwerkte met Soerel. Het openbaar ministerie verwijst hiervoor ook naar de overwegingen van het hof in het Passageproces.
‘Als jullie een nieuwe auto willen, neem dan contact op met Dino’. Het openbaar ministerie zegt geen reden te zien om aan deze verklaring van La Serpe te twijfelen. Daarbij merkt het openbaar ministerie op dat het opvallend is dat de verklaringen van verdachte en La Serpe over de autohuur grotendeels overeenkomen en slechts uiteenlopen op een punt waar verdachte belang heeft om af te wijken: zijn connectie met Soerel. Verder acht het openbaar ministerie van belang dat verdachte bij een nieuwe auto voor Remmers en La Serpe kennelijk onmiddellijk dacht aan Auto [betrokkene 17], waar hij La Serpe diezelfde middag heeft geïntroduceerd en dat zowel verdachte als Soerel daar klant waren, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 17]. Ook heeft het openbaar ministerie gewezen op de verklaring van Remmers als getuige in hoger beroep dat de ruimte boven het garagebedrijf
‘een broeinest’was voor mensen als Zwolsman, Holleeder en ook hijzelf om anderen te ontmoeten en te spreken. De verklaring van Remmers sluit aan bij de verklaringen van verdachte en La Serpe.
De eerste belangrijke toets van de betrouwbaarheid van de kroongetuigen vond plaats bij de beoordeling op basis van de kluisverklaringen die door hen waren afgelegd, eerst door politieambtenaren en leden van het openbaar ministerie en vervolgens door de rechter-commissaris in het verband van de toetsing van de voorgenomen overeenkomsten met de kroongetuigen.
‘power van Holleeder’of over het
‘Osdorp eerst-moment’. Daarbij is ook van belang dat op grond van het onderzoek in het Passageproces en het onderzoek in deze zaak inmiddels een compleet beeld is verkregen van de (verbatim) inhoud van de belangrijke kluisverklaringen van La Serpe, inclusief de delen die op basis van de weglatingsafspraak aanvankelijk ontbraken. De betrouwbaarheidstoetsing kent in dat opzicht geen hindernissen meer. Van die verhoren heeft de verdediging, net als het openbaar ministerie en het hof, kennis genomen. Daarmee is het nadeel dat de verdediging pas laat vragen heeft kunnen stellen, in belangrijke mate verdwenen. De verdediging stelt dat het nadeel voor verdachte ook eruit blijkt dat La Serpe in oktober 2018 standvastig eerdere verklaringen bleef herhalen, niet omdat hij zich de gebeurtenissen herinnerde, maar omdat hij daarover al zo vaak had verklaard. Dit is een stelling van de verdediging die het hof niet onderschrijft; een getuige kan een verklaring ook herhalen omdat de getuige zich de gebeurtenissen herinnert. Het hof zal bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van La Serpe wel rekening houden met de mogelijkheid dat onderdelen van deze verklaringen in de loop der tijd een eigen leven zijn gaan leiden. Door het hof zullen verklaringen van La Serpe alleen voor het bewijs worden gebruikt waarvan het hof de betrouwbaarheid kan vaststellen, bijvoorbeeld aan de hand van de steun die daarvoor is te vinden in van die verklaringen onafhankelijke bron.
‘Holleeder-weglatingen’. De gedeelten over verdachte werden niet opgenomen in de verklaringen die aanvankelijk openbaar werden gemaakt in het Passageproces. Die afspraak en de wens om niet belastend over verdachte te hoeven verklaren, wijzen er juist op dat La Serpe niet als strategie voerde dat hij zijn eigen rol kleiner maakte door de rol van verdachte groter te maken. Ook wijst deze afspraak er op dat hij niet is gaan verklaren om wraak op verdachte te nemen.
- zich vergissen;
- belangrijke zaken vergeten of onzorgvuldig zijn, of
- belastend over verdachte verklaren om zich zo te verzekeren van de voordelen van de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsmaatregelen.
‘Osdorp-eerst’-verklaring.
‘zekerheidjes’ingebouwd, een variant van gebeurtenissen die hij eventueel zou kunnen gebruiken om zichzelf vrij te pleiten. Daarnaast had hij de afspraak gemaakt over de
‘Holleeder-weglatingen’die hiervoor al aan de orde zijn gekomen. Aanvankelijk heeft La Serpe in zijn kluisverklaringen ook niet verklaard over zijn eigen rol bij de moord op Houtman. Dat deed hij voor het eerst op 2 november 2006. Veel van de vragen over de wijze waarop La Serpe heeft verklaard, zijn opgehelderd of niet van belang voor de belastende verklaringen van La Serpe over verdachte. Een uitzondering daarop vormt het volgende.
dezelfde informatie een andere vorm heeft gegeven’. Dat klinkt uiterst dubieus. Tegelijkertijd moet die mededeling worden gezien in verband met de twijfel en onzekerheid waarin La Serpe zich bevond bij het afleggen van zijn eerste kluisverklaringen. Die twijfel en onzekerheid zijn begrijpelijk. En nog belangrijker, op 22 november 2006 heeft La Serpe recht willen zetten wat hij eerder niet correct heeft verklaard. In dit verband is van belang om precies vast te stellen wát La Serpe recht wilde zetten; op welk punt heeft hij dezelfde informatie een andere vorm gegeven? Dat is niet meteen helder geworden.
In het overleg op 22 november 2006 vertelde La Serpe dat hij tijdens het oriënterend gesprek op12 september 2006 in strijd met de waarheid had aangegeven dat hij wetenschap zou hebben over de betrokkenheid van Holleeder bij de liquidatie van Cor van Hout.
12 september 2006 heeft verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Van Hout. Maar die lezing is moeilijk te rijmen met de latere verklaringen van La Serpe, waarin hij consequent is gebleven bij de meeste elementen van zijn verklaring over de betrokkenheid van verdachte bij de moord op Van Hout, waaronder ook zijn verklaring over hetgeen hij bij een ontmoeting op Schiphol van Remmers heeft gehoord. [176]
Aan de hand van de volgende feiten heb ik de volledige overtuiging gekregen dat Willem Holleeder achter de moord op Cor van Hout zit. Aan de hand van het aanbod van 500.000 dat Jesse heeft gekregen om Cor van Hout dood te schieten, aan ‘de power van Holleeder achter mij’, het feit dat hij refereerde aan de helmen toen wij in de auto zaten met Fred Ros, het feit dat [betrokkene 20]tegen mij zei: ‘Ze hadden toch helmen op’, en waarbij zij in ieder geval over Jesse sprak, aan het feit dat ik met Jesse wegreed van Holleeder en dat Holleeder tegen mij had gezegd: ‘Je kan het beter niet met Peter R. de Vries over Cor hebben’, en dat ik zei tegen Jesse: ‘Wat een rat dat hij zijn eigen vriend dood heeft laten schieten’, en dat Jessie toen zei: ‘Het waren allang geen vrienden meer.’ Aan de hand van die voorbeelden heb ik de overtuiging gekregen dat Willem Holleeder achter de moord van Cor van Hout zit.
U houdt mij voor dat ik op 12 september 2006 zou hebben verklaard tegenover de CIE dat Jesse van Holleeder het aanbod had gekregen om Cor van Hout te liquideren.
Inhoudelijk weet ik niet meer wat ik op 12 september tegen de CIE heb gezegd. Ik kan mij wel herinneren dat ik later iets heb teruggetrokken, ik weet niet of dat op 22 november was. Toen heb ik gezegd van: ‘Hé luister, dat klopte niet.’ De reden die heb ik net proberen uit te leggen. (…) U leest de een na laatste alinea voor van pagina 2 van het proces-verbaal van De Haas tot en met de zin: ‘Voorts vertelde La Serpe op 12 september 2006 dat Jesse van Ali had gehoord dat Willem Holleeder op enig moment zou hebben aangegeven dat Van der Bijl prioriteit had.’ (…)
U vraagt mij of ik er ook achter sta dat het aanbod van Holleeder kwam.
U houdt mij voor dat is terug te lezen in het proces-verbaal van De Haas dat ik dat heb gezegd op12 september 2006 en dat ik dat heb teruggenomen op 22 november 2006. Ik denk dat er een verwarring is ontstaan, want alles wat hier staat is absoluut gebeurd. Ik weet dat ik iets heb teruggenomen, ik weet alleen niet meer wat dat was.”
G: Met een balkje voor mijn ogen. Dus ik zeg zo tegen Jesse: ‘Luister eens ... dat ga ik niet doen. Hoe kun je het in je hoofd halen.’ Snap je ? ...Je gaat toch niet verwachten dat ik met mijn kop op de camera ga? ... Dus hij heb heleboel dingen gezegd om te kijken, om mij over te halen zeg maar weetje wel en Willem heb ook nog wel wat gezegd dus ehh ... maar voor mij was dat not done. Laat ik het zo zeggen. Dus wat heb ik gedaan .... Ik maakte een opmerking, maar ze willen over Cor praten. Omdat ik wist dat Willem achter Cor zat. Dat wist ik van Jes.
G: Nee, das niet waar he... Cor van Hout klopt niet, kijk ...In het begin, in de beginfase toen ik bij jullie aan tafel zat of met eh je collega’s toen ehh .... Ik voel jullie af en eh ik gooi die lijnen niet kapot, snap je, in het praten met... dat heb ik tegen Carel en Henk gezegd en ook verteld trouwens, het praten met Carel en Henk kijk het verhaal Holleeder dat dat had ik achter me, maar ik denk eh ik wil eh hun reactie zien op het moment dat ik, snap je wat ik bedoel, omdat Holleeder de man is.Alleen heb ik Cor van Hout genoemd als zijnde dat Holleeder die genoemd heeft want das nie waar,dat was om hun reactie te peilen,toen zat ik nog in de begin, in de beginfasevan, dat was voor mezelf om af te voelen voor hoever kan ik gaan met eh over Holleeder te verklaren, snap je wat ik bedoel,dus ik heb de informatie die ik heb die heb ik achtergehouden en ehh dan heb ik eh dezelfde informatie een andere vorm gegevenom een reactie te krijgen. Begrijp je wat ik bedoel.Kijk over van Hout kan ik wel verklarenmaar of ik dat eh ehdat eh d de helmen, eh waar ze die gekocht, Jes, weetje wel ehh ..en Francis en dergelijke dus, maar toen ehh duh in het gesprek met eh ... met Holleeder in eh in Naarden in Naardenvesting en wat is dat in restaurant, toen vroeg Jes om een klus, dat dat dat is het enige wat er gebeurt is Jes vroeg om een klus. En Holleeder zei neem contact op met Dino, hij had er genoeg neem contact op met Dino, en dat is wat Holleeder zei.(…)
‘alleen heb ik Cor van Hout genoemd als zijnde dat Holleeder die genoemd heeft want das nie waar’, ‘ik zat nog in de beginfase’, en ‘
dus heb ik de informatie die ik heb achtergehouden en dezelfde informatie een andere vorm gegeven’. La Serpe zegt hier dat het niet klopt dat hij uit de mond van verdachte heeft gehoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout. Deze uitlatingen kunnen inmiddels worden beoordeeld tegen de achtergrond dat La Serpe op 12 september 2006 nog niet zover was om te verklaren over zijn betrokkenheid bij de moord op Houtman. Op 2 november 2006 heeft La Serpe voor het eerst verklaard over de ontmoeting van hem en Remmers met verdachte op het Gelderlandplein, toen Remmers en La Serpe bezig waren met de voorbereiding van de moord op Houtman, waarbij La Serpe uit de mond van verdachte hoorde:
‘als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie’. [181] Deze verklaring van 2 november 2006 bevat de informatie dat La Serpe zelf rechtstreeks uit de mond van verdachte hoorde dat hij betrokken was bij een moordopdracht aan Remmers. Dat is naar het oordeel van het hof de informatie die La Serpe op 12 september 2006 nog had achtergehouden en destijds nog een andere vorm had gegeven door te beweren dat hij uit de mond van verdachte had gehoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout. Dat La Serpe uit de mond van verdachte had gehoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout klopt dus niet, dat heeft La Serpe op 22 november 2006 rechtgezet. In het woordelijk uitgewerkte verslag van het gesprek op 22 november 2006 is niet te lezen dat La Serpe voor het overige iets heeft ingetrokken wat hij heeft gezien en gehoord over de betrokkenheid van Remmers bij de moord op Van Hout en over de rol van verdachte.
‘ongeveer drieënhalf jaar geleden’tijdens een ontmoeting op Schiphol waar Greg Remmers, die destijds in een open kamp zat, zijn dochters uit Spanje kwam ophalen. Daar hoorde La Serpe van Remmers dat Remmers van verdachte
‘een aanbod kreeg om Cor te doen’. Volgens La Serpe is hij toen met Remmers een stuk gaan lopen en vertelde Remmers hem
‘dat hij Cor aangeboden had gekregen van Willem Holleeder’en
‘dat hij contact had met Willem, daar ging hij helemaal prat op’. Volgens La Serpe vertelde Remmers hem
‘dat hij aangeboden had gekregen om Cor te liquideren voor vijfhonderdduizend Eurotjes. ...En dat dat goed voor zijn carrière zou zijn’. Bij navraag of Remmers daarbij vertelde dat de opdracht van Willem Holleeder kwam, antwoordde La Serpe
‘Ja, want daar ging hij juist prat op, zijn carrière schoot omhoog’. [182] Remmers heeft bevestigd dat hij in de periode voor de moord op Van Hout met zijn vader, die toen op verlof was vanuit detentie, diens dochters op Schiphol heeft opgehaald. [183]
‘de power van Holleeder’achter zich had. [185]
‘de power van grote mensen in de onderwereld achter zich had’en later ook tegen hem zei dat
‘hij blij was dat hij de power van Soerel en Holleeder achter zich had’. [187] Deze verklaringen van Ros wijken wat af van wat La Serpe heeft verklaard. Het hof ziet dat als een aanwijzing dat Remmers zich in deze termen uitsprak en dat zowel La Serpe als Ros hebben verklaard over wat zij zelf met Remmers hebben meegemaakt.
[bedrijf 2]. In Het Arsenaal hebben zij verdachte ontmoet. Volgens La Serpe heeft De Vries zich later bij hen gevoegd. La Serpe is niet de hele tijd bij het gesprek tussen verdachte en Remmers geweest omdat hij Remmers eerst alleen heeft gelaten met verdachte en hij later De Vries buiten het restaurant tegemoet is gelopen. [188]
‘oud barrel’. Dat was onveilig, omdat Remmers voortvluchtig was en deze auto aandacht van de politie zou kunnen trekken. Volgens La Serpe wilde verdachte niet dat Remmers in die auto bleef rijden en heeft hij in Naarden-Vesting gezegd
‘Kom ‘s avonds naar de Bijlmer, dan krijg je een nieuw autootje van me’. [193] Dit betekent dat de uitkomst van het onderzoek naar de autohuur bij Auto [betrokkene 17], de ontmoeting van verdachte met eerst Remmers en daarna La Serpe later die dag in Amsterdam op de H.J.E. Wenckebachweg, ondersteuning biedt aan de verklaring van La Serpe over de ontmoeting met verdachte in Naarden-Vesting.
‘ze (de CIE) over Cor willen praten’. Daarop zei verdachte dat La Serpe ‘
niet over Cor moest praten met De Vries’. [197] Na die ontmoeting heeft La Serpe tegen Remmers iets gezegd met de strekking dat verdachte ‘een schoft/hond was omdat hij zijn goede vriend Cor/jeugdvriend had laten doodschieten’. Remmers had daarop geantwoord dat zij
‘al een tijdje/allang geen vrienden meer waren’. [198]
“Jes vroeg om een klus. En Holleeder zei neem contact op met Dino, hij had er genoeg neem contact op met Dino, en dat is wat Holleeder zei’ (…) Jes vroeg om een klus en Willem zei (…) ga morgen maar naar Dino, weet je wel, ga maar naar Dino, weet je wel ik heb er genoeg”. [202] Toen La Serpe ter terechtzitting op
25 oktober 2011 hiernaar werd gevraagd, had hij daaraan geen herinnering; ook in latere verhoren herinnerde hij zich dat niet. [203] Dit wordt naar het oordeel van het hof afdoende verklaard door het tijdsverloop van bijna vijf jaar nadat La Serpe hierover had verklaard en bijna zeven jaar na de gebeurtenis. Dat La Serpe zich dat veel later niet meer kon herinneren, doet niet af aan de bruikbaarheid van zijn verklaring die hij op dit punt op 22 november 2006 heeft afgelegd.
‘zekerheidje’zal zijn geweest. La Serpe heeft verteld dat hij
‘zekerheidjes’had ingebouwd voor het geval hij alsnog onder de misdrijven uit zou willen komen waarover hij aan het verklaren was. Hij wilde dan kunnen aantonen dat het niet klopte wat hij had verklaard. Het gaat hier echter niet om feiten waarbij hij later aan de hand van ander objectief bewijs zou kunnen aantonen dat die feiten onjuist waren en waarmee hij zou kunnen onderbouwen dat hij in zijn kluisverklaring maar wat zou hebben gezegd.
‘dezelfde informatie een andere inhoud’heeft gegeven en waar La Serpe later op terug is gekomen. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld waarop dat betrekking had. La Serpe heeft ter terechtzitting van 11 oktober 2018 in Vandros verklaard dat hij zeker weet dat hij in zijn verklaringen geen rol voor verdachte heeft verzonnen om zijn waarde als kroongetuige te vergroten. [204] Die stelling wordt ondersteund door de gang van zaken rond de weglatingsafspraak. La Serpe wilde juist niet dat zijn verklaringen over verdachte naar buiten zouden komen en een rol zouden spelen in een strafzaak.
hijheeft er genoeg’, of ‘ga maar naar Dino,
ikheb er genoeg’. De verdediging stelt zich op het standpunt dat onduidelijk en niet toetsbaar is wat La Serpe heeft verklaard. Het hof volgt de verdediging daarin niet. Het hof begrijpt de letterlijke weergave van de mededeling van verdachte aan Remmers zo, dat verdachte daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat hij, verdachte, genoeg liquidatieklussen had en dat Remmers zich daarvoor op de volgende dag maar bij Soerel moest melden. Het woord
‘hij’in dat citaat kan inderdaad worden begrepen als Soerel, maar ook als verdachte. Iets later herhaalt La Serpe deze uitlating van verdachte. Willem zei ‘ga maar naar Dino, weet je wel
ikheb er genoeg’. Uit die herhaling wordt duidelijk dat La Serpe heeft verklaard dat verdachte had gezegd dat hijzelf er genoeg had. Het hof ziet dan ook geen verschil in de betekenis van deze verklaringen. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat, ook als verdachte tegen Remmers zou hebben gezegd dat hij maar naar Soerel moest gaan omdat Soerel genoeg liquidatieklussen had, dit belastend voor verdachte is. Uit die uitspraak van verdachte blijkt ook dan immers dat Soerel en verdachte samenwerkten bij het geven van moordopdrachten aan Remmers. Remmers kiest verdachte uit om te vragen naar een moordopdracht, terwijl verdachte daar niet afwijzend op reageerde, maar Remmers adviseerde dat aan Soerel te vragen van wie verdachte wist dat hij er nog genoeg had.
La Serpe had bij zijn nadere verhoren geen herinnering meer aan deze precieze gebeurtenis. Dit neemt niet weg dat er wel nader onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de context waarin deze uitlating is gedaan, ook aan de hand van nadere vragen aan La Serpe.
[bedrijf 2]gezien waarin Remmers en La Serpe toen reden. Verdachte heeft hen aangeboden een andere auto te regelen want, zo heeft La Serpe bij de rechtbank verklaard, verdachte
‘wilde niet dat Remmers in die auto bleef rijden vanwege veiligheid’. Daarmee werd bedoeld, zo begrijpt het hof, dat Remmers gevaar liep om op de radar van de politie te komen. [205] Later diezelfde dag is La Serpe op aanwijzing van verdachte met hem meegegaan naar een autoverhuurbedrijf op de H.J.E. Wenckebachweg te Amsterdam, Auto [betrokkene 17], en heeft verdachte geholpen bij het huren van een andere auto. Volgens La Serpe heeft verdachte bij het afscheid tegen La Serpe gezegd dat als zij een nieuwe auto wilden, zij naar ‘Dino’ (Soerel) moesten gaan. [206]
‘alleen van gedag zeggen’, en die hem wenkte en vroeg waar hij een auto kon huren met contant geld, waarop verdachte zijn hulp zou hebben aangeboden, gewoon
‘omdat hij vaak dingen doet voor mensen zonder er iets voor terug te vragen’.Verdachte zat daarbij volgens zijn verklaring op een scooter en Remmers zat volgens verdachte in een auto. Verdachte heeft gezien dat er iemand naast Remmers in de auto zat, maar heeft niet gezien wie dat was. Hij kende Hans Nijman destijds goed. Verdachte zou hebben gezegd dat hij een auto voor ze kon regelen, maar dat hij dan wel een rijbewijs nodig had. Volgens verdachte zou Remmers terugkomen, maar kwam vervolgens La Serpe. Verdachte heeft La Serpe naar Auto [betrokkene 17] gebracht en [betrokkene 17] heeft het daar verder afgehandeld. [207]
[bedrijf 2], omdat hij voor het huren daarvan geen creditcard nodig had. Volgens Remmers zou Nijman gaan kijken of hij een huurauto kon regelen zonder dat daarvoor een creditcard nodig was. Onderweg van Naarden-Vesting naar Amsterdam had Remmers hierover contact met Nijman. Nijman heeft Remmers in de Van Woustraat opgehaald en is met Remmers naar de Wenckebachweg gereden. Nijman ging iets proberen te regelen en ging buiten de auto druk bellen met iemand. Op dat moment zag Remmers dat verdachte aan kwam rijden op zijn scooter.
‘Verdachte liep naar Nijman toe’, althans
‘Nijman liep naar verdachte toe’en Remmers liep ook naar hen toe. Toen vroeg Nijman aan verdachte of verdachte iets kon regelen zonder een creditcard. La Serpe was er toen niet bij, die zat Italiaans te eten in de Van Woustraat. Verdachte zei dat hij dat wel kon regelen. Nijman wilde de auto niet op zijn naam huren en Remmers had geen legitimatie bij zich. Toen heeft Nijman Remmers weer naar de Van Woustraat gebracht en daar zei Remmers tegen La Serpe dat hij naar die plek moest gaan en dat verdachte dat voor hem kon regelen. La Serpe is daar naar toe gegaan en even later zag Remmers La Serpe met die auto, aldus Remmers. [208]
‘naar Dino gaan’zou zijn gedaan, aannemelijker lijkt. [betrokkene 17] heeft immers verklaard dat auto’s niet klaarstonden, tenzij ze van tevoren waren besteld. Als die auto niet klaarstond, ligt het niet voor de hand dat verdachte dat had afgewacht, zijn aanwezigheid was immers verder niet meer nodig. Dat de auto niet van te voren was besteld, is volgens de verdediging niet aannemelijk omdat de naam van La Serpe ontbreekt. Anders dan de verdediging kennelijk meent, bestaan er wel degelijk aanwijzingen dat de auto van tevoren is besteld en klaargezet. Er is immers een eerste huurcontract opgemaakt met de opmerking
‘naam volgt nog’bij het vakje waar op een tweede huurcontact de naam en adresgegevens van La Serpe zijn ingevuld. [211]
‘Het klopt zeker dat ik dingen in beschuldigende zin heb achtergehouden over Holleeder. Dat geldt dus ook voor het aanwijsverhaal’. [215] Ook ter terechtzitting van de rechtbank van 9 oktober 2018 is La Serpe bij zijn verklaring gebleven over het aanwijzen van een slachtoffer door verdachte in het café van Van der Bijl en denkt hij dat het om Van der Bijl ging. [216] Die gedachte wordt overigens ondersteund door de verklaring van La Serpe dat hij enkele dagen na het verzoek van Remmers in De Hallen sigaretten heeft gekocht om het uiterlijk van Van der Bijl te bekijken. Dit gebeurde in de fase waarin La Serpe met Remmers bezig was met de moord op Van der Bijl en waarin Houtman al was vermoord.
‘Als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie’. [220]
‘eerst Osdorp’. Hij bedoelde daarmee Kees Houtman, want daar waren wij mee bezig’. [221] Ter terechtzitting van 28 november 2011 heeft La Serpe opnieuw over deze ontmoeting verklaard. Die verklaring houdt in dat verdachte tegen Remmers heeft gezegd:
‘Ik hoorde hem zeggen: ‘Osdorp eerst.’ (…) U vraagt mij naar de zin: ‘Als deze goed gaat heb ik nog een andere voor jullie.’ Daar heb ik geen herinnering aan’. [222] Ook later is La Serpe gebleven bij zijn verklaring over de ontmoeting op het Gelderlandplein en heeft hij ook eraan vastgehouden dat door verdachte daarbij is gezegd:
‘Osdorp eerst’. [223]
‘Osdorp eerst’, dan wel
‘als deze goed gaat heb ik er nog een voor jullie’. In beide gevallen kan uit de mededeling die La Serpe rechtstreeks uit de mond van verdachte heeft gehoord, worden afgeleid dat verdachte weet waar Remmers en La Serpe op dat moment mee bezig zijn, namelijk de moord op Houtman en dat er nog meer moordopdrachten uit de koker van verdachte klaarliggen. De verklaring van La Serpe over de betrokkenheid van verdachte als opdrachtgever van de moord op Houtman en Van der Bijl wordt ook ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het hof is dan ook van oordeel dat ook deze verklaring van La Serpe bruikbaar is voor het bewijs.
25 november 2021. Mr. Plasman was aanvankelijk de raadsman van Ros toen Ros naar voren trad als kroongetuige in het Passageproces. Volgens de interpretatie van de verdediging zegt mr. Plasman in dat televisieprogramma dat Ros als kroongetuige heeft gelogen over de motor die is gebruikt bij de moord op Van Hout. In de pleitnota is een uitwerking opgenomen van de mededelingen van mr. Plasman en die van zijn gesprekspartners. Deze luidt als volgt:
‘die pak ik, die maak ik af’.
‘Hingst, Thomas en Kees’en over
‘drie, vier man die er binnenkort aan gingen’en wist hij pas na het bekend worden van de moorden, wie er precies waren bedoeld. [240] Dat het over deze moorden ging wat getuige Q5 in de Baja Beach Club had opgevangen van verdachte, Soerel en Akgün, werd voor hem bevestigd door de informatie die hij kreeg van de persoon uit de omgeving Soerel die rechtstreeks met Soerel in contact stond. Deze informatie hield in dat verdachte en Soerel problemen hadden met Houtman, Van der Bijl, Mieremet en Hingst en dat de conflicten zo hoog waren opgelopen dat verdachte en Soerel besloten hadden om deze mensen om het leven te brengen. [241]
‘Eerst kwam Houtman en de dag erna Mieremet. Die kwamen kort na elkaar. Kort daarvoor was er al iemand geliquideerd (het hof begrijpt: Hingst). Na die liquidatie heeft Willem gezegd dat er nu heel snel achter elkaar meer zouden gaan.’ [243]
‘als ik een leuk meissie zie en ik denk dat wordt wat vanavond, dan zeg ik “die gaat eraan, die pak ik”. Misschien is Q5 een leuk meissie tegen wie ik dat gezegd heb’. [244]
‘die maak ik af’in zijn versie van de gebeurtenissen niet wordt verklaard. De lezing van verdachte is onverenigbaar met de consistente en gedetailleerde verklaringen van getuige Q5 waarvoor er wel in aanzienlijke mate steun kan worden gevonden in andere bronnen die onafhankelijk bestaan van zijn verklaringen.
‘die pak ik’en
‘die maak ik af’) en op zijn verklaring over de achtergrond van de moorden in de conflicten die verdachte en Soerel met de slachtoffers hadden en het besluit dat verdachte en Soerel daarom hadden genomen. Dat verdachte als opdrachtgever een rol heeft gespeeld bij de moorden op Houtman, Van der Bijl en Mieremet blijkt ook uit van de verklaringen van getuige Q5 onafhankelijke bewijsmiddelen. Het hof zal dat nog bespreken in de hoofdstukken die op die strafbare feiten betrekking hebben.
3.Opnamen
‘om de boel te manipuleren’de opnamen niet in één keer heeft verstrekt en deze niet van een precieze datering heeft voorzien. Ook heeft verdachte gesteld dat Astrid Holleeder haar rol als intermediair tussen Sonja Holleeder en verdachte heeft misbruikt om verdachte boos te maken, waardoor hij is gaan dreigen. Aan deze stellingen zijn geen conclusies verbonden met betrekking tot de authenticiteit of betrouwbaarheid van hetgeen op de opnamen te horen is. Verdachte kan worden toegegeven dat in opname 15 niet te horen is dat Astrid Holleeder zijn dreigementen doorgeeft aan Sonja Holleeder, zoals hij Astrid Holleeder had opgedragen. Ook is niet te horen dat Sonja Holleeder in antwoord op die dreigementen gezegd zou hebben wat Astrid Holleeder vervolgens aan verdachte als het antwoord van Sonja Holleeder heeft doorgegeven. Ter terechtzitting van 28 juni 2021 is dit aan de orde geweest. [248] Ook hiervoor geldt echter dat verdachte de controle had over wat hijzelf vervolgens zei, terwijl wat hij heeft gezegd niet wezenlijk afwijkt van de rest van deze opname. In de fase van het pleidooi is op deze stellingen van verdachte niet teruggekomen.
(1) die aantonen hoezeer verdachte enerzijds zijn zussen in vertrouwen nam en anderzijds vreesde dat met name Sonja Holleeder dit vertrouwen zou beschamen, waarbij verdachte ook laat weten dat de dood volgt als iemand met de politie praat;
(2) die indringend de realiteit aantonen van het motief dat Astrid en Sonja Holleeder hebben genoemd om belastend over verdachte te gaan verklaren, namelijk zijn doodsbedreigingen, en
(3) waarin verdachte zich profileert als iemand die verantwoordelijk is voor gepleegde moorden, dreigt met nieuwe moorden met het oog op zijn eigen (financiële) belangen en suggereert deze moorden vlot te kunnen regelen.
Als ik haar vanavond tegen kom, dan sla ik haar echt het ziekenhuis in’, gevolgd door ‘
Endstra heb me ook willen pikken’, waarop Astrid Holleeder zei: ‘
Ja weet ik, precies hetzelfde’. [256] Deze woorden die Astrid Holleeder uitspreekt
‘ja weet ik, precies hetzelfde’veroorzaken vervolgens geen enkele rimpeling in het gesprek. Dit wijst erop dat sprake is van gedeelde kennis over het verleden van verdachte. Anders gezegd: zij weten allebei wat er is gebeurd waardoor het niet nodig is iets verder uit te leggen. In dit geval gaat het om kennis die verdachte en Astrid Holleeder delen dat verdachte met het toebrengen van fysiek leed reageert als hij meent financieel te zijn benadeeld. Dat verdachte en Astrid Holleeder beschikken over gedeelde kennis, blijkt ook uit het feit dat in verschillende gesprekken door verdachte wordt verwezen naar gepleegde moorden, en uit de beknopte en indirecte manier waarop hij dat doet. [257]
had ruzie met jou, hij wist dat, wat er aan de hand was.
hij had ruzie met jou, hij wist wat er aan de hand was’. En dat dát is waarover Sonja Holleeder van de met stemverheffing sprekende verdachte direct moet ophouden. Verdachte heeft verklaard dat Sonja Holleeder hier van hem moest ophouden met liegen. ‘
Ze ging weer liegen over de verkoop van De Achterdam. Het was ook een leugen, dat Van Hout wist wat er gebeurde’, maar ‘
hier doel ik niet op de ruzie met Van Hout, maar op dat gezeik met De Achterdam’. [263] Die verklaring acht het hof niet aannemelijk, ook omdat later in dit opgenomen gesprek verdachte terugkomt op de gang van zaken rond de verkoop van De Achterdam; [264] dat was dus geen onderwerp dat verdachte met klem wilde vermijden. Ook in opname 15B komt naar voren dat de gedachte dat Sonja Holleeder met de politie praat over Van Hout op verdachte uitwerkt als een rode lap op een stier. Dit gesprek zal hierna nog worden geciteerd. Als zij over Van Hout praat met de politie ‘
moet’ verdachte ‘
dat gewoon oplossen, meteen!’, daarmee bedoelde hij: haar laten doodmaken, zoals bij de bespreking van opname 15B is toegelicht.
A: Dat snap ik wel, maar daar ga je het niet mee redden. Dus wat hij nu doet, is eigenlijk zeggen: ja, maar hij vertelt niet de hele waarheid. De hele waarheid is dit.
‘niet snapt’,
‘niet kan plaatsen’en
‘echt niet zou weten’waar dat over gaat. [266] Omdat verdachte geen andere logische uitleg heeft kunnen geven en een andere uitleg ook niet voor de hand ligt, gaat het hof er vanuit, gelet op de context en het gespreksverloop, dat verdachte Astrid Holleeder hier onderbrak om te voorkomen dat zij door hardop te spreken informatie zou prijsgeven die voor verdachte belastend is.
‘niet zou weten waar dat over gaat’. [271] Het hof heeft mede daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring van Astrid Holleeder. Daarbij speelt ook een rol dat, zoals hierna nog zal worden toegelicht, de juistheid vast is komen te staan van de aantekening die behoort bij dezelfde notities, dat verdachte heeft gezegd dat hij De Vries zou
‘doodschieten’waarbij hij gezegd zou hebben
‘die kan er ook nog wel bij’.
‘langs zou komme’/
‘er an zou komme’, zoals besproken in hoofdstuk 6 met de bewijsmotivering in het zaaksdossier Viool.
‘jongen niet paranoia worden’. [272] In de hierna in paragraaf 3.2 geciteerde opnamen, toont hij zich echter zo onzeker over Sonja Holleeders blijvende loyaliteit én is hij kennelijk zo bevreesd over wat zij de autoriteiten over hem kan vertellen, dat hij mede daarin aanleiding ziet zijn zus en haar kinderen op indringende wijze herhaaldelijk met de dood te bedreigen.
‘op praten met de politie staat de doodstraf’, zo verklaart hij bondig. [275]
‘als hij door haar één dag binnen zit. Die twee gaan het eerst!’. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij de kinderen van Sonja Holleeder bedoelde. [276] In de hierna ook geciteerde opname 15B zegt verdachte dat hij het
‘meteen gaat oplossen’als hij zou merken dat
‘Sonja bij de politie over Cor praat’. Oplossen betekent ook hier: doodschieten. Kennelijk weet verdachte dat Sonja zeer belastend over hem kan verklaren.
‘erin te leggen’, waarin zij Sonja Holleeder en Den Hartog heeft meegekregen en waaraan diverse, ook financiële, belangen ten grondslag liggen. Door haar ervaring als advocaat is dat gemakkelijk voor haar. Hiervoor is in hoofdstuk 2 al uitgelegd dat die financiële motieven niet aannemelijk zijn geworden. Zelf hebben deze getuigen als een van de belangrijkste motieven om over verdachte te gaan verklaren gewezen op de toenemende dreiging die van verdachte uitging. Die dreiging was met name gericht tegen Sonja Holleeder en haar kinderen en tegen De Vries. Maar ook Den Hartog vreesde voor haar zoon. Zij wilden voorkomen dat er nieuwe slachtoffers zouden vallen. Dit motief dat door de getuigen is genoemd wordt door verdachte in de opnamen letterlijk schreeuwend van steun voorzien. De dreiging die van verdachte uitging naar Sonja Holleeder, haar kinderen en De Vries, komt in de opnamen indringend naar voren. Delen van die opnamen worden hieronder weergegeven.
A: Heb je ruzie met Sonja?
gebeld (…) Want hij voelt zich bedreigd. (…) Ik ben gisteren naar hem toegegaan. (…) Om te zeggen, luister, jij gaat mijn personage niet gebruiken, jij gaat mijn naam niet noemen in die film, dat ga je der uit halen en als je dat niet doet, zal je zien wat ik met je doe. Ze wijf was der bij. Hij zegt: ik voel me bedreigd. Ik zeg: ja, ik dreig niet, ik doe gewoon wat ik zeg. Ik ben klaar met jou. Jij gaat mijn naam der uit halen, mijn personage. Ik ga die film verkankeren. Ik ben er helemaal klaar mee. Het hele spelletje van Sonja ben ik zo spuugzat.
‘dan schiet ik hem gewoon dood, die ken d’r ook nog wel bij, ik heb genoeg gedaan in mijn leven, ze gaan net zo makkelijk alle twee ook’roepen de vraag op of er dan ook anderen zijn doodgeschoten waar verdachte bij betrokken was. Op de vraag wat hij hiermee bedoelde, heeft verdachte geantwoord:
‘Dat zou ik niet weten, op dat moment zeg ik gewoon wat’, het is
‘instrumenteel dreigen’. [278] Voor zover hij daarmee bedoelt dat hij dreigt met sterke verhalen, acht het hof dat niet aannemelijk. Met wat verdachte zegt om zijn bedreiging met het doodschieten van De Vries kracht bij te zetten, suggereert verdachte onmiskenbaar dat hij voor eerdere moorden verantwoordelijk is en dat de moorden op De Vries en Sonja Holleeder daar gemakkelijk bij kunnen. Daarbij valt ook op dat verdachte in dit verband opmerkt dat hij
‘er niet mee kan leven’wat Sonja Holleeder en De Vries hem hebben aangedaan. Die ‘motivering’ door verdachte komt terug in meerdere opnamen waarin hij doodsbedreigingen uit, die hierna nog besproken zullen worden.
Vrijdagochtend: (...) Schiet hem dood. Die kan er ook nog wel bij”. U houdt mij voor dat Astrid zegt dat ze dat op heeft geschreven omdat ik dat gezegd zou hebben.
Schiet hem dood. Die kan er ook nog wel bij”. Ja, maar dat is niet zo. (…) U houdt mij voor dat Astrid hierover heeft verklaard: “Ik weet wat hij bedoelt, want hij heeft al zoveel mensen dood laten schieten”.
Vrijdagmiddag: Weet dat hij aangifte heeft gedaan. Probleem met VI. Als ik moet zitten, dan gaat hij als ik vast zit net als met Thomas —> niet opgenomen’.
‘doodschieten’en het
‘er ook nog wel bij kunnen’. Dit was voor verdachte een belangrijk voorbeeld voor zijn stelling van verdachte dat Astrid Holleeder hem veroordeeld probeert te krijgen door zelf vals bewijs te fabriceren. Inmiddels is gebleken dat het wel klopt wat Astrid Holleeder daarover heeft verteld.
W: Kijk, als ik door hem 3 jaar...kijk dan ken ie wel zeggen, het is je eigen schuld, dan had je het niet moeten doen. ..maar ik ga niet er vanuit dat jij naar de politie gaat. (…) Kijk wat hij wil allemaal, hij ken het krijgen zoals ie wil. Het is niet in mijn handen nu. Maar het kan niet zo zijn, dat ik gewoon....want kijk hij zegt wel sorry, en ik ga lekker door.. Dat is natuurlijk
‘dan gaan ik gewoon gas geven, dan regel ik het even vanavond nog voor hem’heeft bedoeld dat hij De Vries die avond nog
‘in elkaar zou trappen’ [280] of een
‘pak slaag zou geven’. [281] Die uitleg acht het hof onaannemelijk. Gelet op de overige uitlatingen van verdachte gaat het hof er vanuit dat hij met deze uitlatingen heeft bedoeld dat hij die avond nog zou regelen dat De Vries om het leven zou worden gebracht. Verdachte had drie dagen daarvoor in opname 1 namelijk al gezegd dat hij De Vries dood zal schieten en zegt in de hiernavolgende opname 28 van eveneens 29 april 2013 ook dat hij het van De Vries niet gaat pikken en dan liever levenslang zit. Levenslange gevangenisstraf wordt voor een mishandeling niet opgelegd, voor een moord kan dat wel. De bewoordingen
‘dan regel ik het even vanavond nog voor hem’passen beter bij het regelen van een moord die door anderen wordt gepleegd dan bij een pak slaag dat verdachte zelf gaat uitdelen. Deze woorden sluiten ook aan bij de verklaring en de aantekeningen van Astrid Holleeder dat verdachte de vergelijking heeft gemaakt met de gang van zaken bij de moord op Van der Bijl, die verdachte van te voren had
‘geregeld’. De uitlating van verdachte is ook van betekenis, omdat verdachte hiermee ook zegt dat hij in de positie is om
‘vanavond nog’te kunnen regelen dat De Vries vermoord zal worden.
W: Ja dat heb [advocaat 2] uitgezocht. Valt onder de nieuwe wet, zo simpel is het. Die VI (…)
Het is gewoon een kankerstreek is het.. (…) Kijk As, hij speelt een spel. Hij ken toch gewoon zijn mond houden. (…)
Ik ben er kotsmisselijk van. As, ik ben er kotsmisselijk van. Ik heb gewoon drie jaar boven mijn hoofd. Kijk die kinderen lopen, en [betrokkene 15]. Voor die vieze kankerhond, omdat ie gewoon aangifte doet. Omdat ik gewoon kwaad ben, dan ken je toch de volgende dag komen praten of niet. En dat is het probleem Assie. (…) Dat is het probleem (…) drie jaar, kennen ze weer op bezoek komen. Vieze hond. Astrid, ik zal je zeggen, ik ken niks anders doen, dan wat ik moet doen hè. En dat gaan ik ook doen (minuut 7.29 fluistert:) As, drie jaar....ik moet wel...
W: Ja maar Assie, wat nou Cor zijn boek.
zal je zien wat ik met haar doe’, ‘zal ik een klap in het donker uitdelen’, ‘dan krijgt ze hem’, ‘zal je zien wat er gaat gebeuren’en
‘ze krijgt verdriet’en
‘die twee gaan het eerst’,waarbij hij in hetzelfde verband ook zegt dat
‘hij er niet mee kan leven’.Op grond van de inhoud van dit gesprek en het gespreksverloop stelt het hof vast dat verdachte met al die bewoordingen steeds bedoelt dat hij Sonja Holleeder of anderen om het leven zal brengen. Dit wordt ook ondersteund door de hierna weergegeven opname 32 van 26 december 2013 waarin verdachte zegt dat De Vries
‘de kogel krijgt’. Uit dat gesprek blijkt dat verdachte dit bedoelt met
‘hem krijgen’, dat hij de kogel krijgt. Ook vindt dat steun in de verklaring van verdachte dat hij met
‘die twee gaan het eerst’de kinderen van Sonja Holleeder bedoelde en dat hij heeft gedreigd hen te doden, zoals hierna ook blijkt.
W: (…) als ik er achter kom, dat ze met Peter een spelletje heb gespeeld met geld, zal je zien wat ik met der doe. (…) Zij speelt met die Peter een spelletje. Geloof me nou maar. As, ik ben niet gek (…) Ze denken dat ze slim zijn met dat geld. Daar komt een ellende van, dat wil jij niet weten. Ik zal je zeggen, dan heb niemand er wat an. (…) Dat garandeer ik jou. (…) Mag je der ook gaan zeggen vanavond (…) als ik val met die brommer. In het slechte weer (...) Dat zij daar spijt van krijgt dat ik een van de kinderen dood schiet. Ik ben der hélemaal klaar mee. (…) Vuile, vieze hoer. Viezerik. (…) Zij heb helemaal geen recht gehad om deal te sluiten met justitie. (…) Want omdat jullie een, zullie hebben een deal gesloten met justitie. (…) Heb je mijn gewoon zwart gemaakt hè?
.”
‘ook wou dat Cor eraan ging’. Dat geldt ook voor de opmerkingen van verdachte dat Sonja Holleeder
‘het zonder zijn toestemming heeft verkocht, want ze was bang natuurlijk dat ik er an zou komme, want zij denkt dat ze overal recht op heb, maar ze heb recht op niks’.
W: (fluistert) Je moet tegen haar zeggen, als ze praat over die Cor hè…
dan moet oplossen, meteen’. [284] Later heeft verdachte verklaard dat hij met de zin
‘Ik kan er niet mee kan leven als ik het niet doet’, bedoelde dat hij Meijer en Boellaard op Sonja Holleeder ging afsturen. Nadat hem is voorgehouden dat hij Meijer en Boellaard in opname 32 koppelt aan doodschieten, heeft verdachte erkend dat dat een dreigement was. [285] Dat sluit aan bij de verklaring van Astrid Holleeder, dat
‘oplossen’hier doodschieten betekent:
Een probleem oplossen is liquideren. (…) hij neemt alleen mij in vertrouwen. En het grootste deel fluistert hij ook dus op het moment dat hij zegt: “Als ze praat over Cor..." dan gaat hij dichtbij mij staan, en dan gaat hij in mijn oor fluisteren, (fluisterstem) "Als ze praat over COR, dan heb ze echt een probleem." (…) Hij houdt rekening met afluisterapparatuur, richtmicrofoon. Hij houdt overal rekening mee. Dus hij gaat dat soort dingen die erop wijzen dat hij met Cor te maken heeft, gaat hij niet hard op zeggen.” [286]
Als Willem zegt: “je weet hoe ik ben, hier kan ik niet mee leven”, dan bedoelt hij dat hij
‘daar ellende mee krijgt’. Ook hier gebruikt verdachte bij zijn aankondiging
‘dat de tijd nog komt dat Sonja Holleeder hiervoor gaat betalen’de woorden die hij eerder in het kader van doodsbedreigingen heeft geuit dat hij er ‘niet mee kan leven’. Verdachte voegt daar nog aan toe:
‘je weet hoe ik ben hè’?
W: Als ik mijn geld niet krijg, dan is dat het laatste, is dat het laatste wat ze in de rest van haar leven gedaan heb. (30:25)(…) Neem van mij 1 ding aan As, doe je capuchon op... op mijn hart, dat als Sonja met mijn geld gaat kloten, dat ik haar dan a la minute doodschiet! (30:38) A la minute! A la minute!!
‘het moet niet zo zijn, dat ik met haar koffie zit te drinken dat ik met haar voor de gezelligheid mee ga’. Zij heeft daarover verklaard dat zij daarmee tegen verdachte zei dat zij er niet naast wilde staan als Sonja Holleeder doodgeschoten zou worden. [289] Met die vraag laat Astrid Holleeder aan verdachte blijken dat zij daadwerkelijk rekening houdt met de mogelijkheid van een op handen zijnde moordpoging. Opvallend is dat verdachte in zijn antwoord daarop alleen Astrid Holleeder gerust probeert te stellen
‘daar hoef jij je geen zorgen over te maken’, maar dat hij
‘niks ken beloven voor de rest’,
‘want er komt altijd een vervolg op’en
‘als je me op je af ziet stormen met dat ding, dan weet je, het is klaar’. Voor het hof bevestigt deze opname de ernst en het acute karakter van de dreiging die Astrid Holleeder heeft ervaren.
W: (…) Want ik had de film nooit goed gekeurd. (…) doordat jij bepaalde goedkeuringen hebt gegeven aan dingen, heeft hij zijn spel kennen spelen. (…) ik ben toen bij hen aan de deur geweest. Volgende keer kom ik niet bij hem aan de deur. Zal je zien wat er met hem gebeurt. Ik laat me door niemand in de maling nemen. Ook niet door hem (…) Heb je je telefoon bij je?
Cor had al 2 jaar ruzie met Thomas.
Ga maar naar mijn zussie, ga maar d'r maar heen, en schiet ze maar dood. Klaar!! Ik ben er klaar mee. Oké! Ik ga jullie niet meer beschermen!! Jullie hebben van mij geen bescherming meer, klaar!! Je zal zien wat er gaat gebeuren. Want die Meijer en Boellaard komen straks om het te halen!
‘klaar bets boem, niets meer, wegwezen’zou slaan op klappen geven, zoals verdachte heeft verklaard. [291] Verdachte heeft ook in eerdere gesprekken doodsbedreigingen geuit richting De Vries en in dit gesprek zegt hij ook kort hierna dat De Vries
‘de kogel verdient’.De manier waarop verdachte zich uit, wijst erop dat het leven van Sonja Holleeder aan een zijden draadje hangt.
‘zomaar wat zei’, zoals hij heeft verklaard. Verdachte heeft verklaard dat het dreigen dat in de opnames te horen is
‘instrumenteel dreigen’is. Het hof begrijpt dat verdachte daarmee bedoelt dat hij bij zijn dreigementen woorden kiest waarvan hij hoopt dat ze effect zullen hebben, maar dat de inhoud vrij willekeurig is gekozen, dat hij ook niet van plan was die dreigementen uit te voeren en dat ook nooit heeft gedaan. Waarom verdachte specifiek gedreigd heeft op de wijze zoals die hiervoor naar voren is gekomen, heeft verdachte verder niet kunnen uitleggen. [292]
opname 24: ‘neem van mij 1 ding aan As, dat als Sonja met mijn geld gaat kloten, dat ik haar dan a la minute doodschiet’;
opname 32: ‘niemand neemt mij zonder consequenties in de maling. Weet je wat ie verdient? De kogel! Misschien ga ik dat wel tegen die Boellaard zeggen, geen geld goed, dan schieten we hem dood.’)
opname 29A: ‘ga óók maar naar de politie, dan schiet ik (zoon Sonja) als eerste dood! als ik door hun één dag hoef te zitten, dan zal je zien wat er gaat gebeuren’;
opname 15B: ‘als ze praat over die Cor hè, heb ze een probleem hoor, dan moet ik dat gewoon oplossen, meteen! De tijd komt nog, zij gaat hiervoor betalen’;
opname 32: ‘kijk die Meijer en die Boellaard begrijp ik toch niet, want ik had hem toch allang doodgeschoten. Hij heb Meijer ook al verraaien.’)
opname 15: ‘zeg dat maar, gaat zij der ook an met die hele kankerzooi van der’;
opname 32: ‘je weet hoe ik ben hè? Voordat je het weet ligt hij op de grond hè? KLAAR! BETS, BOEM! Niets meer!’, ‘Ik dreig niet!’)
opname 32: ‘weet je wat ie verdient? De kogel! Misschien ga ik dat wel tegen die Boellaard zeggen, geen geld goed, dan schieten we hem dood. Klaar!’;
opname 24: ‘het gaat niet gebeuren’ dat Astrid Holleeder met Sonja Holleder koffie zit te drinken en dan ook wordt doodgeschoten, daar hoeft Astrid Holleeder zich ‘geen zorgen over te maken’, ‘Alleen, ik ken niks beloven voor de rest’).
‘weten hoe hij is’. Verdachte benadrukt daarmee dat hij niet maar wat zegt (ik dreig niet), maar iemand is die als hij daartoe aanleiding ziet mensen daadwerkelijk doodmaakt (ik waarschuw). Opvallend is ook dat zijn zussen bevestigen hem zo te kennen, en dat dit gezien het verloop van het gesprek als vanzelfsprekend wordt aanvaard.
opname 15B: ‘zij gaat hiervoor betalen’, ‘je weet hoe ik ben hè?’, ‘ken ik niet mee leven’; opname 32: ‘je weet hoe ik ben hè? voordat je het weet ligt hij op de grond hè?’, ‘niemand neemt mij zonder consequenties in de maling’, ‘Ik dreig niet!’ – S: Nee, ik weet dat je het doet, ik weet het – ‘ik zeg gewoon waar je voor uit moet kijken’, ‘Hij weet toch wat we met hem doen dan, of niet?’ ‘die hebben genoeg op mensen geschoten, hoor!’, ‘Als je een film maakt over de maffia gaat ook niet hè?’, ‘Ik ben geen dom blondje die je kan naaien!’ ‘Dat ze toch moeten weten, dat ik eh... Toch rigoureus kan zijn als het me niet bevalt’ (…) Ik begrijp het van Peter niet, dat ie zo dwaas is, ik begrijp het niet van jou dat je zo dwaas bent.’, ‘als je me zusje niet was geweest, dan was het allang over geweest’, ‘had je hier nu niet gestaan’.)
‘gewoon om te kijken wat ze zal zeggen’. [293]
‘dat zij toch weten hoe hij is’om het dreigen met dood (laten) schieten kracht bij te zetten, als zij inderdaad weten dat verdachte iemand is die anderen doodmaakt als hij daartoe aanleiding ziet.
‘maar wat zegt’, maar dat zijn uitspraken in deze gesprekken zicht geven op wat hij daadwerkelijk heeft gedaan en waartoe hij in staat is. Dit draagt bij aan het bewijs, omdat verdachte in deze gesprekken beschrijvingen geeft van zichzelf, zijn mentaliteit en zijn gedrag. Die beschrijvingen sluiten aan bij de aard van de strafbare feiten waarvan hij wordt beschuldigd en ondersteunen de getuigenverklaringen over de achtergronden van zijn betrokkenheid bij die feiten.
4.Achtergronden
Het is volgens de verdediging aannemelijk dat Klepper en Mieremet verantwoordelijk waren voor de eerste aanslag op het leven van Van Hout. Ook Van Hout ging ervan uit dat Klepper en Mieremet daarvoor verantwoordelijk waren.
Ook Magdi Barsoum (hierna ook: Barsoum) heeft verteld over het conflict tussen Jocic en Klepper en heeft ervoor gewaarschuwd dat dit conflict zou escaleren. Het conflict heeft er uiteindelijk toe geleid dat Jocic na de moord op Klepper een hoge boete aan Mieremet heeft opgelegd. Meerdere getuigen verklaren over deze boete en over de onderhandelingen daarover. Dit wordt ook ondersteund door opgenomen telefoongesprekken.
De verdediging vindt op basis van de dossierstukken aannemelijk geworden dat slechts een gedeelte van deze boete bij Jocic terecht is gekomen en een deel niet. Wat de rol van Kostovski als tussenpersoon is geweest, is niet meer vast te stellen, maar voldoende aannemelijk is dat Hillis een aanzienlijk deel daarvan heeft genomen. Jocic is daarover boos geworden.
‘Johnny’wordt genoemd, zegt tegen Barsoum dat hij al een tijdje met
‘Stanley’in onderhandeling is om het met die mensen op te lossen. [299] In dit telefoongesprek zegt Mieremet dus tegen Barsoum dat hij met Hillis in onderhandeling is om het met de andere kant op te lossen.
‘codicil’genoemd. In deze aantekeningen staat:
‘Mier 11 mln d mark betaald via mij aan Dino en Ouwe’. [307] Het hof begrijpt deze aantekening zo dat verdachte hier heeft opgeschreven dat Mieremet 11 miljoen Duitse marken via verdachte heeft betaald aan Soerel en Hillis.
“Man with glasses say hello for me to some friend. Hith health is oké again. But people still trying to put him to the next world. I Think I go to talk to him. (..) What I understand is that fatfuck from Sarajevo played double against glasses + vastgoedkidnapper also. They really played very dirty game and they put the blame for everything on you. But glasses knows everything.” [311]
‘man with glasses’Mieremet wordt bedoeld, met
‘fatfuck from Sarajevo’Mrzic en met
‘vastgoedkidnapper’verdachte. Hoogland schrijft dus aan Jocic dat hij inmiddels heeft begrepen dat Mrzic dubbelspel heeft gespeeld tegen Jocic en verdachte ook. Zij hebben echt een vies spel gespeeld waarbij zij Jocic de schuld geven. Maar Mieremet is inmiddels van alles op de hoogte.
‘een miljoentje’. [314]
5.Aanslag Mieremet
‘die schele (Mieremet) krijgt nog wel een keer wat hem toekomt’en
‘je hoeft je niet druk te maken om die schele’. Verdachte was
‘klaar met Johnny’en noemde hem een
‘kankerhond’.
‘ik snap het niet, ik heb het zo goed (…) zo goed gepland, het is niet te geloven, het is niet te begrijpen dat het gewoon zo mis is gegaan’. Verdachte heeft zich na de aanslag en de dagen erna bekommerd om [betrokkene 6], de partner van Mieremet, en daarover tegen Den Hartog gezegd:
‘direct gaan ze denken dat ik er wat mee te maken heb, direct komen ze erachter, dit moet ik even goed aanpakken natuurlijk’.
‘kankerhond’en heeft tegen haar meermalen over Mieremet gezegd:
‘hij gaat eraan’. Astrid heeft tot slot verklaard dat zij van haar zus Sonja Holleeder na de aanslag heeft gehoord dat verdachte via haar contact heeft gezocht met Van Hout in verband met de moord op Mieremet: verdachte zou het regelen en Van Hout zou meebetalen.
‘Cor wilde het opgelost hebben, dat wat er tussen Mieremet en Cor is gebeurd. Mieremet zat namelijk achter de aanslagen op het leven van Cor’.
Over de periode na de aanslag heeft Sonja Holleeder verklaard dat verdachte meermalen bij haar aan de deur kwam met de mededeling dat Van Hout nog moest betalen voor Mieremet. Zij moest van verdachte die mededeling aan Van Hout doorgeven. Sonja Holleeder heeft die mededeling ook aan Van Hout doorgegeven waarop hij gezegd heeft:
‘Hij (het hof begrijpt: verdachte) heeft het geregeld, maar hij heeft het niet goed geregeld’. Nadat Sonja Holleeder deze reactie van Van Hout weer aan verdachte had doorgegeven, heeft verdachte tegen Sonja Holleeder gezegd dat die
‘dikke kankerhond’ moet betalen.
Astrid Holleeder heeft verklaard dat verdachte na de aanslag meermalen bij Sonja Holleeder langskwam. Zij moest ervoor zorgen dat Van Hout alsnog zou meebetalen. Astrid Holleeder heeft van verdachte gehoord:
‘Die dikke kankerhond heeft niet betaald, hij moet nog betalen, die dikke zou meebetalen’. Verdachte heeft tegen Astrid Holleeder met zoveel woorden gezegd dat verdachte achter de mislukte aanslag van Mieremet zat.
De Vries heeft verklaard van Van Hout te hebben gehoord dat verdachte aan hem had gevraagd of hij mee wilde doen in de financiering van een aanslag op Mieremet.
‘in geuren en kleuren’verteld dat ze Mieremet wilden doodschieten en dan zijn hallen wilden afpakken:
‘Willem (het hof begrijpt: verdachte) heeft tegen mij gezegd: we gaan nou die Mieremet vermoorden’. Volgens Endstra heeft verdachte het meest een hekel aan die schele (het hof begrijpt: Mieremet), hij heeft een bloedhekel aan Mieremet, die moet dood. Verdachte heeft tegen Endstra gezegd:
‘en die Mieremet, die vermoord ik, die pak ik’. Volgens Endstra heeft verdachte het allemaal van tevoren bedacht:
‘eerst hun vertrouwen gewonnen, toen hij dat had heeft hij geld van ze afgepakt en toen ging hij ze vermoorden en zijn spullen afpakken, dat was het plan, is hij gewoon jaren mee bezig’. Verdachte heeft tegen Endstra gezegd dat hij Mieremet ging opblazen. Volgens Endstra wilde verdachte Mieremet vermoorden om zijn geld af te pakken; hij wilde Klepper en Mieremet vermoorden en dan die vrouw haar geld afpakken.
De verklaringen van de getuigen Holleeder en Den Hartog, zoals afgelegd over dit zaaksdossier kunnen op geen enkele manier worden bevestigd of ontkracht. Voor de getuige Den Hartog geldt dat zij in haar verklaring volledig moet putten uit haar geheugen over een gebeurtenis van twaalf jaar geleden.
Mieremet heeft hierover verteld in het interview met Van den Heuvel dat op 28 augustus 2002 in De Telegraaf is gepubliceerd. Mieremet heeft verteld dat hij 11,5 miljoen gulden aan Jocic heeft betaald, deels afkomstig van Den Hartog, de weduwe van Klepper. In de latere gesprekken van Mieremet met de Belgische federale politie spreekt Mieremet ook over deze achtergrond van het conflict. In eerste instantie legt Mieremet de schuld voor de aanslag bij Endstra en Holleeder. Later, in het najaar van 2003, verschuift dit naar Holleeder, Hillis en Soerel. Dat is dan in een periode van intensief contact van Mieremet met Endstra, waarbij Mieremet zich ervoor inzette om zijn investeringen bij Endstra terug te krijgen.
De verdediging vindt het opmerkelijk dat het openbaar ministerie veronderstelt dat verdachte de uitlokker is van de aanslag op Mieremet en niet Hillis. Mieremet had, gelet op de verklaringen van [betrokkene 32] en [betrokkene 33], weliswaar de grootste hekel aan verdachte, maar zag het directe gevaar niet van hem uitgaan. Mieremet was al in de periode van 2002 tot en met 2004 zeer beducht voor Hillis. In februari 2004 hebben er gebeurtenissen plaatsgevonden die een bijdrage hebben geleverd aan de wijze waarop Mieremet naar Hillis keek. Mieremet hoorde namelijk van [betrokkene 9] dat Hillis, toen de vader van Mieremet was opgebaard, tegen Raap heeft gezegd ‘
ga daar maar even kijken’. [betrokkene 9] heeft Mieremet vervolgens gewaarschuwd.
Na de moord op Mieremet in 2005 is er bij een doorzoeking van de woning van Mieremet een briefje gevonden met adressen en kentekens van auto’s van Raap, Hillis en [betrokkene 34]. Daaruit blijkt dat Mieremet niet alleen dácht dat er gevaar van Hillis te verwachten was, maar ook actie aan het ondernemen was richting Hillis. Volgens CIE-informatie is Mieremet na de moord op Martin Hoogland op zoek geweest naar mensen om Hillis van het leven te beroven.
Uit dit alles komt de vraag naar voren of Hillis al die moeite heeft gedaan om Mieremet van het leven te beroven enkel ten behoeve van verdachte. Kan het niet een eigen wens van Hillis zijn geweest die verband houdt met zijn rol bij de boete van Jocic, zo vraagt de verdediging zich af.
Het hof acht voldoende aannemelijk dat door Jocic aan Mieremet een boete is opgelegd van 10 miljoen D-Mark. Verdachte heeft namens Mieremet aan Hillis gevraagd om daarbij te bemiddelen. Aannemelijk is ook dat het geld dat voor Jocic bestemd was niet of gedeeltelijk niet bij Jocic terecht is gekomen. Het is op grond van de dossierstukken ook duidelijk geworden dat die gebeurtenis voor boosheid heeft gezorgd bij Mieremet.
‘een indicatie’kunnen opleveren dat Hillis de opdracht tot deze aanslag heeft gegeven. De verdediging betrekt daarbij de verklaring van [betrokkene 9] dat Hillis na het overlijden van de vader van Mieremet op 8 januari 2004 tegen Raap gezegd zou hebben
‘ga daar maar eens kijken vanavond of bij de begrafenis’. [336] [betrokkene 9] was aanwezig toen Hillis dat tegen Raap zei.
Net als de verdediging vraagt ook het hof zich af of Mieremet wel de waarheid heeft verteld toen hij zei dat deze Raap de schutter was bij de aanslag. Mieremet heeft in zijn aangifte immers verklaard dat hij zich niets meer kan herinneren over de schutter; hij weet niet hoe hij gekleed was en uit welke richting hij kwam, het ging allemaal heel snel. [betrokkene 9] heeft verklaard dat Mieremet nooit heeft gezegd wie er achter de aanslag zat, want hij kon dat niet weten. Die schutter had namelijk een integraalhelm op en Mieremet kon het helemaal niet zien. [betrokkene 9] heeft wel aan Mieremet gevraagd wie het gedaan had, maar dat wist Mieremet niet. [337] Ten aanzien van wat Hillis in 2004 tegen Raap gezegd zou hebben naar aanleiding van het overlijden van de vader van Mieremet, stelt het hof vast dat dit bijna twee jaar na de aanslag zou zijn gebeurd, nog afgezien van de vraag welke betekenis precies toekomt aan de mededeling van Hillis.
De verdediging heeft gesteld dat Mieremet het meest beducht was voor Hillis en heeft daartoe verwezen naar de verklaringen van de [betrokkenen 32 en 33]. De [betrokkenen 32 en 33] hebben dit echter niet verklaard. [betrokkene 32] heeft verklaard dat de aanslag in opdracht was van verdachte en
‘van die ouwe en Dino, van dat groepje’. [338] [betrokkene 33] heeft verklaard dat hij denkt dat de reden voor Mieremet om Holleeder te vermoorden was: het is hij of ik. Hij denkt dat dat uiteindelijk van belang was. Volgens [betrokkene 33] was Mieremet bang voor die drie: verdachte, Hillis en Soerel. [339]
Opvallend is dat, gelet op het eerdere frequente contact tussen verdachte en Mieremet, na hun ontmoeting eind 2001 er nog maar één ontmoeting tussen hen beiden heeft plaatsgevonden. Dit naar aanleiding van de in hoofdstuk 4 beschreven ontmoeting bij De Lucht. Verdachte heeft hierover verklaard dat deze ontmoeting plaats vond bij de grens van België en Nederland, dat Mieremet toen in de auto zat
‘met nog van die slangetjes’en dat hij nog niet was hersteld. Bij dat gesprek vroeg Mieremet of het briefje van [betrokkene 29] bij verdachte vandaan kwam. Vanaf dat moment heeft verdachte geen contact meer met Mieremet gehad. [343] Gelet hierop kan niet worden volgehouden dat verdachte in de periode van de aanslag nog goed was met Mieremet. Het hof stelt vast dat Mieremet daar zelf ook zo over is gaan denken.
‘We schieten die Mieremet dood’. Endstra heeft toen ook gezegd dat de politie dat zou kunnen navragen bij de zoon van Mieremet, Barry Mieremet. [345] Het hof vindt van belang dat Endstra hier vertelt over een gebeurtenis die bij een ander gecontroleerd kan worden. Dat draagt bij aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring op dit punt. Barry Mieremet is daar naar gevraagd en heeft bevestigd dat Endstra hem heeft gewaarschuwd. [346] Aan de verklaringen van Endstra en die van Barry Mieremet valt op dat zij verschillend verklaren over het moment waarop er gewaarschuwd is en de locatie. Deze verschillen betekenen in deze situatie echter niet dat de verklaringen van Endstra en Barry Mieremet over het waarschuwen ongeloofwaardig zijn. Daarbij is van belang dat de verklaring van Endstra niet is afgelegd in een verhoorsituatie waarin op deze gebeurtenis is doorgevraagd. Endstra heeft over deze gebeurtenis het meeste verklaard op 20 maart 2003 in het eerste Achterbankgesprek. In het verslag van dat gesprek zijn de verklaringen samengevat weergegeven. Niet staat vast dat alle vragen over deze gebeurtenis zijn gesteld; evenmin staat vast dat alle relevante opmerkingen van Endstra over deze gebeurtenis in het verslag zijn terechtgekomen. Naast Endstra en Barry Mieremet hebben ook [betrokkene 9] [347] en [betrokkene 88] [348] verklaard dat zij weten dat Endstra Mieremet heeft gewaarschuwd. Hoewel het hof niet kan vaststellen op welk moment, op welke locatie en op welke wijze deze waarschuwing heeft plaatsgevonden, staat voor het hof vast dat Endstra Mieremet heeft gewaarschuwd. De verklaringen van Barry Mieremet, [betrokkene 9] en [betrokkene 88] ondersteunden daarmee de verklaring van Endstra dat verdachte voor de aanslag hem heeft verteld dat Mieremet dood zou worden geschoten.
‘Hij heeft het geregeld, maar hij heeft het niet goed geregeld’. [351] Ook Astrid Holleeder heeft hierover verklaard. Astrid Holleeder heeft van Sonja Holleeder gehoord dat verdachte steeds bij Sonja Holleeder aan de deur kwam, zodat Sonja Holleeder dat voor verdachte kon regelen bij Van Hout. Dat heeft Astrid Holleeder ook zelf van verdachte gehoord. [352] Verdachte heeft tegen haar gezegd:
‘Die dikke kankerhond heeft niet betaald. Hij moet nog betalen’. Hij bedoelde daar Van Hout mee. [353] Verdachte heeft tegen Astrid Holleeder gezegd dat hij de opdracht had gegeven voor de moord op Mieremet. [354]
‘jagen op Cor’. Het hof meent dat dat goed samen kan gaan. Verdachte en Van Hout bevonden zich destijds in een milieu waarin anders wordt omgegaan met risico’s en belangen. Enerzijds kunnen verdachte en Van Hout gebrouilleerd zijn geweest en kan er een dreiging van verdachte hebben bestaan in de richting van Van Hout terwijl er tussen hen een ontmoeting werd georganiseerd om te praten over een gelegenheidssamenwerking. Verdachte en Van Hout kunnen daarvoor verschillende motieven hebben gehad. Van Hout zal gevoelig zijn geweest voor een plan van verdachte om Mieremet uit te schakelen en verdachte zal dat hebben geweten. Van Hout hield Mieremet immers verantwoordelijk voor de aanslagen op zijn leven. Verdachte heeft Van Hout de gelegenheid geboden zijn conflict met Mieremet op te lossen en Sonja Holleeder heeft ook verklaard dat Van Hout het met Mieremet opgelost wilde hebben. [355] Het is relatief veilig om onder die omstandigheden met elkaar af te spreken in een horecagelegenheid, waarbij locatie en tijdstip bekend zijn bij bijvoorbeeld Sonja Holleeder.
Uit deze verklaringen blijkt dat Van Hout door verdachte is benaderd om mee te betalen aan de moord op Mieremet. Verdachte zou het gaan regelen. Van Hout zou meebetalen maar heeft dit achteraf, toen verdachte om geld kwam vragen, niet gedaan omdat de moord niet was geslaagd.
‘verhaal’van verdachte kunnen zijn geweest om Van Hout te vragen om geld voor de moord op Mieremet, om op die manier geld van hem af te troggelen. De verdediging heeft daarmee een uitleg van deze gebeurtenis gegeven die niet wordt ondersteund door dossierstukken of wat daarover ter terechtzitting is besproken, onder meer met verdachte zelf. Verdachte heeft zelf geen verklaring afgelegd die erop neerkomt dat dit alleen maar een truc was om Van Hout geld afhandig te maken. Deze uitleg is ook niet in overeenstemming te brengen met de andere bewijsmiddelen die in dit hoofdstuk worden besproken, zoals de erkenning tegenover Astrid Holleeder dat hij de opdracht had gegeven en de erkenning tegenover Den Hartog dat hij betrokken was; een verklaring van Den Hartog die hierna nog wordt besproken.
‘ik snap het niet ik heb het zo goed (..) zo goed gepland, het is niet te geloven, het is niet te begrijpen dat het gewoon zo mis is gegaan’.Verdachte had daarbij een handgebaar gemaakt waarmee hij een pistool nadeed. Toen hij zich de volgende dag verslapen had, terwijl hij had afgesproken om met [betrokkene 6] naar het ziekenhuis te gaan, zei hij:
‘Direct gaan ze denken dat ik er wat mee te maken heb. Direct komen ze er achter’. [357] Het hof stelt dus vast dat verdachte na de aanslag tegen Den Hartog heeft gezegd dat hij het was die de moord had gepland. De verdediging heeft aangevoerd dat het bij het interpreteren van deze uitspraak aankomt op enkele woordjes. Als de getuige dit verkeerd heeft gehoord, begrepen of onthouden dan kan verdachte ook wat anders hebben gezegd, bijvoorbeeld:
‘het was zo goed gepland’. Aan de verdediging moet worden toegegeven dat er een risico bestaat dat een getuige iets anders heeft gehoord dan dat er is gezegd, of dat een getuige dit anders begrijpt of verkeerd onthoudt. Het hof heeft echter geen aanknopingspunten dat de getuige dit verkeerd heeft gehoord of begrepen. Deze uitlating stond ook niet op zichzelf; verdachte maakte daarbij een handgebaar waarmee hij een pistool nadeed en maakte zich de volgende dag zorgen dat
‘ze erachter kwamen’. Die woordkeus
‘er achter komen’wijst erop dat er een risico bestond dat Mieremet en [betrokkene 6] zouden ontdekken hoe het werkelijk zat; dat verdachte betrokken was bij de aanslag.
‘zij’Mieremet zouden doodschieten. Nadat de aanslag was mislukt, heeft verdachte tegen Den Hartog gezegd dat hij niet begreep dat het was misgegaan omdat hij het zo goed had gepland. Verdachte wilde een dag later met [betrokkene 6] bij Mieremet op bezoek en wilde voorkomen dat zij erachter kwamen dat hij betrokken was bij de aanslag. Na de aanslag heeft verdachte zowel aan Sonja als aan Astrid Holleeder laten weten dat hij geld zou krijgen van Van Hout omdat Van Hout zou meebetalen. Van Hout heeft Sonja Holleeder verteld dat hij niet zou betalen omdat verdachte het zou regelen, maar het niet goed had geregeld. Dat verdachte Van Hout heeft gevraagd om mee te betalen, heeft Van Hout ook verteld tegen getuige [betrokkene 26] en getuige De Vries.
‘geregeld’. Dit houdt in dat verdachte rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon duidelijk heeft gemaakt dat Mieremet gedood moest worden en daarbij een geldbedrag heeft beloofd dat verdachte samen met Van Hout bijeen zou brengen. Het hof kan overigens niet vaststellen dat het verdachte of Van Hout is geweest die middellijk of onmiddellijk aan de uitvoerders de inlichting heeft verschaft waar Mieremet zich op 26 februari 2002 zou bevinden. Ook andere inlichtingen of aanwijzingen die door verdachte of Van Hout middellijk of onmiddellijk aan de uitvoerders gegeven zouden zijn, kan het hof niet vaststellen.
6.Moord Van Hout en aanslag Ter Haak
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen die over verdachte en over Soerel zijn afgelegd, tot de conclusie leiden dat verdachte de moord op Van Hout samen met anderen heeft uitgelokt. De opdrachtgevers hebben voor lief genomen dat daarbij ook Ter Haak zou worden getroffen. Zij hebben de aanmerkelijke kans aanvaard dat Ter Haak zou overlijden. Volgens het openbaar ministerie kan om die reden ook bewezen worden dat verdachte de doodslag op Ter Haak heeft uitgelokt.
Het hof acht voldoende aannemelijk dat door Jocic aan Mieremet een boete is opgelegd van 10 miljoen D-Mark. Verdachte heeft namens Mieremet aan Hillis gevraagd om daarbij te bemiddelen. Aannemelijk is ook dat het geld dat voor Jocic bestemd was niet of gedeeltelijk niet bij Jocic terecht is gekomen. Tijdens een ontmoeting in Amsterdam-Noord heeft Van Hout tegen Hillis gezegd dat hij wist dat dit geld bij Hillis terecht was gekomen en dat hij voor een miljoen euro daarover zijn mond zou houden.
Het hof acht deze aanwijzingen echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat Hillis de opdracht heeft gegeven. Evenmin zijn deze voldoende voor de conclusie dat Hillis bij de uitlokking een rol heeft gehad die zo zwaar weegt dat moet worden gezegd dat hij nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt. Het bewijs laat de reële mogelijkheid open dat de uitvoerders slechts uit de contactenkring van Hillis kwamen en dat verdachte om die reden heeft gezegd dat het huis aan Hillis moest worden afgedragen voor de betaling van schutters.
Het hof heeft ook kennisgenomen van de verklaringen van de getuige Ros. De verdediging ziet in zijn verklaringen een ondersteuning dat Hillis de opdracht via Soerel heeft gegeven aan Remmers. Het hof ziet dat anders en zal hierna daarop ingaan.
Dit standpunt van de verdediging is voor een deel ook van belang voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder. Het hof is daarop al ingegaan in hoofdstuk 2.
Astrid Holleeder heeft verklaard over verschillende uitlatingen van verdachte die haar overtuiging sterkten dat verdachte betrokken was bij de eerste aanslag. Zij heeft gewezen op de opmerking van verdachte in opname 20 over Sonja en [betrokkene 3], op wie verdachte toen boos was, dat hij wilde dat ‘ze in één auto zitten’. [358] Die opmerking ziet Astrid Holleeder als een verwijzing naar de eerste aanslag, waarbij Van Hout met Sonja Holleeder en hun zoontje in één auto zaten. [359] Verder heeft verdachte aan haar verteld dat er een ‘
aangever’ in de Dongestraat had gestaan en ook dat degene die door het openbaar ministerie voor deze aanslag werd vervolgd wél de schutter was, ondanks dat hij is vrijgesproken. Het hof zal echter rekening moeten houden met de mogelijkheid dat verdachte daarover pas later heeft gehoord en dat de door hem uitgesproken wens dat Sonja Holleeder met een ander ‘in één auto zou zitten’ door associatief denken achteraf kan zijn ontstaan. Die uitspraken bewijzen dus niet dat hij al bij de eerste aanslag betrokken was.
Dat Astrid en Sonja Holleeder die overtuiging hebben, draagt niet bij aan het bewijs. Dat die overtuiging niet volgt uit bewijs, is echter ook niet ontlastend voor verdachte. De getuigen kunnen uiteraard een vermoeden hebben over de ene gebeurtenis en daarnaast wetenschap van een andere gebeurtenis. Voor de beoordeling van het hof of verdachte opdracht heeft gegeven tot de moord op Van Hout is het niet nodig om vast te stellen wie opdracht heeft gegeven tot de eerste aanslag of vast te stellen wie daarbij betrokken zijn geweest.
had ruzie met jou, hij wist dat, wat er aan de hand was.
hij had ruzie met jou, hij wist wat er aan de hand was’. En dat dát is waarover Sonja Holleeder van de met stemverheffing sprekende verdachte direct moet ophouden.
moet’ hij ‘
dat gewoon oplossen, meteen!’, daarmee bedoelde hij: haar laten doodmaken, zoals bij de bespreking van opname 15B in paragraaf 3.1 is toegelicht.
Het hof ziet in deze voorbeelden geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van Endstra voor zover het hof die voor het bewijs heeft gebruikt. De verklaringen van Endstra en de betrouwbaarheid daarvan zullen ook hierna nog worden besproken in hoofdstuk 7.
Het hof kan op basis van deze informatie niet vaststellen dat Joegoslavische personen betrokken zijn geweest bij deze moord; het hof kan dat echter ook niet uitsluiten. Om deze redenen kan het hof evenmin vaststellen dat Endstra liegt als hij tijdens het eerste Achterbankgesprek iets zegt over de betrokkenheid van Joegoslavische personen bij de moord op Van Hout.
“Hij heeft dus straks ook die eh... Nu is die Cor dood en zijn zusje heeft al die hallen in Alkmaar Dat was ik nog vergeten te zeggen. Alles in Alkmaar is van hem. Dat is ook twintig miljoen waard. (..) En dat is dus ook .... van Willem van Willem Holleeder. Want zijn zusje heb het nu”. [380] In het twaalfde Achterbankgesprek zegt Endstra:
“ik denk dat hij het gedaan heeft omdat hij die hallen ingepikt heeft, heeft gewoon die hallen afgepakt van Cor en het geld in zijn zak gestoken. Heeft toen een hoop poeha bij die vent in Alkmaar gemaakt en toen heeft hij al die BV’s in zijn zak gestoken”. [381] Gelet op de inhoud van deze verklaringen gaat het hof ervan uit dat Endstra hier niet spreekt over de hallen in Amsterdam, maar over De Achterdam in Alkmaar. Endstra verklaart dat zijn zus die hallen nu heeft en gaat er kennelijk vanuit dat daarmee alles van verdachte is;
“Dat is dus ook van Willem Holleeder. Want zijn zusje heb het nu”. Dat was slechts een vermoeden zonder dat Endstra daar concrete aanknopingspunten had, dat betekent echter niet dat Endstra liegt.
“Erg, erg, weet jij hoe lang dit heeft geduurd? Eindelijk, dit heeft echt heel lang geduurd.”Ook zei hij:
“Weet jij hoe lang ik hier over gedaan heb, gewoon eindelijk, eindelijk!”Hij maakte daarbij met zijn hand een gebaar van een pistool. Nadat verdachte klaar was met het eten, was hij opgestaan en had hij gezegd dat hij nog even naar Sonja Holleeder toeging. [382]
‘Weet jij hoe lang ik hierover heb gedaan?’Dit betekent dat verdachte op de avond van de moord tegenover Den Hartog heeft gezegd dat hij betrokken was bij de moord op Van Hout. Verdachte zei nog net niet rechtstreeks dat hij Van Hout net had laten vermoorden, maar dat was volgens Den Hartog wel de strekking van wat verdachte tegen haar heeft gezegd.
‘eerst dit, dan dat’. Verdachte had daarbij eerst een schietgebaar gemaakt en daarna een graaibeweging; [388] eerst zou Van Hout dus worden doodgeschoten, daarna zouden zijn bezittingen worden afgenomen. Na de moord op Van Hout vroeg verdachte aan Sonja Holleeder al snel om de aandelen van De Achterdam. Later vroeg hij om het goud van Van Hout en nog later wilde hij de woning in Spanje.
‘effe die dingen had verkocht’. Verdachte dreigt dan dat hij iedereen
‘aan zijn oren trekt’en een pistool tegen het hoofd zet en zal vragen of ze hebben betaald, hoe er is betaald en wat er is gebeurd. [390] Deze opname ondersteunt de verklaring van Sonja Holleeder dat hij haar om De Achterdam heeft gevraagd. Ook laat deze opname zien dat verdachte tien jaar na de moord op Van Hout niet zeker weet wie De Achterdam heeft gekocht, dat hij dat wel wil weten en ook wil weten hoe er is betaald. Dat is niet slechts belangstelling; verdachte wil precies weten hoe het zit en dreigt iedereen die daarmee te maken heeft een pistool tegen het hoofd te zetten.
“Sonja: (huilt) Weet je Wim? Iedereen heb bij mij geld lopen... Al was het wel zo, niemand heb geld, recht op een erfenis van Cor!
‘al was het wel zo’dat zij de beschikking had gehad over geld, dan had niemand anders recht op een deel van de erfenis van Van Hout. Verdachte zegt daarop dat het niet aan haar is om dat te bepalen. Verdachte vindt dat het niet aan Sonja Holleeder is om te bepalen wat er met de erfenis gebeurt. Tegen Astrid Holleeder zegt verdachte in opname 15 dat Sonja Holleeder nergens recht op heeft. Verdachte gaat er in deze gesprekken dus van uit dat hij daarover zou moeten beschikken.
“Je moet zeggen gewoon, luister hij is aan het graven, en dit is er boven water gekomen. Ze weet ook, het gaat hem niet om het geld, maar het gaat om dat ze de boel in de maling neemt.” [393] Het heeft volgens verdachte geen zin als hij met Sonja Holleeder zou gaan praten, want dan gaat ze weer liegen en dan slaat verdachte haar hartstikke dood. [394] Verdachte zegt dat hij alles overhoop gaat trekken en dat hij [betrokkene 24] (het hof begrijpt: [betrokkene 24]) zal zeggen dat als hij één keer erachter komt dat hij liegt, [betrokkene 24] wel weet wat verdachte met hem doet. Verdachte vermoedt dat Sonja Holleeder niet eerlijk is geweest omdat ze denkt dat ze verdachte anders zou moeten betalen. [395] Verdachte zegt dat zijn eigen zus tegen hem liegt voor geld, en dat terwijl zij daar helemaal geen recht op heeft. [396]
‘hartstikke doodslaan’. Astrid Holleeder moet tegen Sonja Holleeder zeggen dat het niet om het geld gaat, maar dat zij hem niet in de maling moet nemen. Verdachte realiseert zich dat Sonja Holleeder mogelijk liegt omdat zij anders geld aan verdachte moet betalen. Hij dreigt ook bij [betrokkene 24] langs te gaan en geweld te gebruiken als hij het idee zou krijgen dat [betrokkene 24] liegt.
Als ze praat over Cor, heb ze een probleem”. Dan zou hij haar meteen moeten doodmaken, zoals in paragraaf 3.1 uitgelegd. Later in het gesprek zegt verdachte
: “Neem maar van mij aan, mensen die zo doen, praten met de politie.”Verdachte doet in dit gesprek een opvallende uitspraak over Sonja Holleeder. Hij zegt dan tegen Astrid Holleeder
: “Ik zal je dit zeggen hè? Zij wou ook dat Cor er aan ging hè. Zij ook hè? Niet bij de hand doen nou meer hè? Als ik ga, ga jij mee hè?” [399]
‘als ik ga’bedoelde dat hij dacht dat Sonja Holleeder hem een oor wilde aannaaien bij de politie. [400] Uit dit gesprek blijkt dat verdachte vermoedde dat Sonja Holleeder bij de politie had gesproken over Van Hout. De strekking van zijn opmerking is dat, als verdachte als gevolg daarvan zou worden aangehouden en hij daarover zou worden verhoord, hij Sonja Holleeder ook zou gaan beschuldigen. Hij zou dan verklaren dat ook Sonja Holleeder wilde dat Van Hout
‘eraan ging’. Als verdachte zou gaan, zou hij Sonja Holleeder meetrekken.
‘zij wou ook dat Cor eraan ging’. Die woorden gaan onmiskenbaar over de moord op Van Hout die
‘eraan’moest. De woorden
‘zij wou ook’wijzen er op dat verdachte ervan uit ging dat Sonja Holleeder tegen de politie had verteld dat het verdachte was die wilde dat Van Hout zou worden vermoord. Als hij daar over zou worden gehoord, dan zou verdachte tegen de politie zeggen dat hij dat niet alleen wilde, maar Sonja Holleeder ook.
Het dreigement van verdachte dat hij Sonja Holleeder ook zou gaan beschuldigen, is erg vreemd als die beschuldiging van Sonja Holleeder niet waar was. Als de beschuldiging van Sonja Holleeder niet waar was, ligt het meer voor de hand dat verdachte met stelligheid had ontkend dat hij bij deze moord betrokken was, dan dat hij Sonja Holleeder zou meetrekken door haar ook te beschuldigen.
“Je weet wat ik doe hè, je weet wat ik met Cor gedaan heb hè?”.En
“Je weet hè, wat ik doe hè? Als je niet luistert hè? Je weet toch wat ik met Cor gedaan heb?” [401] Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige Den Hartog. Zij heeft verklaard dat verdachte op een gegeven moment erg boos was op Sonja Holleeder en over haar heeft gezegd:
"Zij gaat net zo goed als Cor gaat hoor, gegaan is hoor en dat kind ook.” [402] Ook Astrid Holleeder heeft verklaard dat Sonja Holleeder eraan zou gaan als zij zou praten met de politie: “
Dan is het gebeurd en ga je net als Cor, ga je net zoals Endstra.” [403]
La Serpe heeft verklaard dat hij in 2001 of 2002 een ontmoeting met Remmers heeft gehad bij Schiphol. [404] Tijdens deze ontmoeting heeft Remmers tegen La Serpe gezegd dat hij Van Hout aangeboden had gekregen voor € 500.000. [405] Ook had Remmers gezegd dat hij
‘de power van Willem achter zich had’. [406]
De auto heeft een kentekenplaat met opliggende letters en cijfers. Deze letters en cijfers zijn op de kentekenplaat vastgezet, in plaats van dat de letters en cijfers in het metaal van de kentekenplaat zijn gedrukt. [426]
Het hof stelt verder vast dat Remmers wel eens reed in de auto van Ebeli die aan al deze kenmerken voldoet. Deze kenmerken zijn zo specifiek dat het hof ervan uitgaat dat het de auto van Ebeli was die in de directe omgeving van de moord is gezien. Het hof acht hoogst onwaarschijnlijk dat er meerdere auto’s bestaan die aan deze kenmerken voldoen. Het hof stelt op grond van dit alles vast dat de verklaring van de getuige Ros dat de zwarte BMW waarin Remmers reed, is gezien bij de moord, wordt ondersteund door het onderzoek naar de in beslag genomen BMW.
Bij de dossierstukken bevindt zich een foto van Remmers waarop verwondingen zijn te zien aan de rechterkant van zijn gezicht. Op deze foto staat de datum 26 november 2002. [428] Getuige [betrokkene 20] heeft verklaard dat zij met Remmers een relatie had van augustus 2002 tot 15 januari 2003. Remmers heeft gordelroos gehad en is daarvoor behandeld. Toen Remmers het op 15 januari 2003 uitmaakte, was hij aan de beterende hand. [429] Op 25 januari 2003 is Remmers met Ros en een derde man gezien in een winkel in Amstelveen, waar Remmers werd herkend door een andere klant die hem nog kende van school. Van een van deze mannen werd gezegd dat hij een getint uiterlijk had, dat er bij zijn rechter oog oude lelijke littekens zaten en dat hij schaafwonden in zijn gezicht had. [430] Op die dag zijn er ook goederen bij BCC gekocht die op 30 januari 2003 zijn afgeleverd op een adres waar Remmers ook verbleef. Een medewerker van BCC die deze goederen heeft afgeleverd, heeft verklaard dat hij in de woning een man zag met een getinte huidskleur, een beetje een indo-uiterlijk. Wat opviel was dat hij blauwe plekken in zijn gezicht had en striemen/schaafwonden in zijn nek. [431] Als deze medewerker een foto wordt getoond van Remmers, zegt de medewerker dat het die man is, of dat het zijn broer is. [432] Gelet op deze verklaringen gaat het hof ervan uit dat Remmers in ieder geval op 25 januari 2003 striemen of verwondingen had aan het gezicht.
Voor het hof staat echter niet vast dat deze verwondingen ook zichtbaar moeten zijn geweest voor de getuigen. De zwarte BMW stond immers aan de rechterzijde van de parkeerplaats, met de voorzijde in de richting van de Stationsstraat. Voor getuigen zal een deel van het gezicht van de inzittenden niet zichtbaar zijn geweest, met name de rechterzijde van het gezicht. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat Remmers op 24 januari 2003 zijn verwondingen had weggewerkt door gebruik van make-up. Getuige [betrokkene 43] heeft verklaard dat Remmers make-up gebruikte. Hij gebruikte iedere dag foundation. [433] Voor het hof is dan ook niet aannemelijk geworden dat Remmers op 24 januari 2003 verwondingen of littekens had die zodanig zichtbaar waren, dat dit moet zijn gezien door de getuigen als Remmers een van de mannen was in de zwarte BMW. Dit betekent dat uit dat onderzoek niet volgt dat het Remmers niet in de auto kan hebben gezeten.
‘er wordt gezegd’dat een opdracht niet kan worden ingetrokken.
Tijdens het verhoor van 10 december 2013 zegt Ros eerst dat hij niet te veel wil uitweiden over Van Hout. Ros verklaart over deze opdracht het volgende:
“In eerste instantie is die opdracht gegeven aan Jessie Remmers (..) Door Dino. [434] (..) Ik heb ook wetenschap van dat hij het van Willem heeft gehoord maar ik weet daar niet van. Hier weet ik van.”En:
“Voor 2002, augustus, was die opdracht al gegeven. En wat ik in eerste instantie gehoord heb, is dat die opdracht door Willem gegeven is. Maar goed, dat heb ik van horen zeggen. En het andere heb ik niet van horen zeggen.W: Van? Gehoord van?G: Van Jessie.” [435] De getuige gebruikt het begrip
‘weten’in zijn verklaringen regelmatig in de betekenis van
‘zelf hebben gezien’. Dat de opdracht door Willem is gegeven, heeft de getuige niet gezien, maar hij heeft het van
‘horen zeggen’. Hij heeft dat namelijk van Remmers gehoord. Getuige Ros heeft dus verklaard dat hij rechtstreeks van Remmers heeft gehoord dat verdachte hem de opdracht heeft gegeven om Van Hout te liquideren. De getuige legt in zijn verklaring verder uit dat Soerel op een gegeven moment op de voorgrond is gekomen en met Remmers is gaan praten. [436]
“V: Je vertelde dat de opdracht bij Dino vandaan kwam.G: Ja.V: Hoe weet je dat?G: Ja dat heeft Jessie mij verteld en ik heb het later ook van Dino zelf gehoord. Naar aanleiding van het verhaal van Danny KUITERS in de bajes ben ik het, op een gegeven moment ging ik wel eens met Dino uit eten of ik zag hem of hè, dat heb ik verteld, dat we op een gegeven moment een beetje omgang hadden, dat hij op een kinderverjaardag kwam en dat ik wel eens uit eten ging en wel eens uit ging. En dan hadden we het eigenlijk nooit daarover maar uit alle steken en eh, hoe moet je dat zeggen, steken onder water, dat later hun er mee doorgegaan zijn. De echte werkelijke opdracht kwam van Willem af. Dat heeft Jessie ook zelf tegen mij verteld. Dino verstrekte hem van de informatie. Ja, dus indir.., dusdirect hebben ze daarmee te maken, alle twee.” [439]
‘een verhaal met Mieremet is geweest’. In die periode zat Willem bij Mieremet en bij Klepper en toen speelde dat eigenlijk al. Bij lezing van deze verklaring rijst de vraag of de getuige dit zelf heeft gezien, van anderen heeft gehoord of dat het vermoedens van de getuige zijn. Die vraag is aan de getuige gesteld op de zitting van de rechtbank van 16 oktober 2018 die straks nog zal worden besproken.
“
In eerste instantie van Jessie. Daar heb ik het als eerste van gehoord dat hij de opdracht van Willem heeft gekregen én van Dino. Dus niet alleen Willem, én van Dino. Alleen die heeft hij gekregen en de afspraken die over Cor VAN HOUT werden gemaakt. Dat was ontmoetingen zonder Willem, alleen tussen Jessie en Dino, waarbij Danny KUITERS vaak de chauffeur was die Dino bracht, om de bepaalde redenen wat ik net uitgelegd heb, en ik vaak de chauffeur van Jessie was. (..) En het verhaal van dat ik van Willem en Dino, dat Dino vertelde dat het van Willem afkwam en van samen afkwam, dat is ook allemaal besproken wel eens op een ontmoeting met Dino.G: Ja maar wat ik nu zeg is bijna alles wat ik daar verteld heb. Waarom? Die opdracht die is al veel eerder gegeven. Kijk de opdracht van Cor VAN HOUT die is al jaren daarvoor al gegeven. Nou, als die eenmaal gegeven is, is die gegeven en dan pakt steeds iemand anders door die het gaat doen. Op een gegeven moment zijn ze bij Jessie terecht gekomen.Ja? Willem is bij Jessie terecht gekomen. En alle informatie die daarna later naar, in mijn, toen ik er was, is gekomen tot Jessie, is altijd van Dino afgekomen. En zoals ik het uitgelegd heb zijn Dino en Willem in die periode al samen. Dus is het een gezamenlijk opdracht die gegeven wordt. In eerste instantie is Willem diegene die het, zeg maar, gevraagd heeft aan Jessie. Ja? Helemaal aan het begin. Maar dat was voor mijn tijd, dus dat kan in 2001 geweest zijn, kan in 2000 geweest zijn. Dat weet ik niet, daar ben ik niet bij geweest. Vervolgens ben ik er pas bij gekomen, bij de ontmoetingen, dus nog niet eens de informatie, maar dat is mij later natuurlijk duidelijk geworden. Op dat moment in 2002-2003 werd de informatie gegeven op het moment in Diemen als er ontmoetingen waren tussen Jessie en Dino. Ik wist niet van te voren dat het om Cor VAN HOUT ging. Ik wist niet dat het om liquidatie ging, in die tijdspanne wist ik dat niet. Nou daarna zijn mij dingen duidelijker geworden. Maar in het beginstadium is toen met terugwerkende kracht gezegd, dus niet in die periode, ik heb het dan over de latere periode, dat Willem en Dino de opdrachtgevers waren.V: En wie heeft dat gezegd?G: Jessie heeft dat tegen mij gezegd. Later heb ik daar wel eens met Dino over gesproken.Dat is wat ik daarmee bedoeld heb. Ik heb er nooit met Willem over gesproken. Ik heb er met Dino over gesproken.” [441]
‘verhalen en geruchten’: Remmers heeft hem verteld dat hij
‘de power van Holleeder’achter zich had. Remmers zei ook dat hij Van Hout mocht doen en dat hij daar geld voor kreeg. Over de rol van verdachte heeft hij dingen gehoord, maar dan weet je niet of dat waar is. [442] Op het eerste gezicht lijkt de getuige bij de rechtbank zijn verklaring over de rol van verdachte sterk te relativeren. Nauwkeurige lezing van het verhoor laat echter zien dat de getuige niets terugneemt van wat hij heeft gezien en gehoord; de getuige relativeert slechts zijn eigen vermogen om vast te stellen hoe het werkelijk zit,
‘er worden namelijk wel meer dingen gezegd’. Op de zitting van 16 oktober 2018 is aan Ros voorgehouden dat hij heeft verklaard dat het ging om een oude opdracht en is hem gevraagd of hij verder kan specificeren wat hij heeft gehoord over het moment waarop de opdracht tot stand is gekomen en wat de rol was van Klepper en Mieremet. De getuige heeft daarop geantwoord dat hij dat niet exact weet. Ook is doorgevraagd over de verklaring van de getuige dat een eenmaal gegeven opdracht niet meer kan worden ingetrokken; iemand die kan beslissen dat iemand dood moet, zal toch ook kunnen beslissen dat het niet meer hoeft. Getuige Ros antwoordt dat hij dat niet weet, dat het speculeren is. De getuige zegt op verdere vragen dat het allemaal aannames en stellingen zijn waar hij geen antwoord op kan geven. Anders dan de verdediging begrijpt het hof deze antwoorden zo dat de getuige de verdediging voorhoudt dat de vragen van de verdediging zijn gebaseerd op aannames en speculatie. Dat neemt overigens niet weg dat de getuige niet specifieker heeft kunnen uitleggen wat de achtergrond is van de gedachte dat een eenmaal gegeven opdracht niet kan worden ingetrokken. Het hof zal dat onderdeel van die verklaring, dat een eenmaal gegeven opdracht niet kan worden ingetrokken, niet gebruiken voor het bewijs. Voor het hof staat niet vast dat een opdracht onder geen enkele omstandigheid kan worden ingetrokken.
“U houdt mij voor dat ik in eerdere verhoren ook heb gezegd dat het tot op zekere hoogte, of
‘Nou proost, hé?’. Verdachte was alleen niet zo blij; het leek erop dat hij er al in had berust dat de moord eerder nog niet was gelukt. Het hof merkt allereerst op dat dit gaat om een beschrijving van de houding van verdachte in aanwezigheid van Kuiters. Het is de vraag of verdachte tegenover Kuiters helemaal open wilde zijn over zijn betrokkenheid bij de moord op Van Hout. Maar belangrijker; ook als Kuiters de houding van verdachte goed heeft geïnterpreteerd, blijkt daaruit niet dat verdachte niet betrokken was bij de opdracht of dat een eerder gegeven opdracht later weer is ingetrokken. Verdachte kan daar bijvoorbeeld ook gemengde gevoelens over hebben gehad.
‘eraan zou’gaan. Ook tegen Endstra heeft verdachte al voor de moord gezegd dat hij Van Hout ging omleggen.
Kort na de moord heeft verdachte tegenover Den Hartog en Endstra erkend dat hij Van Hout heeft laten vermoorden. Aan Sonja Holleeder heeft verdachte gevraagd om het huis in Spanje zodat daarmee de schutters betaald konden worden. Uiteindelijk heeft verdachte daarvoor zelf een geldbedrag afgedragen.
Na verloop van tijd heeft verdachte tegen Astrid en Sonja Holleeder verschillende dingen gezegd die erop wijzen dat hij Van Hout heeft laten vermoorden. De verklaringen van de getuigen worden ondersteund door een opname van verdachte waarin hij zegt dat, als Sonja Holleeder tegen de politie zou vertellen over zijn betrokkenheid bij de moord, hij Sonja Holleeder zou beschuldigen door te zeggen dat ook zij wilde dat Van Hout eraan ging.
Verdachte heeft dus voorafgaand aan de moord, direct na de moord en in de periode daarna tegenover verschillende personen direct en soms indirect gezegd dat hij verantwoordelijk was voor de moord op Van Hout. Uit de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder volgt ook dat verdachte betrokken was bij het inzamelen van het geld voor de betaling van degenen die de moord hebben uitgevoerd. Uit die verklaringen volgt ook dat de moord is uitgevoerd in ruil voor een geldbedrag.
ikhierover heb gedaan’ en
‘je weet wat ik met Cor heb gedaan’. Het hof begrijpt deze formulering zo dat verdachte daarmee zegt dat hij doorslaggevende of ten minste ‘overwegende’ invloed heeft gehad bij de beslissing om Van Hout om het leven te brengen en daarvoor de opdracht uit te zetten. Dit volgt ook uit wat Remmers tegen La Serpe en Ros heeft gezegd. Remmers als opdrachtnemer heeft verdachte als opdrachtgever gezien. Deze opdracht van verdachte kan aan Remmers zijn gegeven via iemand anders; dat maakt voor de beoordeling geen verschil.
‘eerst dit, en dan dat’waarbij hij eerst een pistoolgebaar maakte en daarna een wegneemgebaar. Opvallend is dat verdachte in de periode van de tweede aanslag eind 2000 vriendschappelijk omging met Mieremet, terwijl verdachte in de periode van de aanslag begin 2003 juist gebrouilleerd was met Mieremet. Het hof stelt op grond van het beschikbare bewijs vast dat verdachte is blijven vasthouden aan zijn wens om Van Hout om het leven te brengen. Nadat de tweede aanslag op 20 december 2000 was mislukt, is de opdracht om Van Hout te vermoorden daarna weer opgepakt en is deze in januari 2003 uiteindelijk uitgevoerd. Getuige Ros heeft gezien dat Remmers ontmoetingen heeft gehad met Soerel. Remmers kreeg dan informatie van Soerel. Die ontmoetingen vonden plaats in 2002, 2003. [444] La Serpe heeft verklaard dat hij van Remmers heeft gehoord dat Remmers Van Hout
‘mocht doen’. Hij hoorde dat in 2001 of 2002. [445] Gelet op dit alles, stelt het hof vast dat de opdracht om Van Hout te vermoorden, is gegeven in de periode 1 januari 2001 tot en met 24 januari 2003.
Het openbaar ministerie heeft niet aan verdachte tenlastegelegd dat hij de opdracht heeft gegeven tot de moord op Ter Haak. De reden daarvoor zal zijn dat er geen bewijs bestaat dat de dood van Ter Haak was gepland. Voor het bewijs van moord is namelijk nodig dat de uitvoerders zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het besluit om Ter Haak van het leven te beroven. Uit de tenlastelegging blijkt dat het openbaar ministerie ervan uitgaat dat de uitvoerders Ter Haak wel opzettelijk hebben doodgeschoten; met andere woorden dat zij doodslag hebben gepleegd.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij deze doodslag van Ter Haak opzettelijk heeft uitgelokt. Het hof moet dan ook beoordelen of verdachte en zijn mededaders de dood van Ter Haak
opzettelijkhebben uitgelokt. Voor het bewijs van ‘opzet’ is voldoende dat verdachte
‘voorwaardelijk opzet’had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van een omstander, is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het is dus nodig dat er een aanmerkelijke kans was dat een omstander zou worden geraakt, dat verdachte zich bewust was van die kans én dat hij die kans heeft aanvaard; dat hij die kans op de koop toe heeft genomen.
Met de opdracht om Van Hout te vermoorden, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook Ter Haak zou worden geraakt en aan zijn verwondingen zou overlijden. Enig aanknopingspunt dat dit anders is, ontbreekt. Verdachte heeft dus ook opzettelijk de dood van Ter Haak uitgelokt.
7.Moord Endstra en aanslag [benadeelde partij 1]
niet meer mocht betalen’ hetgeen voor Astrid Holleeder betekent dat Endstra wordt omgebracht. Tegen Sonja Holleeder heeft verdachte gezegd dat Endstra ‘
zou gaan’ en tegen Den Hartog heeft verdachte gezegd ‘
dat hij niet meer mag betalen, dan gaat hij eraan’.
“Boks het was hij of ik”. Veel later heeft verdachte tegen Sonja Holleeder gezegd dat, als verdachte door haar één dag zou komen vast te zitten, hij zou regelen dat zij, haar kinderen en haar kleinkinderen zouden worden vermoord, zoals hij ook had gedaan met Van der Bijl en Endstra. Tegen Astrid Holleeder heeft verdachte bij de ontmoeting op de carpoolstrook gezegd dat hij het niet gedaan kan hebben, omdat hij in het buitenland zat.
de uitvoering van de moord: de dadergroep en de uitlokking,
de motieven: afpersing en angst bij Endstra en
de verklaringenvan Astrid en Sonja Holleeder en Den Hartog.
decisivein de lijn die het openbaar ministerie schetst van de uitlokkers via de tussenlaag naar de uitvoerders. Het openbaar ministerie wijst daarbij op Abbasov die Groen als opdrachtgever voor de moord noemt, terwijl Groen een contact is van verdachte. Het gebruik van de uitspraken van Abbasov voor het bewijs, levert volgens de verdediging een schending op van het ondervragingsrecht en daarmee een schending van artikel 6 EVRM Pro.
Verdachte heeft verklaard dat hij bij de verdeling in 1996 tussen Cor van Hout, [betrokkene 4] (hierna ook: [betrokkene 4]) en verdachte 11,5 miljoen gulden heeft ontvangen waarvan hij
8 miljoen gulden bij Endstra heeft geïnvesteerd. Het gaat de verdediging te ver dat die verklaring van verdachte terzijde zou worden gesteld, omdat hij geen details kan geven over die investering. Zeker nu verdachte niet in de gelegenheid wordt gesteld om aanknopingspunten te vinden die zijn verklaring zouden kunnen onderbouwen. Dit laatste is het gevolg van de vernietiging van de administratie van Endstra door het openbaar ministerie. Door de vernietiging van deze administratie kan niet worden vastgesteld of verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen deze moordverdenking iets had kunnen hebben aan bewijsmateriaal dat het openbaar ministerie tot zijn beschikking heeft gehad. De administratie van Endstra had zicht kunnen geven op mogelijke andere financiële motieven voor de moord op Endstra. De verdediging heeft verwezen naar enkele uitspraken van het EHRM. [450]
‘Ik heb niets te verliezen: of ik word afgeschoten of ik praat’heeft Mieremet verteld dat hij een miljoenengeschil heeft met Endstra en verdachte. In het artikel zegt Mieremet dat Endstra gezien kan worden als de bank van de onderwereld en verdachte als de bewaker. Mieremet vertelt verder dat hij na de moord op Klepper ermee bekend is geraakt dat Jocic was ingehuurd om ook hem te vermoorden en dat Mieremet verdachte opdracht had gegeven om het probleem met Jocic op te lossen. Verdachte is bij Mieremet teruggekomen met de boodschap dat Mieremet 10 miljoen D-Mark moest betalen. Mieremet heeft dit bedrag samen met Den Hartog aan verdachte betaald. Van Barsoum heeft Mieremet echter begrepen dat Jocic nooit het volledige bedrag heeft ontvangen.
Het miljoenengeschil dat in 2001 met Endstra en verdachte is ontstaan, had betrekking op California Properties B.V. en de wens van [betrokkene 6], de partner van Mieremet, haar geld terug te krijgen, in totaal 50 miljoen gulden. Mieremet vertelt daarover:
“dat vonden de heren erg lastig”.Mieremet vertelt verder in het Telegraaf-artikel dat hij een boekje open kan doen over witwassen en afpersen van topzakenmensen, maar dat hij aan het verklaren daarover wel een aantal voorwaarden wil verbinden. Mieremet geeft aan dat hij met de politie heeft gepraat en dat deze daarover aan het nadenken is. [451]
‘codicil’genoemd. Aan de hand van deze aantekeningen heeft De Vries met verdachte in april/mei 2011 een telefoongesprek gevoerd. In dit gesprek heeft verdachte verteld over een bijeenkomst op het kantoor van Bram Moszkowicz (hierna ook: Moszkowicz). Verdachte heeft hierover ter terechtzitting in hoger beroep verklaard:
“We hebben op het kantoor van mr. Moszkowicz een gesprek gehad en daar heeft Endstra gezegd dat hij de Ouwe (het hof begrijpt: Hillis) zou betalen. Daar heb ik Dino (het hof begrijpt: Soerel) bij gehaald, zodat hij kon horen dat het goed zat”. [462] Ook heeft verdachte verklaard dat Endstra op het kantoor van Moszkowicz heeft gezegd, dat hij het ging regelen via buitenlandse vennootschappen en dat Soerel erbij zat als de oren van Hillis. [463]
‘constructie’die Endstra had bedacht om al die criminelen die bij Endstra om hun geld kwamen vragen, via buitenlandse vennootschappen van [betrokkene 28] te gaan betalen. Dit naar aanleiding van het feit dat Endstra in het nieuws kwam
‘met al die Mieremet verhalen’.Verdachte zegt in zijn gesprek met De Vries dat Hillis geld tegoed had van Endstra en dat Hillis dat geld gewoon wilde hebben. Hillis is daarvoor naar verdachte gekomen en verdachte heeft daar gesprekken over gevoerd en bij die gesprekken is Soerel namens Hillis natuurlijk aanwezig geweest. Zo ook het gesprek op het kantoor van Moszkowicz. Hillis had geen 17 miljoen tegoed. Op de vraag van De Vries hoeveel wel, heeft verdachte geantwoord: 10 miljoen. [464] Verdachte heeft in dit telefoongesprek ook verteld dat hij daar (het hof begrijpt: over de
‘constructie’van Endstra) als eerste met [betrokkene 28] over heeft gesproken. [465] Verdachte vermoedt dat het gesprek met [betrokkene 28] vóór het incident op het kantoor van Moszkowicz heeft plaatsgevonden, maar hij weet dat niet zeker. [466] Verdachte heeft verder verklaard dat het gesprek op het kantoor van Moszkowicz op een nette manier is gegaan en dat Lydia de Witt (hierna ook: De Witt), de secretaresse van Moszkowicz, juist degene is geweest die heeft verklaard dat er geen bedreiging op het kantoor van Moszkowicz is geweest. [467] De bijeenkomst op het kantoor van Moszkowicz zou volgens verdachte op verzoek van Endstra hebben plaatsgevonden. [468] Anders dan verdachte heeft verklaard, heeft hij in zijn handgeschreven codicil genoteerd: “
WE (het hof begrijpt: Endstra) bedreigd over te goed geld ouwe (het hof begrijpt: Hillis) in mijn (het hof begrijpt: verdachte) bijzijn”. De naam Dino (het hof begrijpt: Soerel) wordt middels een streep met deze tekst verbonden. [469]
‘mafkees’(het hof begrijpt in deze context: verdachte) er was met een paar Joegoslaven en dat Endstra een pistool op zijn hoofd had gehad. [471] Maruf Mrzic heeft verklaard dat zijn bijnaam Paja is en dat verdachte een van de mensen is waar hij het meeste mee omgaat en dat hij een goede vriend van hem is al ongeveer twaalf jaar. Mrzic kent Soerel van vroeger uit het uitgaansleven en hij heeft Endstra in 1985 ontmoet met zijn vriend [betrokkene 8] (hierna ook: [betrokkene 8]). Mrzic is wel eens op het kantoor van Moszkowicz geweest. Hij heeft toen niet met Moszkowicz gesproken maar met iemand anders. [472] Officier van justitie [Officier van justitie 2] (hierna ook: [Officier van justitie 2]) en inspecteur van politie [politieambtenaar 1] (hierna ook: [politieambtenaar 1]) hebben Moszkowicz in een gesprek op 1 december 2003 meegedeeld dat de CIE had vernomen dat personen door of vanwege Moszkowicz naar zijn kantoor zijn ontboden en daar op ernstige wijze werden bedreigd door onder anderen verdachte en Paja. Moszkowicz gaf hierop direct toe dat een dergelijk incident één maal had plaatsgevonden. Hij zei dat verdachte misbruik van de situatie had gemaakt, via de secretaresse van Moszkowicz X en Y had ontboden en dezen vervolgens had bedreigd. [473] De Witt, voormalig secretaresse van Moszkowicz, heeft verklaard dat zij, voor zover zij weet, Paja (het hof begrijpt: Mrzic) één keer op het kantoor van Moszkowicz heeft gezien. Zij kan zich herinneren dat er een ontmoeting is geweest op de kamer van Moszkowicz. Toen De Witt thee kwam brengen, waren in die kamer aanwezig: verdachte, Endstra, Soerel en Paja. [474]
‘constructie’van Endstra was. Endstra zou criminele investeerders gaan terugbetalen via buitenlandse vennootschappen van [betrokkene 28]. Verdachte is deze constructie eerst met [betrokkene 28] gaan bespreken en zou daarbij hebben aangegeven dat Endstra [betrokkene 28]
‘met die ouwe (het hof begrijpt: Hillis)’had geholpen en dat [betrokkene 28] nu Endstra moest helpen. Verdachte zou tegen [betrokkene 28] hebben gezegd dat Endstra
‘wat dingen in het buitenland moet betalen, maar dat wil ie niet van z’n rekening dus jij moet het alleen even ontvangen en je krijgt toch nog geld van hem, dan ken dat in 1 keer verrekend worden’. [betrokkene 28] zou daarop gezegd hebben
: “ik neem contact op met Endstra”.En die heeft het toen met Endstra geregeld dat ie ’t ging doen, aldus verdachte die verder nog tegen De Vries heeft gezegd:
“[betrokkene 28] heb nooit geweten, dat wil ik er wel bij zeggen, dat er geld naar die ouwe of naar criminelen moest he”. [478]
‘verrekenen’dan ook onbegrijpelijk. De vraag of [betrokkene 28] wellicht nog een vordering had op Endstra is in deze zaak tegen verdachte niet van belang. De kernvraag is of Endstra vrijwillig en op eigen initiatief die betalingen is gaan doen volgens deze
‘constructie’of dat hij tot betalingen is gedwongen en deze bedragen van hem dus zijn afgeperst door onder anderen verdachte.
indien en voor zover het hof betekenis toekent aan dit taxatierapport”), is dus niet vervuld en er ligt dan ook geen verzoek voor waarop het hof een beslissing moet nemen.
‘dat aan hem vaak dingen worden gevraagd’. [482]
‘als een soort lening’. [betrokkene 28] had recht op dat geld van Endstra. Endstra wilde voorafgaand aan het overmaken van het geld aan [betrokkene 28] weten of [betrokkene 28] hem zou helpen. Endstra zou tegen verdachte hebben gezegd dat hij het doorbetaalde geld zou terugstorten aan [betrokkene 28]. Het geld moest via buitenlandse vennootschappen bij criminelen terecht komen, aldus verdachte. [483]
“Toen het scheef liep, is Hingst naar Endstra toe gegaan en hij zei tegen Endstra dat [betrokkene 28] een probleem met Hillis had. Ik ken Hingst niet. Endstra heeft mij toen gevraagd om de situatie op te lossen. Hingst uitte een bedreiging en Endstra nam die bedreiging serieus. Hillis had 10 miljoen gulden bij Endstra geïnvesteerd.” [484]
‘die ouwe’had geholpen. [betrokkene 28] heeft daarop het volgende verklaard: “
De hulp van Endstra heeft betrekking op het Ibiza-verhaal. [Betrokkene 61] (hierna: [Betrokkene 61]) was daarbij betrokken. Ik was toen in Amerika. Ik vond de samenwerking met [Betrokkene 60] geen goed idee. Het ging om de ontwikkeling van een discotheek en appartementen. Als we in de discothekenbranche zouden gaan, dan zouden banken ons niet meer serieus nemen. Ik adviseerde [Betrokkene 61] om een brief te schrijven en zich terug te trekken. Als je een grote vastgoedportefeuille hebt, dan is het niet verstandig om in dit soort bedrijven te gaan beleggen.” [485]
jij moet het alleen even ontvangen”.Die formulering wijst erop dat het ging om betalingen die nog moesten gaan plaatsvinden. Het hof stelt vast dat noch verdachte noch [betrokkene 28] duidelijk heeft gemaakt in welk opzicht Endstra [betrokkene 28] behulpzaam is geweest in het zogenoemde Ibiza-verhaal. Het hof stelt verder vast dat de verklaring van [betrokkene 28] geen aanknopingspunten bieden voor de stelling dat [betrokkene 28] met de ontvangen gelden van Endstra als
‘een soort lening’betalingen voor Endstra in het buitenland zou gaan doen. Deze omstandigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van wat verdachte over deze constructie heeft verklaard.
Het hof acht, gelet op het voorgaande, ook bij nadere beschouwing van het verhaal van verdachte niet aannemelijk geworden dat Endstra een constructie had bedacht waarmee hij investeringen via buitenlandse vennootschappen zou gaan terugbetalen en dat hij de betalingen aan [betrokkene 28] in dat kader heeft gedaan.
‘Aandelenoverdracht’,gedateerd 20 november 2002. Uit deze overeenkomst volgt dat The Blues Company 20 aandelen California Properties verkoopt aan [betrokkene 55] (12 aandelen) en [Betrokkene 62] (hierna ook: [Betrokkene 62]) (8 aandelen) voor een totaal bedrag van € 7.940.000,-. Van dit bedrag is op de datum van koop/verkoop reeds € 700.000,- voldaan en is € 718.000,- middels schuldoverneming voldaan. Van het resterende te betalen bedrag van € 6.522.000,- is in totaal € 2.900.000,- voldaan. Na de liquidatie van Endstra is op de derdenrekening van [betrokkene 30] nog in totaal € 352.401,80 voldaan. Uiteindelijk is het bedrag van € 3.269.598,20 niet voldaan.
Endstra heeft zich in deze aandelenoverdracht in privé borg gesteld voor de nakoming van alle verplichtingen die voor de koper ([betrokkene 55] en [Betrokkene 62]) uit de overeenkomst voortvloeien. [486]
‘maximaal, puntgaaf helemaal uitgerekt en uitgerekt 35 miljoen’is en dat hij zich daar hard voor kan maken. Endstra vervolgt dan met de mededeling dat dat dan 17½ miljoen Nederlandse guldens de man is. [betrokkene 30] geeft in reactie hierop aan dat een lening van 1½ miljoen gulden in mindering moet worden gebracht en komt dan uit op 16 miljoen gulden. [488]
“en dan heb je nog een stuk over”en
“als het dan wat rustiger is, en hij kan zijn vrouw weer normaal adviseren, ofwel zijn ex-vrouw. Dan zal ik zorgen dat zij met een aan haar gelieerde nette partij, dat ik daar gewoon wat zaken mee doe. Dat we dan op een bedrag komen waar zij tevreden mee is”. [489]
“Endstra had namelijk aangegeven dat hij liquiditeitsproblemen had. Gedurende 2003 heb ik Endstra zien veranderen van een strakke zakelijke persoon in (een) labiele persoon, waarvan de angst van (het) gezicht te lezen was. Deze angst kwam voort uit het feit dat hij voor zijn leven vreesde, dat hij werd bedreigd en werd afgeperst. Dit heeft hij mij verteld en daarbij mij verzocht om hem juridisch niet kapot te maken door hem te houden aan de termijnen en tot uitwinning over te gaan. In december 2003 heeft Endstra aan mij een brief overhandigd die in een gesloten envelop zat. Ik moest deze openen en aan de politie overhandigen indien hij zou worden doodgeschoten. Vervolgens hebben in 2004 nog diverse gesprekken met Endstra plaatsgevonden om toch te komen tot betaling van de nog verschuldigde termijnen, rente en bijgekomen kosten. Ik kan me niet herinneren of er in 2004 nog geld betaald is. In januari 2004 is uiteindelijk overgegaan tot het leggen van beslag op een aantal panden van Endstra in privé. Dit waren allemaal panden in IJmuiden en een (1) in Amsterdam. Dit eigendom is vastgesteld via kadastrale recherche. Hierbij wil ik nog opmerken dat reeds in juli 2003 beslag is gelegd op het pand waar zijn ex-vrouw woont in Zandvoort om toch enige druk uit te oefenen. Op al deze panden ligt nog steeds beslag. Er is nog sprake van een schuld van enkele miljoenen, ongeveer 3 miljoen euro. De verwachting is dat het beslag dit bedrag dekt. Het bedrag loopt wel steeds op vanwege de overeengekomen rente van 6%. De verwachting is dat er binnen afzienbare tijd zal worden overgegaan tot uitwinning”. [490]
‘dat we het dan daarmee moesten doen’. Op verzoek van Endstra heeft Zeegers een handgeschreven brief voor [betrokkene 30] opgesteld. Er moest volgens Endstra die avond nog een mededeling naar Mieremet. Endstra wilde beslist niet dat die brief op de computer werd gemaakt. De brief had de strekking dat Zeegers als beoogd directeur van de twee BVI maatschappijen moest bevestigen dat Zeegers zo spoedig mogelijk de aandelen,
‘aan uw cliënt in onderpand zou geven’.In antwoord op de vraag van Zeegers wat er aan de hand was, had Endstra gezegd dat Endstra een financiële regeling met Mieremet had getroffen, ten einde uitstel van betaling te verkrijgen voor een vordering van 3 miljoen euro. [betrokkene 30] had namens Mieremet zekerheden bedongen, te weten de verpanding van onder andere deze toonderaandelen en de aandelen Seaport Marina Holding B.V. Zeegers is die avond samen met Endstra naar de woning van [betrokkene 30] in Zuid-Limburg gereden om de brief te bezorgen. In de auto heeft Endstra de situatie verder uitgelegd. [491] Zeegers heeft verklaard dat hij tijdens de autorit met Endstra naar Stein (Limburg) Endstra heeft aangesproken over het bezoek van verdachte die middag. Endstra heeft Zeegers toen verteld dat hij een regeling had getroffen met Mieremet en met verdachte. Mieremet zou 3 miljoen krijgen. Zeegers dacht dat Endstra euro's bedoelde; dan zou hij van Mieremet af zijn. Verdachte zou hem 6 maanden uitstel hebben gegeven voor zijn laatste betaling. Zeegers meent zich te herinneren dat het om 6 miljoen gulden ging. [492]
“ik heb de opdracht gekregen uiterlijk morgen alles af te handelen volgens afspraak of anders over te gaan tot actie, hoop tijdig van U te vernemen, groet ab”. Uit een sms-bericht van [betrokkene 30] aan Endstra op 22 april 2004 kan worden opgemaakt dat er sprake is van een onderpand ten gunste van Mieremet. [betrokkene 30] schrijft daarover:
“Als ik morgen het onderpand echt compleet ontvang en de ondertekende overeenkomst kan ik verder. Als ik niets ontvang krijgt de deurwaarder opdracht tot executie. gr. Ab”. In een sms-bericht van [betrokkene 30] op 27 april 2004 schrijft hij aan Endstra de volgende tekst:
“Vandaag zou u mij bellen. Ik heb niets gehoord. Moet ik hieruit concluderen dat ik de opdracht aan de deurwaarder kan geven? gr. [betrokkene 30]”. [493]
‘compleet’ontvangen van het onderpand, waarmee hij kennelijk doelt op de originele aandelen aan toonder.
‘wit geld’en
‘officieel’is. Wel is juist als Endstra vertelt dat [betrokkene 6] hem met advocaten, zij het slechts met één advocaat, in de nek zit. [496]
“[betrokkene 30]: Zal u zeggen wat ik op afstand heb gedacht. Op afstand heb ik gedacht: Het zal wel zo zijn dat meneer Endstra afgeperst wordt, maar niet door mevrouw [betrokkene 6]. Ook niet door mijnheer Mieremet. Mijn idee was het kan haast niet anders zijn dan dat ..ntv afgeperst wordt.Endstra: Dat stond in de krant.[betrokkene 30]: Dat krantenverhaal kan ik me best wel voorstellen.” [497] Anders dan verdachte, leest het hof in deze interactie niet dat [betrokkene 30] hier het initiatief neemt om verdachte vals te beschuldigen van afpersing met als doel dat de naam van Endstra gezuiverd kon worden en de banken weer met hem zouden willen gaan samenwerken. [betrokkene 30] zegt hier slechts wat hij heeft gedacht, mede op basis van wat hij de dag daarvoor in de krant had gelezen. In dat krantenartikel staat als uitspraak van Mieremet:
“Willem Holleeder roept overal dat hij de grootste wil worden. Die man is zo geraffineerd en weet mensen feilloos tegen elkaar uit te spelen. Waarschijnlijk wordt Endstra door hem ook onder druk gezet. Holleeder is er alleen maar op uit om zo veel mogelijk in zijn bezit te krijgen. Omdat hij zelf niets op zijn naam wil hebben, probeert hij alles over te schrijven naar zijn vriendin, die afkomstig is uit een rijke vastgoedfamilie met een goede reputatie. Ik heb eerder laten doorschemeren naar de politie te stappen als ze niet betalen waar mijn vriendin recht op heeft. 'Waag het niet', heeft Holleeder gezegd. 'Dan gebeurt met jou hetzelfde als met Mink K. Die heeft de IRA al achter zich aan.”
“maar er is één voorwaarde: Er moet geen beslag op liggen. Als straks alles in beslag genomen wordt door de FIOD, dan kan ik niet meer betalen”. [499] Endstra zegt tegen [betrokkene 30] dat het handig zou zijn als Mieremet naar een psychiater zou gaan die zou kunnen verklaren dat Mieremet waanideeën had. Deze uitspraken kunnen inderdaad worden gezien als een poging om ervoor te zorgen dat de reputatie van Endstra zou worden hersteld, zodat de banken zich niet zouden terugtrekken en Mieremet kon worden uitbetaald. Het hof vindt wel aannemelijk geworden dat Endstra en Mieremet in zoverre een gezamenlijk belang hadden; het hof vindt echter niet aannemelijk geworden dat dit gesprek bewijst dat [betrokkene 30] en Endstra samen een valse beschuldiging tegen verdachte hebben bedacht. Dat volgt niet uit dit gesprek. Het hof heeft ook onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de vaststelling dat Endstra en Mieremet vervolgens hebben afgestemd wat Endstra op de Achterbank tegen de CIE zou gaan zeggen en wat Mieremet tegen de Belgische politie zou gaan zeggen.
‘witte’transactie, is gedaan met crimineel geld. Het hof merkt overigens voor de volledigheid op dat dit niet in een gerechtelijke procedure is vastgesteld.
’constructie’had bedacht bestaande uit het doen van terugbetalingen aan criminelen via buitenlandse vennootschappen van [betrokkene 28].
“ken jij die en die? blijf dan maar even uit zijn buurt!”. In die gevallen werd de desbetreffende persoon binnen twee weken geliquideerd. Endstra vertelt in dit Achterbankgesprek ook over de bijeenkomst op het kantoor van Moszkowicz waar hij door Soerel is bedreigd en geld moest overmaken omdat hij anders zou worden afgeschoten. Endstra is angstig voor het uitlekken van zijn gesprek met de CIE omdat dat zijn dood zal betekenen. [510] In het tweede Achterbankgesprek vertelt Endstra dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat verdachte [betrokkene 59] ging doodschieten als Endstra niet zou betalen en dat hij [Betrokkene 63] zou neerknallen. Endstra vertelt dat hij betaalt omdat hij geen andere oplossing weet. Volgens Endstra zou verdachte op een gegeven moment bang zijn dat Endstra verdachte zou vermoorden. Endstra herhaalt dat, als ze weten dat hij met de CIE sprak, zij hem doodschieten. [511] In het vierde Achterbankgesprek heeft Endstra verteld dat hij in de nacht visite heeft gehad van verdachte. Endstra moet betalen en als hij dat niet zou doen, dan wist Endstra wel wat er zou gebeuren. Verdachte en Soerel noemen dat
‘een beetje onder druk houden’. Endstra vertelt dat ze een bedrag hebben vastgesteld en dat, als hij dat zou betalen, hij er dan vanaf is. Endstra moet voor 1 mei betalen. Endstra vertelt dat sprake is van een afpersing voor miljoenen, dat dat op papier staat, dat hij dat kan aangeven maar dat ze hem dan vermoorden. [512] In het vijfde Achterbankgesprek vertelt Endstra erover dat hij niet mag zeggen dat hij afgeperst wordt, want anders wordt hij vermoord. Hij vertelt dat verdachte schermt met Soerel en dat ze opscheppen met iedereen die ze vermoord hebben. Endstra vertelt over zijn eigen kwetsbaarheid: hij gaat weliswaar met zijn auto, maar hij stapt soms voor zijn kantoor uit. Endstra zinspeelt ook op het doden van verdachte en vraagt zich daarbij af wat zijn straf zal zijn. Endstra herhaalt ook dat het zijn dood betekent als bekend wordt dat hij praat met de politie. Verdachte zegt steeds tegen Endstra:
“je wil toch niet dood ?” [513] Endstra vertelt in het zesde Achterbankgesprek dat hij al een heel stuk heeft betaald en dat hij daardoor nog leeft. Aan de andere kant realiseert Endstra zich dat hoe meer hij betaalt, hij toch een gevaar blijft en als hij alles betaald heeft hij de enige is die hen nog wat kan maken. [514] In het zevende Achterbankgesprek vertelt Endstra dat hij weer enige malen is bedreigd met de dood en dat verdachte geld wil. Ook heeft verdachte tegen Endstra gezegd dat Endstra niet meer hoeft te betalen, dat het over is en verdachte hem gewaarschuwd heeft, maar dat het nu over is. Vervolgens moest Endstra toch nog betalen. Endstra wil nog niet vertellen hoe de betalingen lopen want als dat bekend wordt dan ligt hij morgen op de grond. Endstra vertelt ook dat Soerel er een keer bij was en dat Soerel tegen Endstra heeft gezegd dat Endstra niet meer hoefde te betalen en dat het over is. Opnieuw vertelt Endstra dat hij niet meer leeft als bekend wordt dat hij met de politie praat, dat hij dan de morgen niet meer haalt. Endstra herhaalt ook dat Soerel hem heeft bedreigd op het kantoor van Moszkowicz. Tot slot vertelt Endstra dat, mochten ze hem doodschieten, hij alles heeft opgeschreven en dat dit bij een notaris ligt. [515] In het achtste Achterbankgesprek op 1 juli 2003 vertelt Endstra dat hij verdachte weer heeft gesproken en dat die tegen hem heeft gezegd dat er snel betaald moet worden. Endstra heeft daarop tegen verdachte gezegd dat hij het geld niet heeft waarop verdachte gezegd heeft:
“het gaat helemaal fout, het is afgelopen met je, je hoeft niks meer te betalen”. Endstra heeft ook verteld dat verdachte tegen Endstra heeft gezegd dat Endstra voor het einde van de week moet betalen en anders hoeft het niet meer. Verdachte kan Endstra dan niet meer beschermen: Endstra wordt dan doodgeschoten. Endstra vertelt dan:
“dat zegt ie ook nog wel eens weet je wel (het hof begrijpt: dat verdachte tegenover Endstra de suggestie wekt dat hij hem tegen Soerel en Hillis beschermt), en af en toe is ie boos, schiet ie uit zijn rol en dan doet ie het zelf”.Endstra herhaalt wederom dat praten met de politie voor hem levensgevaarlijk is. [516]
op 17 augustus 2003). Verdachte heeft tegen Endstra gezegd:
“straks ligt ie met een kaartje in de vrieskast aan zijn teen en als jij daar ook niet wilt belanden want ik moet nog een stukje betalen”. Verdachte heeft tegen Endstra gezegd:
“Nou, hij zegt, die ouwe (het hof begrijpt hier en hierna: Hillis) die eh... als je dus niet dat restje betaalt dan eh... die ouwe die vermoordt je binnen twee tellen. Hij zegt: dat is nu die ouwe. Weetje wel die eh... Ja. Binnen twee tellen word je omgelegd. Hij zegt, want dan hoef je, je neemt de boel in de maling. Dat eh... je bent rijk zat en eh... En eh. had je maar moeten betalen al. Kijk, straks lig je ook met een kaartje aan je teen in de vrieskast”. Endstra vertelt dat hij denkt dat als verdachte Endstra ziet rondrijden (het hof begrijpt: met de CIE) dat verdachte hem meteen laat opruimen. Endstra vertelt dat hij nog miljoenen euro’s moet betalen binnen twee weken, dat ze dat nog willen hebben en dan is het klaar, maar dat hij dat niet kan betalen ten eerste omdat daar een titel voor moet zijn en ten tweede omdat hij het geld echt niet heeft. Endstra heeft ook verteld dat als hij de verrader is (het hof begrijpt: met de politie praat) dan gaat hij er gewoon aan. [518] In het elfde Achterbankgesprek vertelt Endstra dat Hillis de laatste tijd weer naar voren wordt geschoven als de baas van de groepering. Verdachte heeft tegen Endstra gezegd:
“dat zal die ouwe niet leuk vinden dat je niet meer betaalt”en
“weet je dat ik Dino niet eens durf te zeggen dat je dat laatste beetje nog niet betaald hebt”.
‘gesprek gehad met de drie heren met betrekking tot de hypotheek’.Endstra verdenkt verdachte van die diefstal. [519] In het twaalfde Achterbankgesprek herhaalt Endstra dat als hij overhoop geschoten wordt er bij een notaris een heel dossier ligt hoe zijn financiële situatie in elkaar zit. Endstra vertelt dat verdachte aan hem heeft gevraagd wie die ‘
drie heren’waren en dat verdachte tegen Endstra heeft gezegd:
“je praat met de politie”. Ook heeft verdachte tegen Endstra gezegd:
“jij wil mij laten vermoorden”. Endstra heeft daarop tegen verdachte gezegd dat verdachte hem dan de hand kan geven omdat Endstra heeft gehoord dat verdachte Endstra wil laten vermoorden. [520]
“Je moet er toch wel rekening mee houden. Je hebt het geld toch wel klaar staan want anders ga je der an.”Endstra vertelt dat hij van iemand anders heeft gehoord dat Soerel heeft gezegd:
“nou van mijn hoeft die niet meer te betalen”.Endstra vertelt verder dat hij bang is dat ze zijn kinderen en zijn familie wat aandoen, dat daar ook al mee is gedreigd en dat het niet alleen om hemzelf gaat. Endstra vertelt dat verdachte net doet of het Soerel en Hillis zijn en dat verdachte dan half laat vallen:
“dat die dat zelf (ntv), dat geeft die dan één keer toe en de andere keer doet die weer net of die me helpt”. [521] In het veertiende Achterbankgesprek vertelt Endstra dat hij nog steeds vijf miljoen moet betalen vóór 1 januari 2004 maar dat hij nog niet weet wat hij gaat doen. [522] In het vijftiende en tevens laatste Achterbankgesprek vertelt Endstra dat hij nog leeft, dat hij niet denkt dat hij van alles af is want hij vertrouwt ze voor geen cent. Ook vertelt hij dat hij een klein bedrag niet heeft kunnen betalen. [523]
‘constructie’had bedacht om vrijwillig criminelen terug te gaan betalen via buitenlandse bankrekeningen van [betrokkene 28]. Het hof stelt op grond van de Achterbankgesprekken ook vast dat verdachte met Endstra steeds contact heeft over het doen van betalingen en daarbij de valse indruk probeert te wekken Endstra te willen helpen tegen Soerel en Hillis maar, zoals Endstra vertelt, af en toe uit zijn rol valt.
“Onthoud goed dat als ik vermoord word dan heeft Holleeder dat gedaan”.Zeegers heeft verklaard dat Endstra dit meermalen tegen hem heeft gezegd. Ook heeft Zeegers verklaard dat Endstra hem wel eens heeft verteld hoe verdachte zijn bedreigingen deed. Verdachte bedreigde Endstra nooit direct maar zei dan tegen Endstra
‘dit wordt je laatste kerst’. Verdachte had ook tegen Endstra gezegd dat hij nog een week mocht leven om aan geld te komen. Half december 2003 heeft Endstra aan Zeegers verteld dat Endstra begin januari 2004 zou worden doodgeschoten. [524] In het voorjaar van 2003 heeft Zeegers veel met Endstra gesproken over hoe de bedreigingen plaatsvonden. Endstra voelde het zo dat zijn familie ook werd bedreigd door verdachte en de zijnen. Op de vraag van Zeegers hoe Endstra dacht dat het zou aflopen heeft Endstra geantwoord dat hij dat niet wist, dat hij dacht dat hij moest betalen en dood zou gaan. Endstra hoopte op een gegeven moment dat het afgelopen zou zijn. Endstra had het in die gesprekken altijd over verdachte. [525] Zeegers heeft verklaard dat hij begin maart (het hof begrijpt: 2004) de indruk had dat Endstra weer afgeperst was. Endstra had het weer over een gesprek dat hij had gehad en gebaarde dat het met
‘de neus’(het hof begrijpt: verdachte) was geweest. Zeegers had het gevoel dat het zou gaan aflopen met de dood van Endstra of de dood van verdachte. Endstra heeft in die tijd meer dan eens ter geruststelling aan Zeegers verteld dat er aan gewerkt werd. Endstra heeft Zeegers in maart of april (het hof begrijpt: 2004), in elk geval vóór 18 april, ook eens gezegd dat
‘die jongens op die motoren’voor hem bezig waren. [526] Endstra heeft tegen Zeegers gezegd dat die keer bij Moszkowicz (het hof begrijpt: het kantoorincident december 2002), toen ze hem met de dood bedreigden, hij daar even helemaal kapot van was. [527] Zeegers kan zich herinneren dat Endstra twee dagen vóór zijn dood op zaterdag 15 mei 2004 deze gebeurtenis op het kantoor van Moszkowicz noemde als een van de meest schokkende voorvallen die hem was overkomen. [528] In het tweede kwartaal van 2003 heeft Zeegers van Endstra gehoord dat Endstra gesprekken is gaan voeren met de CIE. Hij zei dat [politieambtenaar 1] alleen maar wilde dat hij aangifte deed. Endstra heeft tegen Zeegers gezegd dat hij ervan overtuigd was dat hij dan binnen de kortste keren dood zou zijn. [529]
“als er wat met me gebeurt dan hangen ze allemaal”. [530] Endstra heeft tegen [betrokkene 54] verteld dat ze hem bedreigden en dat ze hem wilden vermoorden. [531] [betrokkene 54] heeft verklaard dat zij anderhalf jaar voor de dood van Endstra alleen van verdachte als afperser heeft gehoord. Later kwam Mieremet erbij. [532] [betrokkene 54] heeft verklaard dat Endstra verschillende keren tegen haar had gezegd:
“als mij wat gebeurt, dan is hij (het hof begrijpt: verdachte) het”. Zij merkt daarbij op dat als het om je leven gaat, zet je iemand geen hak. [533]
“als mij wat gebeurt dan weet je nu ook wel wie het gedaan heeft”. [534] [betrokkene 11] heeft verklaard dat Endstra moest betalen, omdat hij toezeggingen had gedaan en die moest hij gewoon nakomen en als hij die niet nakwam dan werd hij geliquideerd. Dan was het gewoon over met hem. En er moesten flinke sommen betaald worden om hem zeg maar in leven te houden. [535] [betrokkene 11] heeft verklaard dat Endstra de laatste maanden (het hof begrijpt: van zijn leven) echt wanhopig was vanwege een afpersing met een doodsbedreiging. Endstra was volgens [betrokkene 11] als de dood voor die man (het hof begrijpt: verdachte) en heeft altijd gezegd:
‘als mij wat gebeurt heeft hij het gedaan’. [536]
“blijf bij Endstra uit de buurt want die gaat om”. [Betrokkene 65] heeft verklaard dat met
‘omgaan’wordt bedoeld dat iemand wordt vermoord. [543]
10 april 2003 mondeling tegenover [notaris 1] heeft afgelegd. [notaris 1] heeft deze verklaring uitgeschreven. [544] [notaris 1] heeft verklaard dat Endstra zonder afspraak zijn kantoor was binnengelopen en heeft verteld dat hij zich onheus bejegend heeft gevoeld bij [advocatenkantoor] Advocaten en dat hij daar een verklaring over wilde afleggen. [notaris 1] vond dat Endstra gespannen was en merkte dat Endstra zijn verhaal wilde vertellen. [545] Endstra was zeer geëmotioneerd en hoogst ongelukkig met de dingen die hem waren overkomen. [546] In de verklaring die Endstra bij notaris [notaris 1] heeft afgelegd, heeft hij onder meer verklaard dat hij diezelfde dag, 10 april 2003, aan [politieambtenaar 1], hoofd CID in Amsterdam, heeft verteld dat verdachte en Soerel achter de afpersing zaten. Ook heeft Endstra verklaard dat de vordering van [bedrijf 9] te Panama van € 3.857.000,- waarover bij [advocatenkantoor] was gesproken, geen rechtsgrond heeft, dat hij zich zal inspannen desondanks de bedragen te betalen onder dreiging van zijn liquidatie. Endstra heeft aan zijn verklaring het verzoek verbonden dat mocht Endstra toch worden geliquideerd, [notaris 1] deze verklaring aan de politie zou overhandigen. [547]
“Meermalen zijn wij met de dood bedreigd indien wij niet betaalden. Ook is medegedeeld dat wij niet aan uw cliënt mochten betalen; dit zou tot gevolg hebben dat ondergetekende dan wel familie van mij zou worden “opgeruimd”, geliquideerd. De bedreigingen houden aan en maken het mij en mijn familie moeilijk om op een normale manier verder te leven.” [549]
In dit verband is overigens nog van belang dat verdachte stelt dat [betrokkene 30] met Endstra het initiatief heeft genomen om verdachte vals te gaan beschuldigen van afpersing. Onder die omstandigheden had het voor Endstra geen zin gehad om in zijn geschil met [betrokkene 30] over de betalingsregeling op 2 december 2003 een brief te schrijven met als verontschuldiging dat hij door verdachte werd afgeperst.
In zowel de Achterbankgesprekken, als de verklaringen van getuigen uit de omgeving van Endstra, als ook in de verklaringen van notaris [notaris 1] en advocaat [betrokkene 30] en de door hen overgelegde documenten ziet het hof geen enkel aanknopingspunt dat er andere criminelen zijn geweest die in deze periode geld bij Endstra hebben opgeëist onder dreiging met geweld. Het hof ziet geen reden voor Endstra, mocht dit anders zijn, om daar niet over te verklaren. Of Endstra in het kader van de ontvlechting nog geld verschuldigd was aan [betrokkene 28] kan, zoals het hof eerder heeft overwogen, in het midden blijven. De betalingen door Endstra hebben immers volgens de verklaring van verdachte zelf, plaatsgevonden binnen een
‘constructie’waarin via buitenlandse vennootschappen geld zou worden teruggegeven aan criminelen. Verdachte heeft hierbij gewezen op Hillis die langs die route geld van Endstra zou krijgen, maar ook op zichzelf. Verdachte heeft verklaard dat het Endstra is geweest die deze constructie heeft bedacht en voorgesteld. Het hof stelt echter vast dat voor deze stellingname in de Achterbankgesprekken en de overige getuigenverklaringen geen enkel aanknopingspunt is te vinden. De verklaringen van Endstra en de getuigen uit zijn omgeving geven blijk van een langslepend traject van afpersing door onder anderen verdachte en passen niet bij vrijwillige terugbetalingen van Endstra aan criminele investeerders via rekeningen van [betrokkene 28].
Het hof is dan ook van oordeel dat de betalingen van Endstra hebben plaatsgevonden in een afpersingsconstructie van verdachte, Soerel en Hillis, waarbij Endstra is gezegd dat hij zou worden vermoord als hij niet zou betalen.
Het hof acht ook niet aannemelijk dat Endstra bij [notaris 1] in strijd met de waarheid een codicil heeft neergelegd, waarin hij spreekt over onverschuldigde betalingen onder doodsdreiging en waarbij hij de instructie heeft gegeven om dit codicil bij zijn liquidatie ter kennis te brengen van justitie. Het hof acht evenmin aannemelijk dat Endstra aan [betrokkene 30] een brief schrijft met de instructie deze bij zijn liquidatie aan justitie te overhandigen waarvan de inhoud onjuist zou zijn. Het hof acht tot slot ook niet aannemelijk dat Endstra tegenover zijn omgeving gedurende een lange tijd ten onrechte verdachte aanwijst als zijn afperser die hem met de dood bedreigt. Indien verdachte onschuldig zou zijn en de afpersingen en doodsbedreigingen door anderen zouden zijn gedaan, had Endstra daarover kunnen verklaren, ook tegenover de CIE.
Voor het hof is op zichzelf ook niet relevant of uit onderzoek naar die administratie zou kunnen blijken dat andere criminelen bij Endstra hebben geïnvesteerd. Er zijn geen aanknopingspunten voor dat anderen dan verdachte, Soerel, Hillis en Mieremet geld hebben opgeëist bij Endstra. Verdachte, die heeft verklaard de functie van doorgeefluik van informatie te hebben vervuld tussen Endstra en criminele investeerders, heeft ook geen namen van anderen genoemd. [550] Ook is niet van belang of uit die administratie zou kunnen blijken of verdachte en Hillis bij Endstra hebben geïnvesteerd. Waar het om gaat is of verdachte, Soerel en Hillis door de dood in het vooruit zicht te stellen Endstra hebben gedwongen om in ieder geval de tien betalingen aan [betrokkene 28] te doen ten behoeve van Hillis, maar ook ten behoeve van verdachte. Tot slot is de administratie niet van belang voor beantwoording van de vraag of [betrokkene 28] nog een vordering had op Endstra nu, zoals ook volgt uit de verklaring van verdachte zelf, de betalingen van Endstra aan [betrokkene 28] niet in dat kader hebben plaatsgevonden. Gelet op al deze overwegingen behoeft de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het EHRM geen verdere bespreking.
“je hoeft niet meer te betalen, het is over, ik heb je gewaarschuwd, maar nu is het over en eh…toen moest ik nog wel betalen”. [551] Ook heeft Endstra verklaard dat Soerel tegen hem heeft gezegd:
“nou, je hoeft niet meer te betalen, het is over”. [552] Endstra heeft verklaard over de ontmoeting met Hillis in het Beatrixpark waarbij Hillis een ijsmuts droeg. Ook verdachte heeft daarover een aantekening gemaakt in zijn codicil. [553] Volgens Hillis duurde het allemaal te lang en heeft hij Endstra gesommeerd vijf miljoen euro vóór 1 januari 2004 te betalen. [554]
“Hij mag niet meer betalen, mij willen laten vermoorden, dat gaat hem niet lukken, want hij gaat er eerst aan”.Den Hartog heeft verklaard dat verdachte dan weer zo'n handgebaar maakt. Het gaat gewoon allemaal om geld, hij mag niet meer betalen en dan is hij in zijn eer gekrenkt, dan mag hij niet meer betalen en dan gaat hij er eerder aan, dan gaat hij eraan, dan is het gewoon afgelopen, aldus Den Hartog. [559] Den Hartog heeft verklaard dat verdachte wist dat Endstra met de politie sprak en dat hij daarover uit zijn dak ging.
“Als je met de politie praat, dan teken je je doodvonnis bij hem, want dan raak je hem persoonlijk hè. Dan kan hij wel eens gearresteerd worden. Dat wil hij dus echt absoluut niet. Dus vanaf het moment dat bekend werd dat hij met de politie praatte, dat hij dat wist, ja... kon je Willem Endstra wel gedag kussen. Dat zei hij ook, weer vloeken dan hè. "Kankerhond, praat met de politie”. [560] Den Hartog heeft ook verklaard dat het klopt dat verdachte, als hij het heeft over mensen die dood gaan, zegt dat je daar uit de buurt moet blijven want die gaat binnenkort
‘liggen’en dat dat best beangstigend is. Hij heeft dit over Endstra gezegd. [561]
“ik kan het niet gedaan hebben, ik kom net uit het buitenland”. [562]
“Boks, het was hij of ik”.Sonja Holleeder heeft verklaard dat ze een wegraking kreeg toen ze dat hoorde; ze werd er helemaal niet lekker van. [563] Sonja Holleeder heeft verklaard dat het voor haar geen verrassing was, omdat verdachte al eerder bij haar op het toilet had gezegd:
“Endstra gaat er aan”. [564]
“Zie je nou wat er gebeurt, je moet luisteren!” en“
Als ik wat zeg, dan luister je gewoon, want je ziet wat er aan de hand is. Dus volgende keer als ik het zeg, doe jij gewoon wat ik zeg”. [566]
“Pas op Son, als je praat, dan ga je eraan, dan lig je op de grond. Dan is het gebeurd en ga je net zoals Cor, ga je net zoals Endstra. Als ze praat over Cor, dan los ik het probleem gelijk op, dan moet ik het gelijk oplossen”.Astrid Holleeder heeft verklaard dat een probleem oplossen betekent liquideren. Weg ermee, dan kan ze (het hof begrijpt: Sonja Holleeder) ook niet meer praten. [567]
: “Als ik door jou één dag vast kom te zitten, regel ik vooraf dat je kleindochter, je kinderen en jezelf doodgeschoten worden. Dus laat ik het nooit merken dat je over Cor of anderen hebt verklaard met de politie”.Verdachte heeft tegen Sonja Holleeder gezegd dat hij het zo met Thomas (het hof begrijpt: Van der Bijl) heeft gedaan en dat hij het zo met Endstra heeft gedaan. Verdachte heeft in het gesprek met Sonja Holleeder opeens gezegd:
“Ja, laat ik het niet merken, want dan regel ik het vooraf, net als bij Thomas en bij Endstra”. [568] Het hof stelt op grond van deze gebeurtenissen vast dat verdachte direct na de moord op Endstra heeft erkend dat hij bij deze moord betrokken was en zich heeft verontschuldigd tegenover zijn zussen; Endstra moest wel worden vermoord, anders zou verdachte zelf worden vermoord. Later in de tijd heeft verdachte gedreigd om Sonja Holleeder te laten vermoorden. In dat kader heeft verdachte gezegd dat hij het met Sonja Holleeder net zo zou regelen als hij het had geregeld met onder anderen Endstra. Met dat dreigement zei verdachte ook dat hij de moord op Endstra had geregeld.
‘Endstra heeft me ook willen pikken. Daarom, dat ik dat heb gedaan. Kijken als ze op de grond ligt, wat ze doet’.Zij heeft daarbij uitgelegd dat
‘op de grond liggen’betekent dat iemand vermoord is en dat verdachte hier de parallel trekt met Endstra:
‘Endstra lag ook op de grond. Endstra heeft hem ook gepikt’.Astrid Holleeder bevestigt dit met de woorden
‘Ja, weet ik’. [569]
‘die Endstra heeft me ook willen pikken’. [570] Op 12 november 2021 heeft verdachte in aanvulling daarop verklaard dat hij in de daaropvolgende zin hoort dat hij zegt
‘hebbe gedaan’. [571] De vraag waarom verdachte Endstra in dit gesprek ter sprake brengt, vond verdachte moeilijk te beantwoorden. Verdachte heeft verklaard dat hij zich financieel benadeeld voelde door Sonja Holleeder, maar waarom hij Endstra dan ter sprake bracht, is volgens verdachte
‘speculeren, hij zou zeggen omdat hij de indruk had dat hij met die film bestolen werd, maar kan dat niet met zekerheid zeggen’, hij
‘herkent het niet echt, zou het echt niet weten’. Het hof heeft verdachte ermee geconfronteerd dat hij hier verwijst naar de vermoorde Endstra als iemand die verdachte
‘ook heeft willen pikken’in de context van doodsbedreigingen aan Sonja Holleeder, omdat zij verdachte financieel zou benadelen. Het is de vraag wat maakt dat verdachte in die context Astrid eraan herinnerde dat Endstra hem ook had willen pikken. Verdachte heeft daarop verklaard dat hij het
‘niet in die context heeft gezegd’. In welke context verdachte dit volgens hem dan wel heeft gezegd, is niet duidelijk geworden. [572]
‘gedaan’ook kan slaan op hetgeen tussendoor nog door verdachte is gezegd, maar onverstaanbaar is. Als al wordt aangenomen dat verdachte zou hebben gezegd dat hij iets heeft gedaan omdat Endstra hem heeft willen pikken, betekent dat nog niet dat hij zegt dat hij Endstra heeft vermoord.
‘Het gedaan’kan ook zien op het onder druk zetten of bedreigen van Endstra om aan extra geld te komen. Ook dat zou volgens de verdediging in de context van het gesprek passen.
Deze verklaring past in de context van dit gesprek en sluit vrij precies aan bij de delen van de opname die – ook voor verdachte – wel verstaanbaar zijn. Ook sluit deze verklaring aan bij de wijze waarop verdachte zich ook in andere opnamen presenteert als iemand die moorden laat plegen in reactie op financiële benadeling of praten met de politie. Opvallend is dat verdachte in dit gesprek ook daaraan refereert (
‘misschien praat ze wel met de kit’(het hof begrijpt: de politie). Zoals uit deze opname blijkt, en verder in hoofdstuk 3 is toegelicht, is dat voor verdachte een reden om iemand te laten doodschieten.
‘dat Endstra hem ook heeft willen pikken’een andere betekenis krijgt dan die is gegeven door zijn gesprekspartner. De suggesties van de verdediging over andere mogelijke betekenissen van deze uitlatingen worden ook terzijde geschoven, omdat verdachte zelf een dergelijke uitleg niet heeft gegeven en deze suggesties ook niet op een andere manier aannemelijk zijn geworden.
Het hof kan in het algemeen de verdediging in dit standpunt volgen. Wel kan bewijs voor een motief ondersteuning bieden aan een verklaring van een getuige wanneer die getuige heeft verklaard over uitspraken van verdachte die aansluiten bij dat motief. Als Astrid Holleeder bijvoorbeeld heeft verklaard dat Endstra zou worden doodgeschoten omdat hij niet meer mocht betalen, dan kan onderzoek naar dat motief helpen bij de beoordeling of aan de verklaring van Astrid Holleeder geloof gehecht kan worden. Ook kan een motief van betekenis zijn als het betrekking heeft op een gedraging van het slachtoffer (denk aan: praten met de politie), als verdachte (ook in een ander verband) heeft gezegd dat zo’n gedraging zal leiden tot de dood. Het hof zal specifiek onderzoeken of een direct verband tussen de gestelde motieven en de uitlokking van de moord is aan te wijzen.
"Gesprek gehad met de drie heren met betrekking tot de hypotheek". [580] Deze aantekening duidde op een gesprek van Endstra met de CIE. Endstra heeft verklaard dat verdachte op enig moment tegen Endstra heeft gezegd:
“wie waren (die) drie heren (..) je praat met justitie.” [581]
“ik weet het, maar ik moet het nog even geheim houden”. Het had volgens Astrid Holleeder te maken met degene van wie hij het gehoord had. Verdachte wilde die persoon niet verraden. [584] Astrid Holleeder heeft verklaard dat, gelet op de druk die op Endstra werd uitgeoefend, het te verwachten was dat Endstra ook actie zou ondernemen. Dat verdachte dan op zijn beurt weer actie zou ondernemen, viel ook te verwachten. [585]
“Godverdomme, ik kom er net achter, ik ben gewaarschuwd, die Endstra wil mij laten vermoorden, hij mij, wie denkt hij wel niet dat hij is”.Verdachte had gehoord dat Endstra hem wou laten vermoorden doordat iemand een bom ging leggen in het clubhuis waar hij elke dinsdagavond kwam. [587] Verdachte heeft Den Hartog dat schreeuwend en tierend verteld. Dat was vóór de dood van Endstra. Toen Den Hartog aan verdachte vroeg van wie hij dat had gehoord, heeft hij het over zijn
‘petten’gehad. Den Hartog heeft verklaard dat verdachte wel vaker informatie of dossiers had. [588]
Endstra gaf Van Boxtel het gevoel dat hij problemen had met verdachte en dat hij dacht dat Van Boxtel daar alles vanaf zou weten. In verband met deze problemen zei Endstra dat hij er één miljoen voor over had. Van Boxtel begreep dat Endstra hiervoor (het hof begrijpt: voor die één miljoen) wilde dat Holleeder zou worden vermoord. [589] Pijpker heeft verklaard dat het klopt dat hij een keer een ontmoeting heeft gehad met Endstra waar ook Van Boxtel bij was. Pijpker kan zich herinneren dat hij nog geen full member van de Hells Angels was toen dat gesprek heeft plaatsgevonden op het parkeerterrein van AFC in Amsterdam. Als hij het zich goed herinnert, is hij in december vorig jaar (het hof begrijpt: december 2003) full member geworden. Pijpker heeft ook verklaard dat hij met Willem de Moor (hierna ook: De Moor) een afspraak heeft gehad met Endstra op vliegveld Niederrhein. Endstra was samen met zijn neef. Pijpker gelooft dat hij samen met De Moor op het vliegveld was op vrijdag en op maandag was Endstra dood. [590] Van Boxtel heeft tevens verklaard dat verdachte
“een paar weken geleden”(het hof begrijpt: augustus 2004) heel erg kwaad en overstuur naar het clubhuis is gekomen met de informatie dat hij vermoord zou worden door een Hells Angel en daar de naam Pijpker bij noemde. Van Boxtel verklaart dan:
“ik kon mijn verhaal nu helemaal niet kwijt. Wij hebben vervolgens onderzoek ingesteld binnen de club”. [591]
€ 150.000 euro heeft geleend voor de aankoop van een pand, dat ze de lening niet heeft terugbetaald en dat ze in de afgelopen twee jaar nooit rente heeft betaald. [596]
“een liquidatie aangenomen, hoor het net, het staat morgen in de krant, Willem van de Suzies saloon (het hof begrijpt: Pijpker). Het staat in de krant heel groot”. [599] Op 14 augustus 2004 is in De Telegraaf een artikel van Van den Heuvel verschenen onder de titel
Willem Endstra’s criminele erfenis, waarin wordt bericht dat justitie over informatie beschikt dat Endstra op het punt stond verdachte om het leven te laten brengen. In dit artikel wordt overigens niet gesproken over een bomaanslag.
bad standinguit de club werd gezet. Van Boxtel verklaart dan:
“Er kwam een verhaal dat het zou gebeuren door het plaatsen van een bom in het clubhuis van Amsterdam. Ik weet niet waar dat vandaan kwam. Dat verhaal van de bom was ook nieuw voor mij, want daar was niet over gesproken tijdens mijn ontmoeting met Pijpker en Endstra”. [600] Van Boxtel heeft dus tegenover verdachte bij zijn bezoek aan het clubhuis voorafgaand aan het gesprek met Van den Heuvel niet verteld dat hij achter het moordplan van Endstra zat.
en nu is het genoeg. Hij hoeft mij niet meer te betalen’ en‘
en hij mag niet meer betalen, hij moet niet denken dat hij mij kan laten vermoorden, want ik ben toch altijd sneller dan hij, hij gaat eraan, het is genoeg nu’. Die woordkeus wijst er ook op dat verdachte dit vóór de moord op Endstra heeft gezegd.
“Boks, het was hij of ik”.
‘Kle’. [607] [betrokkene 72] heeft verklaard dat de Mercedes Vito bus naar
‘Clay’is gegaan. [betrokkene 72] heeft verder verklaard dat
‘Clay’na een uitzending van Opsporing Verzocht contact heeft gehad met [betrokkene 71].
‘Clay’heeft [betrokkene 71] kennelijk geïnformeerd over het feit dat de bestelbus was gebruikt bij de liquidatie op Endstra. [betrokkene 71] heeft [betrokkene 72] hierover geïnformeerd. [608] [betrokkene 71] en [betrokkene 72] hebben beiden ieder voor zich [betrokkene 57] herkend op een politiefoto die aan hen is getoond als de door hen als ‘Kle’/’Clay’ aangeduide persoon. [609]
Het hof stelt hiermee verder vast dat [betrokkene 50], [betrokkene 49] en [betrokkene 51] betrokken zijn geweest bij de persoon Abbasov en zijn broer [betrokkene 52] door hen de gelegenheid te bieden in de woning aan de Wiltzanghlaan in Amsterdam te verblijven. Abbasov is met grote regelmaat met [betrokkene 50], [betrokkene 49] en [betrokkene 51] op pad gegaan. Over hetgeen zij al die keren samen hebben gedaan, kan het hof geen vaststellingen doen. [betrokkene 49] is verder betrokken bij de Mercedes Vito bus vanwege de vingerafdruk op het parkeerkaartje dat is aangetroffen in de bus die geparkeerd stond in een zijstraat van de Apollolaan, dicht bij het kantoor van Endstra ten tijde van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1]. [betrokkene 49] heeft ook verklaard dat hij het parkeerkaartje op de dag van de moord heeft gekocht en in de bus heeft gelegd. Voor het hof staat nu niet vast dat [betrokkene 50], [betrokkene 49] en [betrokkene 51] zelf ook een bepaald misdrijf hebben gepleegd en daarvoor strafbaar zijn. Het hof hoeft in de zaak tegen verdachte niet te beoordelen of zij alle bestanddelen van een bepaald misdrijf hebben vervuld en welke deelnemingsvorm of pleegvorm aan de orde is. Ook hoeft het hof niet vast te stellen wat zij precies hebben geweten en op welk misdrijf hun opzet was gericht. Dat [betrokkene 50], [betrokkene 49] en [betrokkene 51] op de één of andere manier bij de organisatie of de uitvoering betrokken zijn geweest, is voor het hof wel duidelijk geworden. Deze vaststelling is ook van belang bij de bespreking van de moord op Mieremet in hoofdstuk 8.
Het hof gaat ervan uit dat de mededeling dat Endstra vermoord moet worden al voldoende is voor de tussenpersoon of tussenpersonen en de uiteindelijk uitvoerder van het delict. Ook gaat het hof ervan uit dat een geldbedrag aan de tussenpersoon of tussenpersonen en aan de uiteindelijke schutter zal zijn beloofd. Het hof heeft hierbij ook het bewijs betrokken dat het hof gebruikt ten aanzien van andere moorden die verdachte heeft uitgelokt. Ook uit dat bewijs volgt dat moorden tegen betaling werden gepleegd. Verder acht het hof van belang dat Abbasov na zijn terugkeer uit Thailand in november 2005 beschikte over een groot geldbedrag in contanten. Het hof kan niet vaststellen voor welke dienst Abbasov dit geldbedrag heeft ontvangen; wel stelt het hof vast dat Abbasov zijn werkzaamheden verrichtte tegen betaling.
een feitdat wordt uitgelokt en niet dat
een bepaalde persoonwordt uitgelokt. Uitlokking kan dus door een of meer tussenpersonen plaatsvinden. Niet is vereist dat precies vast komt te staan wie het contact met de uitgelokte heeft gehad, op welke manier het contact met de uitgelokte heeft plaatsgevonden en met welke bewoordingen hij tot het plegen van het strafbare feit is aangezet. Het is overigens niet uitgesloten dat de uitgelokte op verschillende opeenvolgende momenten tot het plegen van het strafbare feit wordt aangezet, door aanwending van uitlokkingsmiddelen, bijvoorbeeld door het opeenvolgend verschaffen van inlichtingen of het doen van nadere beloften.
‘blijf bij Endstra uit de buurt want die gaat om’. Verdachte heeft gekozen voor een teruggetrokken positie en het uitvoeren van het strafbare feit overgelaten aan Abbasov. Verdachte heeft daarmee bewust ervoor gekozen dat hij de uitvoering niet in de hand had en dat Abbasov het strafbare feit naar eigen inzichten uitvoerde en daarbij deed wat hij daarvoor nodig vond. Verdachte was zich ook daarvan bewust. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden dat hij de aanmerkelijke kans dat een ander bij de moordaanslag op Endstra ernstig letsel zou oplopen niet heeft aanvaard.
De schutter heeft [benadeelde partij 1] uitgeschakeld door hem in zijn knie te schieten, om vervolgens Endstra te liquideren en daarna te vluchten. Dit handelen van de schutter kan verdachte worden toegerekend en daarmee heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het uitlokken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1]. Het hof zal dan ook bewezen verklaren dat verdachte samen met een ander de zware mishandeling van [benadeelde partij 1] heeft uitgelokt.
8.Moord Mieremet
De rechtbank is er volgens de verdediging ten onrechte vanuit gegaan dat Abbasov en [betrokkene 50] betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de moord. De verdediging heeft naar voren gebracht dat geen van de personen die volgens de rechtbank betrokken waren bij de moord op Mieremet, daarvoor is vervolgd. Geen van hen heeft voor deze moord terechtgestaan, waardoor er ook geen onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden naar de betrokkenheid van deze personen. Er heeft ook geen ondervraging van deze personen plaatsgevonden tijdens een strafproces en het onderzoeksmateriaal is niet door rechters gewogen. Abbasov heeft nooit kunnen reageren op deze beschuldigingen en geen van degenen die daarvan worden verdacht, hebben in de huidige strafzaak tegen verdachte willen verklaren. De verdediging heeft hen om die reden niet effectief kunnen ondervragen.
De verdediging erkent dat de verklaringen van Astrid Holleeder en van getuige Q5 tot op zekere hoogte belastend voor verdachte zijn. Verdachte ontkent echter dat hij deze uitspraken in de Baja Beach Club heeft gedaan. Maar zelfs als Soerel verdachte deze woorden heeft toegeschreeuwd, dan bestaat de mogelijkheid dat verdachte toen door Soerel op de hoogte is gebracht van het voornemen van Soerel en anderen om Mieremet te vermoorden. Dat betekent dan slechts dat verdachte daarvan op de hoogte was, dat betekent niet dat verdachte die opdracht heeft gegeven of dat hij die opdracht met anderen heeft gegeven. Verdachte ontkent ook dat hij tegen Astrid Holleeder heeft gezegd dat er nu snel veel achter elkaar zouden gaan. Maar zelfs als hij dat heeft gezegd, betekent dat alleen dat hij daar wetenschap van had, bijvoorbeeld door wat hem door Soerel in de Baja Beach Club schreeuwend is toevertrouwd. Er is geen bewijs dat verdachte de opdracht heeft gegeven om Mieremet te vermoorden.
“Ik kan een aantal dingen niet verkroppen Haico. Ik kan Holleeder niet verkroppen. Ik ga hem ook vermoorden en dat weet ook iedereen. Ik ga hem ook vermoorden.” [629]
“Wacht maar af, die schiet ik kapot”. [631] Verdachte heeft ook gezegd
‘dat hij die Mieremet ging vermoorden’. [632]
“Ze gaan eraan”,
“We pakken hun”, dat waren de termen waarin gesproken werd. Ook door verdachte werd in die termen gesproken. [634] Soerel zei dat kort voor de moorden in de oren van verdachte. De getuige Q5 heeft ook verdachte dingen horen zeggen als:
“die pak ik”,
“die maak ik af”. [635]
“Er gaan er nu snel heel veel achter elkaar.”Er gebeurde toen opeens een heleboel, kort daarna gingen Houtman en Mieremet dood. [636] Uit de verklaringen van Astrid Holleeder volgt dat verdachte zijn mededeling dat er
‘nu snel heel veel achter elkaar gaan’heeft gedaan na de liquidatie van Evert Hingst [637] die heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2005. [638] Vervolgens werden op 2 november 2005 zowel Houtman als Mieremet doodgeschoten. Mieremet is doodgeschoten in Pattaya in Thailand.
Na de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1] is er in de directe omgeving een Mercedes Vito bus aangetroffen. In die bus zijn DNA-sporen van Abbasov gevonden en een parkeerkaartje met een vingerafdruk van [betrokkene 49]. [betrokkene 49] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 19 november 2015 verklaard dat hij op 17 mei 2004 het parkeerkaartje heeft gekocht dat in de Mercedes Vito bus is aangetroffen en dat hij dit in die bus heeft gelegd.
Uit het bewijs ten aanzien van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1] volgt dat Abbasov de schutter was en ook dat [betrokkene 51], [betrokkene 49] en [betrokkene 50] in die periode veel contact met Abbasov hadden, zijn verblijfplaats in Nederland hadden geregeld en dat [betrokkene 49] op 17 mei 2004 in de bus is geweest die in de directe omgeving stond van de plek waar de moord is gepleegd.
‘Ali de muzikant’(het hof begrijpt: [betrokkene 50]) hem vroeg om hem naar een bordeel te brengen. [betrokkene 50] wist niet naar welk bordeel hij precies wilde en heeft het meisje daar ter plekke gekozen. [645]
‘mensen die achter de moord op Endstra zitten’en dat diegenen in staat zijn in het buitenland een moord te plegen. Abbasov heeft gezegd dat hij zich zorgen maakte om zijn familie, omdat
‘deze mannen’geen grenzen kennen. Als zij iemand dood willen hebben, waar ook ter wereld, dan kunnen zij dat organiseren. Abbasov heeft verder gezegd dat hij aan de verhoren merkte dat de politie goed wist wat er is gebeurd en hoe de vork in de steel zit. [646] Voordat Abbasov dit gesprek met deze politieagent had, was Abbasov die dag verhoord over zijn betrokkenheid bij de moord op Endstra. [647] Abbasov zegt hier dus dat de mensen die achter de moord op Endstra zitten, geen grenzen kennen en het kunnen organiseren als zij waar ook ter wereld iemand willen vermoorden. Als de politieagent tegen Abbasov zegt dat hij ervan uit gaat dat de advocaat van Abbasov betaald wordt door [betrokkene 51], zegt Abbasov dat hij dat inderdaad bedoelt. Zij beschikken over zoveel geld, dat grenzen niet meer bestaan.
Als de politieagent later in het gesprek zegt dat hij weet dat Abbasov ook in Thailand is geweest, vraagt Abbasov of zij ook weten dat [betrokkene 50] daar ook is geweest. [648]
“ben je gek in je hoofd?”[betrokkene 50] wilde van [betrokkene 77] weten aan wie hij dat nog meer had verteld. [649]
“Hoe ik daar in godsnaam bij kwam dat [betrokkene 50] drie dagen naar Thailand was geweest.Ik zeg waarom is [betrokkene 50] drie dagen in Thailand? Want als ik daar heen ga dan ga ik daar voor maanden heen. En ik zeg waarom nou precies op de dagen dat Mieremet is geliquideerd?Ja en “wat haal jij nou in je hoofd!” en “hoe kom je daar in godsnaam bij!”Ik zeg “nou ja... .omdat ik zo’n reisschema hebt gezien”......"welk reisschema?!”En toen liet ik het reisschema zien.”
‘terugbetalen’. Zijn broer Natik Abbasov had tegen hem gezegd dat [betrokkene 51] geld van hem had geleend. Uit de verklaringen van [betrokkene 52] volgt echter ook dat zijn broer hem niets had verteld over zijn betrokkenheid bij het plegen van misdrijven, waaronder de moord op Endstra. In die situatie ligt het niet voor de hand dat Natik Abbasov hem zou hebben verteld dat hij nog geld van [betrokkene 51] moest krijgen voor het plegen van een moord. Dat Natik Abassov tegen zijn broer heeft gesproken in termen van
‘terugbetalen’, zegt om die reden niets.
‘een opdrachtgever’pas kan worden vervolgd nadat de uitvoerders en de zogenoemde tussenlaag zijn vervolgd. Er bestaat ook geen verplichting om onder alle omstandigheden iedere getuige of verdachte te horen waarover door een ander iets vervelends wordt gezegd, zelfs niet als diegene wordt beschuldigd van betrokkenheid bij een strafbaar feit.
De verdediging heeft deze kanttekeningen over het verblijf van Abbasov in Turkije terecht geplaatst.
Uit het bewijs volgt verder dat de opdracht opgepakt zal zijn na de eerdere mislukte aanslag op Mieremet, waarmee ook vast staat dat de uitlokking heeft plaatsgevonden omstreeks de periode 1 januari 2002 tot en met 2 november 2005, de periode die in de tenlastelegging wordt genoemd.
9.Moord Houtman en moord Van der Bijl
‘als er iets bij komt’. Dat is geen bekentenis van verdachte, maar hooguit bewijs dat hij weet hoe het justitiële systeem werkt.
G: Maar ik ben gewoon BANG.R1: Ja, nee, dat begrijp ik. Ik begrijp het. Ik, voel echt met je mee hoor.G: Ik ben bang.R1 : Maar ik probeer, ook te denken van hoe kunnen we dit doorbreken? Hoe kunnen we op een gegeven moment ervoor zorgen dat, niet alleen jij maar ook nog meer mensen, waaronder Marie en misschien ook die [betrokkene 81] en die [betrokkene 83], ik noem maar wat. Dat die over deG: Die weten ook niet dat ik hier ben!R1: Nee, maar goed. Maar, wat wij proberen is dat we zo veel mogelijk mensen over, over die drempel heen trekken want dan wordt het voor iedereen makkelijker.” [657]
. Dan bel ik je op.R1: Oké.G: Kijk ik doe het ook voor haar natuurlijk hè. Ik doe het niet alleen voor mezelf.R2: Ja, is goed.G: Misschien vind je het zonde van jullie tijd. Maar ehR1: Nee, nee, nee. Het is nooit zonde van onze tijd,R2: Ik heb liever dat je erover nadenkt, want als je een overhaaste beslissing maakt is ook niet goed. Dus eh.R1: Kijk en het is wel, laten we dat wel duidelijk zeggen, als je een concrete verklaring af gaat leggen, hè, als we dat concreet op papier gaan zetten, met een handtekening en alles, dan wil dat nog niet zeggen dat dat direct in het verbaal komt hoor.G: Nee ik wil ehh NTV
. Het kan wel zijn dat er passages eruit maandag worden gebruikt van om bij de rechter aan te geven van "er is meer aan de hand, dus houd daar rekening mee."G: Onderbouwen.R1: Ja, alleen dan staat er niet bij dat het een verklaring is van eh, Thomas van der Bijl. Dat staat er dan niet bij. Uiteindelijk zegt de rechter wel van ja "nou wil ik wel eens weten van wie die verklaring is". En dan, dan komt het erin te staan. Maar dat is, dat is later. En, en wat wij op hopen, waar wij naartoe werken is dat we dan tegen die tijd meer mensen over de drempel hebben getrokken. Dat nog meer mensen meer verklaringen hebben, met, met zeg maar eh, richting Deene, richting Holleeder, richting enzovoort.G: Hmhm .R1: Dan wordt het een heel ander verhaal. Want ik bedoel, dan is het ook niet meer zo bedreigend voor jou alleen of voor Marie alleen of hè. Snap je? Dan, dan daarom heb ik ook zoiets van ja, dus als je die [betrokkene 83] en, en die [betrokkene 81], als je, jullie nou met z'n allen zouden komen hè, bij wijze van spreken.R2: Al zou je maar allemaal een gedeelte doen. Dan niet een hele ellenlange verklaring maar gewoon een gedeelte verklaren van nou "dat en dat weet ik in ieder geval".R1: Dan wordt het al een heel ander verhaal.R2: En dan kan je het ook, kijk want dat is met de verklaring van Kees natuurlijk ook. Ik kan Kees niet meer oproepen.G: Nee, was het maar waar...R2: Ja, al zouden maar mensen iets kunnen zeggen van "nou dat gedeelte wat hij heeft gezegd, dat heb ik ook gehoord". Om dat te staven.G: Dat heb ik uit Kees zijn mond gehoord.R2: Dan heb je uit Kees zijn mond gehoord.G: Ja.R2: Dat is heel belangrijk. En dat moet je op papier zien te krijgen.R1: Want Kees, Kees heeft zelf een verklaring afgelegd. Die Kees, die verklaring wordt ook gebruikt in de zaak. Wat, wat Kees heeft verteld aan, aan de politie. Omdat normaal gesproken eh, normaal gesproken als je bij de CID een verklaring aflegt wordt dat niet gebruikt in de, in eh rechtstreeks niet gebruikt eh, in een eh zaak. In dit geval wel. En waarom? Omdat Kees overleden is. Ik bedoel we, we schaden daar Kees niet meer mee. Ik bedoel.G: Nee, begrijp ik.R1: Snap je hem? Alleen, je gaat gegarandeerd krijgen, dat er advocaten zijn, dat er advocaten zijn, waarschijnlijk Moszkowicz voorop die gaat zeggen van "ja, hallo eh, dat kan wel een leuke verklaring zijn van eh, Kees, van, van die meneer Houtman. Maar ten eerste kan ik hem er zelf niks meer over vragen want hij is er niet. En wie zegt me dat het allemaal klopt? En dan is het belangrijk dat er andere mensen zijn, waaronder jij bijvoorbeeld, die dan zegt van "ja moet je luisteren, ik heb dat en dat en dat van Kees gehoord" . En als dat toevallig hetzelfde is wat Kees ook verklaard heeft, dan zegt een advo, dan zegt een rechter van "moet je luisteren, hier is een verklaring van die persoon, die is inmiddels overleden dus die kan ik het zelf niet meer vragen, maar er is iemand anders die vertelt dat hij het ook heeft gehoord van hem en dat komt overeen met elkaar". Dat maakt het dus hard. En op die manier maken we in feite de verklaring van Kees hard. Dat het inderdaad zo is zoals hij dat toen heeft verteld. En dan, dan kan een advocaat er niks meer mee doen. Daar willen we naartoe.” [658]
in de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 november 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, R. van Deene, R. Geisterfer en één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
;
in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 1 oktober 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld C.D. Houtman heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer 1.000.000,- euro, toebehorende aan die Houtman, bestaande die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededaders:
;
op 6 november 2004 te Amsterdam in café De Hallen opzettelijk een persoon, te weten A. van der Bijl, meermalen hard tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde Van der Bijl pijn heeft ondervonden”
.
- Soerel als medepleger, samen met Akgün, van het uitlokken van de moorden op Houtman en Van der Bijl;
- La Serpe en Remmers als medeplegers van de uitvoering van de moord op Houtman;
- La Serpe voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen in december 2005 gericht op de moord op Van der Bijl en voor het medeplegen in de periode daarna tot 20 februari 2006 van drie pogingen tot moord op Van der Bijl;
- Remmers als medepleger van een poging tot moord op Van der Bijl in de periode van 1 november 2005 tot en met 20 februari 2006;
- Remmers en Ros als (elkaar in de tijd deels overlappende en deels opvolgende) medeplegers van uitlokking van de moord op Van der Bijl door Saro en Habes; en
- Saro en Habes als medeplegers van de uitvoering van de moord op Van der Bijl.
Het hof ziet op basis van zijn onderzoeksbevindingen ook geen aanleiding om daarover anders te oordelen. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van deze veroordelingen van Soerel, Remmers, Ros, La Serpe, Saro en Habes. Dat betekent ook dat duidelijk is dat La Serpe en Ros uit eigen wetenschap konden verklaren over de moorden op Houtman en Van der Bijl. Vast staat dat zij daarbij betrokken waren, zodat ook vast staat dat zij kunnen vertellen wat er is gebeurd.
‘power van Holleeder’achter zich had en was daar trots op en blij mee voor zijn carrière.
- Remmers ook in latere contacten met La Serpe heeft gezegd dat hij de power van Holleeder achter zich had.
- verdachte op 8 november 2004 de voortvluchtige Remmers wilde helpen om van de radar van de politie te blijven door hem van een minder opvallende, degelijke auto te voorzien. Die dag heeft verdachte daartoe La Serpe ontmoet in Amsterdam en hem geholpen bij het huren van een auto. Bij hun afscheid heeft verdachte La Serpe naar Soerel verwezen voor het geval La Serpe en Remmers een nieuwe auto wilden. Dat ziet het hof niet alleen als een bevestiging van de samenwerking tussen verdachte en Soerel in de relatie met Remmers, een uitvoerder van moordopdrachten die door hen werd aangestuurd, maar ook als een bevestiging van de rolverdeling, waarbij verdachte zoveel mogelijk op de achtergrond probeerde te blijven en de directe aansturing aan Soerel overliet.
- Remmers op 8 november 2004 aan verdachte in Naarden-Vesting heeft gevraagd om een moordopdracht. Verdachte heeft daarop geantwoord dat hij genoeg van deze opdrachten had en heeft Remmers daarvoor verwezen naar Soerel. Betrekkelijk kort na zijn vrijlating – Remmers werd op 30 november 2004 gearresteerd [673] en kwam op 28 juli 2005 weer vrij [674] – heeft La Serpe Remmers in oktober 2005 naar een afspraak gebracht in uitgaansgelegenheid BED te Rotterdam, waar Soerel en Akgün aanwezig waren en waar Remmers drie nieuwe moordopdrachten ontving. De volgende dag bracht La Serpe Remmers naar een afspraak met Soerel in Diemen, waar Remmers nadere informatie kreeg over de slachtoffers. Eén van hen was Houtman, van wie Soerel toen in Diemen aan Remmers de adresgegevens heeft verstrekt en heeft verteld dat Houtman in een nieuw type Mercedes reed.
- Remmers La Serpe, in de periode waarin zij bezig waren met de moorden op Houtman en vervolgens Van der Bijl, op een avond heeft gevraagd om naar café De Hallen te gaan waar verdachte op La Serpe zou zitten te wachten om het doelwit aan te wijzen. Dit draagt bij aan het bewijs van de nauwe betrokkenheid van verdachte bij de uitvoering van moordopdrachten door Remmers.
- Remmers en La Serpe, kort voor de moord op Houtman, verdachte zijn tegengekomen op het Gelderlandplein waarbij verdachte aan Remmers heeft gevraagd met wie Remmers de moord op Houtman zou gaan uitvoeren, waarbij Remmers op La Serpe heeft gewezen. Vervolgens heeft La Serpe verdachte de hand geschud en hem horen zeggen: als deze goed gaat, heb ik nog een andere voor jullie, althans
‘Osdorp eerst’. Houtman woonde in Amsterdam Osdorp.
- Remmers kort na de moord op Houtman tegen La Serpe heeft gezegd dat zij aan de slag moesten met de moordopdracht op Van der Bijl en Remmers en La Serpe van december 2005 tot februari 2006 bezig zijn geweest met voorbereidingshandelingen en drie concrete pogingen tot moord op Van der Bijl, waarbij het La Serpe duidelijk was dat er vanuit Soerel en Akgün op Remmers druk werd gezet om tot uitvoering van die moord over te gaan. Bij de laatste poging waarbij La Serpe betrokken was, hielp Fred Ros ook mee die inmiddels uit detentie was vrijgekomen.
- Remmers en La Serpe na de moord op Houtman het adres van Van der Bijl hebben gekregen en een omschrijving van zijn uiterlijk (vadsige kamper).
- La Serpe zich op 23 februari 2006 terugtrok van de uitvoering van deze moord en daarvoor al van Remmers had gehoord dat er twee
‘kamikazen’(jongens die gewoon naar binnen zouden gaan en schieten) waren geregeld om de moord uit te voeren en dat Remmers hen een aantal dagen had begeleid. Volgens La Serpe heeft Remmers hem verteld dat hij dit samen met Ros heeft gedaan, op wie de opdracht tot uitvoering van de moord op Van der Bijl was overgegaan.
- Ros voor de moord op Van Hout van Remmers heeft gehoord dat hij Van Hout mocht vermoorden en na die moord tegen Ros heeft gezegd dat hij Van Hout heeft vermoord, dat de opdracht daarvoor van verdachte kwam en dat Remmers hierbij door Soerel van informatie is voorzien. Dit sloot aan bij de eigen ervaringen van Ros in de periode eind 2002-begin 2003, waarin hij Remmers een aantal malen naar afspraken met Soerel in Diemen heeft gebracht en waarin hij de motor heeft verplaatst die naar zijn idee uiteindelijk gebruikt is bij de moord op Van Hout.
- Remmers kort na de moord op Houtman bij een bezoek in de gevangenis tegen Ros heeft gezegd dat hij die moord gepleegd had, zonder te willen zeggen wie bij de uitvoering van die moord nog meer betrokken was. En dat Ros van Remmers heeft gehoord dat de opdracht voor deze moord van verdachte kwam, dat er problemen waren tussen verdachte en Houtman die te maken hadden met de afpersing in de Kolbakzaak.
- Remmers nadat Ros begin december 2005 was vrijgekomen, aan Ros heeft gevraagd hem te helpen bij de moord op Van der Bijl, waarbij Remmers Ros heeft verteld dat de opdracht voor die moord van Soerel en verdachte afkomstig was en dat de reden voor die moordopdracht was dat Van der Bijl met de politie sprak. Ros heeft later ook van Soerel gehoord dat de reden voor de moord op Van der Bijl was dat hij met de politie sprak. En dat het vermoeden (dat in december 2005 dus al bestond en een motief vormde) dat Van der Bijl met de politie sprak
‘nog sterker’werd toen hij plotseling werd vrijgelaten na zijn arrestatie in de Artemis-zaak, waardoor de
‘nood heel hoog’werd om zo snel mogelijk tot uitvoering van de moord over te gaan.
‘Toen was er wel heel veel haast bij’, aldus Ros en intensiveerde het contact met Soerel.
- Soerel bepaalde dat de moordopdrachten van Akgün moesten wachten, omdat de moord op Van der Bijl prioriteit had.
- in totaal € 150.000,- aan Ros en Remmers zou worden betaald voor de moord op Van der Bijl.
- Ros Saro en Habes heeft uitgelokt om tegen betaling deze moord te plegen en hen daartoe eerst € 60.000,- en toen de tijd begon te dringen € 75.000,- in het vooruitzicht heeft gesteld, dat Ros hen met Remmers heeft voorzien van een wapen, een auto en aanwijzingen heeft gegeven voor de uitvoering van de moord.
- Akgün nooit opdracht heeft gegeven voor de moord op Van der Bijl en dat de betaling voor die moord is verlopen via Akgün, omdat Ros Akgün gemakkelijker kon bereiken.
- Ros van Soerel informatie kreeg over Van der Bijl, die deels al bij hem bekend was (over vervoermiddelen van Van der Bijl en dat hij zijn haar geblondeerd had) en deels onbekend (dat Van der Bijl gearresteerd was).
- Ros bij de uitleg over het motief voor de moord (praten met de politie) van Soerel heeft gehoord
‘wij kunnen er alleen maar schade door oplopen’, waarbij Soerel ook doelde op de betrokkenheid van verdachte. Verdachte was toen gearresteerd in de Kolbakzaak en ze kwamen er achter dat Van der Bijl als anonieme getuige verklaringen zou gaan afleggen, waarna Soerel tegen Ros heeft gezegd dat Van der Bijl
‘ook over hem zou kunnen verklaren’en dat er haast bij was. Door Soerel werd tegen Ros gezegd
‘Er zijn problemen, Willem zit vast. Hij is aan het verklaren en moet geliquideerd worden’.
- verdachte wist dat Houtman en Van der Bijl plannen hadden om verdachte te vermoorden. Het
‘was Kees of Willem’heeft verdachte tegen Astrid Holleeder gezegd. Van Sonja Holleeder hoorde zij dat verdachte tegen haar over de moord op Houtman heeft gezegd
‘het was hij of ik’.
- verdachte na de moord op Hingst op 31 oktober 2005 tegen Astrid Holleeder heeft gezegd dat er
‘nu heel snel achter elkaar meer zouden gaan’, waarna op 2 november 2005 Houtman en Mieremet zijn vermoord.
- verdachte meermalen met Astrid Holleeder heeft gedeeld dat hij de opdracht heeft gegeven om Van der Bijl te vermoorden.
- Van der Bijl een verband legde tussen de moord op Van Hout en het afpakken van de vermogensbestanddelen van Van Hout door verdachte en dat Van der Bijl in de stad riep dat verdachte Van Hout had vermoord en dat verdachte dat erg vervelend vond.
- verdachte voordat hij gedetineerd raakte in de Kolbakzaak tegen Astrid Holleeder heeft gezegd dat Van der Bijl met de politie sprak en dat zij van Sonja Holleeder heeft gehoord dat zij van verdachte naar café De Hallen moest komen om daar tegen Van der Bijl te zeggen dat verdachte niet beschikte over de nalatenschap van Van Hout.
- Van der Bijl veel wist over verdachte en daarmee
‘een los eindje bleef’, waarmee Astrid Holleeder (naar het hof begrijpt) tot uitdrukking heeft gebracht dat Van der Bijl door zijn kennis over verdachte een strafrechtelijk risico voor verdachte vormde.
- verdachte een paar dagen na de moord op [betrokkene 84] (op 10 november 2005) tegen Sonja Holleeder heeft gezegd dat hij wist dat [betrokkene 84] vermoord zou worden, maar dat hij [betrokkene 84] niet had kunnen waarschuwen, omdat verdachte die wetenschap had van een informant in het kamp van Houtman en hij vreesde die informant te verliezen als hij [betrokkene 84] zou waarschuwen. Verdachte zei ook tegen Sonja Holleeder dat hij van die informant wist dat Houtman verdachte wilde vermoorden. Verdachte zei over de moord op Houtman tegen Sonja Holleeder
‘het was hij of ik’.
- Van der Bijl veel wist over verdachte uit de periode van 1996 tot 2001, ook over het conflict van verdachte met Van Hout, en dat Van der Bijl
‘overal rondbazuinde’dat verdachte Van Hout had vermoord en de beschikking had over de erfenis van Van Hout.
- zij van verdachte naar café De Hallen moest komen waar verdachte tegen Van der Bijl aan het schreeuwen was dat hij de erfenis van Van Hout niet had en zij dit van verdachte aan Van der Bijl moest bevestigen.
- verdachte tegen haar heeft gezegd, dat als hij door haar verklaringen tegenover de politie (over Van Hout) ‘één dag vast zou komen te zitten’ hij vooraf zou regelen dat haar kleindochter, haar kinderen en ook Sonja Holleeder zelf vermoord zouden worden. Daarbij heeft verdachte tegenover Sonja Holleeder ook de vergelijking gemaakt met de moord op Van der Bijl en de moord op Endstra door te zeggen:
“laat ik het niet merken, want dan regel ik het vooraf. Net zoals bij Thomas en bij Endstra”.
‘als Van der Bijl niet boos op hem was geweest, had je alleen dat krantenartikel van Mieremet gehad. Als Van der Bijl die onzin niet had gezegd, was er naar mijn mening geen Kolbak geweest’, aldus verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2021.
‘moet hij het meteen oplossen’, door haar te vermoorden,
‘als Sonja bij de politie over Cor praat’.- dat verdachte naar aanleiding van het conflict met De Vries tegenover Astrid Holleeder de vergelijking heeft gemaakt met de moord op Van der Bijl. Verdachte heeft zijn betogen tegenover Astrid Holleeder, dat hij De Vries zou vermoorden als verdachte door zijn aangifte opnieuw gedetineerd zou raken, kracht bijgezet door te zeggen dat hij de moord op De Vries
‘dan van tevoren zou regelen’en dat De Vries dan
‘gaat net als met Thomas’.
- dat verdachte zijn veroordeling in de Kolbakzaak mede wijt aan de belastende verklaringen die zijn afgelegd door Van der Bijl.
‘gewoon dood zou schieten’.
- zij weet dat in de visie van verdachte iemand die niet (meer) betaalt een risico vormt, omdat deze persoon kan gaan praten met de politie en zulke risico’s volgens verdachte geëlimineerd moeten worden.
- zij weet dat je bij verdachte je doodvonnis tekent als je over hem praat met de politie.
- verdachte tegenover haar heeft aangekondigd dat hij Van der Bijl zou vermoorden (
‘laten liggen’) als hij er achter zou komen dat Van der Bijl met de politie sprak, omdat, zoals verdachte tegen haar zei Van der Bijl
‘tegen iedereen loopt te vertellen dat ik Cor heb gedaan’.
- verdachte niet letterlijk tegen Den Hartog heeft gezegd dat hij Van der Bijl heeft laten vermoorden, maar haar wel heeft medegedeeld:
‘ik heb het je toch van tevoren gezegd, nu ligt hij’.
het was hem of het was hij’. Volgens Van der Bijl heeft verdachte hiervan lucht gekregen, want hij vertoonde zich niet meer in café De Hallen of café Marktzicht, maar was
‘gewoon even een tijdje weg’. Ook heeft Van der Bijl verklaard dat hijzelf door verdachte is mishandeld en bedreigd. Als Van der Bijl met de politie over verdachte zou praten, zou verdachte hem vermoorden, of zoals Van der Bijl zei:
‘die neus heb mij al een paar keer aan mijn oor getrokken’en zegt dan
‘als je ook praat met de politie, ik kom er achter, dan ben je van mij’.Van der Bijl ervoer in februari 2006 (de periode waarin Remmers en La Serpe al diverse moordpogingen hadden ondernomen) een zodanig hevige dreiging van de zijde van verdachte dat hij meende dat zijn leven aan een zijden draadje hing. Hij leefde in die periode voortdurend in angst en nam geen kinderen meer mee in zijn auto.
‘want die gaat om’. Vanaf dat moment was Houtman doodsbang dat hij ook vermoord zou worden. Houtman heeft [Betrokkene 65] verteld dat hij werd afgeperst door verdachte omdat hij een pand had gekocht waarvan verdachte zei dat daarmee geld naar Mieremet zou gaan. Mieremet zou daarmee volgens verdachte een aanslag op verdachte kunnen laten plegen. Houtman moest aan verdachte een miljoen euro betalen. [Betrokkene 65] heeft voor Houtman in 2004 een aantal maanden als lijfwacht gefungeerd. In 2005 vertelde Houtman aan [Betrokkene 65] dat (na de afpersing van een miljoen) verdachte nu mee wilde doen in een goedlopende hasjlijn die Houtman had en dat Houtman dit verdomde.
10.Criminele organisatie
In het vervolg zal worden beschreven wat onder een criminele organisatie wordt verstaan. Vervolgens zal worden uitgelegd wat daarover uit het bewijs volgt en de betrokkenheid van verdachte daarbij. Allereerst zal echter ingegaan worden op het standpunt van het openbaar ministerie en het standpunt van de verdediging.
‘een organisatie’in dit artikel moet worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat komt vast te staan dat betrokkene moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
‘deelneming’is alleen dan sprake, indien betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en daarnaast een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de realisatie van dat oogmerk, dan wel die gedragingen ondersteunt.
- de uitlokking van de moord op Van Hout en de doodslag op Ter Haak;
11.Eerlijkheid proces
Dit alles betekent dat de verdediging in ruime mate in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van informatie die van belang kon zijn voor het voeren van verweer tegen de beschuldiging.
1. het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om een deskundige te benoemen zodat het hof wordt voorgelicht over de vraag of de verklaringen van Astrid Holleeder door PTSS zijn beïnvloed;
2. het voorwaardelijk verzoek van het openbaar ministerie om taxateur [taxateur] te horen.
In hoofdstuk 2 is vastgesteld dat de voorwaarde van het eerste verzoek niet is vervuld. In hoofdstuk 7 is vastgesteld dat de voorwaarde van het tweede verzoek niet is vervuld. Er is dus geen verzoek meer waarop het hof een beslissing moet nemen.
- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend;
- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en
- het bestaan van voldoende compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en de beperkingen die de verdediging daardoor heeft ondervonden bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige.
De rechter moet deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband beoordelen. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – voordat de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt – des te meer van belang dat er een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
Er bestaat een aantal compenserende factoren voor het ontbreken van een mogelijkheid om deze getuige te horen. In het bewijs gaat het om gedragingen van Abbasov tijdens een verblijf in Nederland in 2004 en in Thailand in 2005. Tijdens deze verblijven werd Abbasov vergezeld door zijn broer [betrokkene 52]. In het dossier bevinden zich meerdere verklaringen van [betrokkene 52]; hij is verhoord op 2 februari 2012, 3 februari 2012, 14 augustus 2012, 4 maart 2016, 11 juli 2016 en op 25 maart 2021. Op 25 maart 2021 is [betrokkene 52] door de raadsheer-commissaris gehoord in de zaak tegen verdachte, waarbij de verdediging de getuige heeft ondervraagd. Op die dag is [betrokkene 52] ook afzonderlijk gehoord in de zaak tegen personen die verdacht worden van betrokkenheid bij de organisatie en uitvoering van de moord op Endstra en de aanslag op [benadeelde partij 1]. Tijdens dit verhoor hebben de raadslieden van die verdachten ook de gelegenheid gehad om de getuige te ondervragen. Van al deze verhoren zijn de processen-verbaal gevoegd in het dossier. Daarnaast is ook getuige [betrokkene 79], een ex-vriendin van Natik Abbasov, meerdere keren gehoord.
Voor het bewijs in de zaak tegen verdachte, is met name een aantal uitlatingen van belang die Natik Abbasov op 10 februari 2012 heeft gedaan op een luchtplaats van het hoofdbureau van politie in Amsterdam. Hij deed deze uitlatingen tegenover politieagent T073. Deze politieagent is meerdere keren gehoord, waaronder op 13 december 2013 door de rechter-commissaris bij de rechtbank, waarbij de verdediging van de verdachten [betrokkene 49], [betrokkene 51] en [betrokkene 50] de gelegenheid heeft gekregen deze politieagent te ondervragen. Ook zijn politiemedewerkers 206237 en 768594 gehoord die op 10 februari 2012 belast waren met het transport van Natik Abbasov naar het politiebureau. De rechter-commissaris heeft hen op 26 november 2013 gehoord, waarbij de verdediging van de verdachten [betrokkene 49], [betrokkene 51] en [betrokkene 50] de gelegenheid heeft gekregen deze politieagenten te ondervragen. Hetzelfde geldt voor getuige [politieambtenaar 2], een politiemedewerkster die op enige afstand aanwezig was bij het contact tussen T073 en Natik Abbasov.
Deze factoren bieden tot op zekere hoogte compensatie voor het ontbreken van een mogelijkheid voor de verdediging om getuige Abbasov zelf te kunnen ondervragen.
Het hof heeft de verklaring van Natik Abbasov voor het bewijs gebruikt ter ondersteuning van de beslissing dat verdachte betrokken is geweest bij de uitlokking van de moord op Endstra en de uitlokking van de moord op Mieremet. Het hof heeft de beslissing dat verdachte deze ten laste gelegde feiten heeft begaan, niet in overwegende mate gebaseerd op de verklaringen van getuige Natik Abbasov. Ten aanzien van de betrokkenheid bij de moord op Endstra dient de verklaring van Abbasov slechts ter ondersteuning van het bewijs voor een onderdeel van de tenlastelegging, namelijk dat verdachte deze uitlokking niet alleen, maar met een ander heeft gepleegd. De uitlating van getuige Abbasov dient dus niet voor het bewijs dat verdachte als uitlokker bij deze moord betrokken was.
Ten aanzien van de betrokkenheid bij de moord op Mieremet dient de verklaring van Abbasov ter ondersteuning van andere onderzoeksgegevens die, samen met het bewijs in het zaaksdossier Enclave, slechts de ondersteuning bieden voor de vaststelling dat de aanwezigheid van Abbasov en [betrokkene 50] in Thailand op het moment van de moord, ook belastend is voor verdachte. Ook ten aanzien van de uitlokking van de moord op Mieremet zijn de uitlatingen van Abbasov niet beslissend of zwaarwegend, maar dienen deze slechts ter ondersteuning. Het hof heeft de inhoud van de verklaringen die hiervoor als compenserende factoren zijn genoemd en ook de inhoud van de andere bewijsmiddelen voor de moorden op Endstra en Mieremet in aanmerking genomen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de uitlatingen van Natik Abbasov.
In dit verband is nog van belang dat de verdediging met name standpunten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de uitlatingen van Abbasov over de betrokkenheid van verdachte. Juist waar het gaat om de uitlatingen van Abbasov over verdáchte, hecht het hof aan zijn uitlatingen geen belang. Het hof gebruikt dat deel van de verklaring niet voor het bewijs. Het staat namelijk niet vast dat Abbasov zich op dat punt heeft gebaseerd op eigen wetenschap.
Gelet op al het voorgaande stelt het hof vast dat er een goede reden was om de getuige niet te horen, dat er tot op zekere hoogte compenserende factoren bestaan voor deze beperking en dat de verklaringen van deze getuige geen beslissende of zwaarwegende betekenis hebben voor het bewijs. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van Abbasov voor het bewijs kan worden gebruikt, zonder dat dit in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
Het hof stelt allereerst vast dat de verdediging niet gevraagd heeft [betrokkene 50] en [betrokkene 51] als getuige te mogen horen. Wel heeft de verdediging gevraagd de overigen als getuige te mogen horen. Al deze getuigen zijn ten overstaan van de raadsheer-commissaris in hoger beroep als getuige gehoord. De getuige [betrokkene 57] heeft de vragen van de verdediging wel beantwoord en zich niet beroepen op zijn verschoningsrecht. Voor de andere getuigen geldt dat hun verklaringen, voor zover zij die hebben afgelegd, niet direct belastend voor verdachte zijn. Verdachte heeft dus in dat opzicht geen nadeel van deze verklaringen of van het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid.
Het hof heeft het verzoek om het horen van getuige La Serpe toegewezen omdat La Serpe een kroongetuige is en het hof de getuige zo mogelijk zelf wilde ondervragen. Een verhoor van getuige La Serpe is echter niet mogelijk gebleken, omdat La Serpe niet bereid is om ter terechtzitting te verschijnen terwijl de politie en het openbaar ministerie niet weten waar La Serpe verblijft, zodat het onmogelijk is om hem te dwingen om ter terechtzitting te verschijnen.
Per e-mail van 1 juni 2022 heeft mr. [officier van justitie 1] het hof laten weten dat er inmiddels wel contact is geweest met de getuige die te kennen heeft gegeven dat hij de oproep voor een getuigenverhoor heeft gemist en dat hij niet bereid is om wederom als getuige te verschijnen. Omdat het openbaar ministerie geen contactgegevens heeft, is het niet mogelijk hernieuwd contact met de getuige te krijgen. Het openbaar ministerie ziet geen mogelijkheden om deze getuige te doen verschijnen en hem te forceren om mee te werken aan een getuigenverhoor.
Er bestaan met het oog op deze getuige meerdere compenserende factoren. Zoals hiervoor in hoofdstuk 2 al is toegelicht, is het moeilijk denkbaar hoe een uitvoeriger onderzoek zou moeten plaatsvinden naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van La Serpe dan het onderzoek dat naar deze getuige heeft plaatsgevonden. Voordat La Serpe in de strafzaak van verdachte bij de rechtbank is gehoord, was La Serpe al vele malen gehoord in het Passageproces, ook over de onderdelen van zijn verklaringen die juist voor de zaak tegen verdachte het meest relevant zijn, zoals zijn verklaring over de
‘power van Holleeder’of over het ‘Osdorp eerst-moment’. De verhoren van La Serpe beslaan nog los van zijn verhoren ter terechtzitting van de rechtbank in dit dossier vijf ordners met in totaal meer dan 2000 pagina’s.
Het hof heeft verklaringen van La Serpe voor het bewijs gebruikt ter ondersteuning van de beslissing dat verdachte betrokken is geweest bij de uitlokking van de moord op Van Hout, de doodslag op Ter Haak, de moord op Houtman en de moord op Van der Bijl. Bij geen van deze beslissingen hebben de verklaringen van La Serpe beslissende betekenis voor het bewijs.
Gelet op al het voorgaande stelt het hof vast dat er een goede reden waardoor de verdediging niet in hoger beroep opnieuw in de gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen, dat er compenserende factoren bestaan voor deze beperking en dat de verklaringen van deze getuige geen beslissende betekenis hebben voor het bewijs. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van La Serpe voor het bewijs kan worden gebruikt, zonder dat dit in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
Het hof heeft dan ook moeten vast stellen dat een verhoor van deze getuige niet mogelijk is. De verdediging wilde deze getuige horen over wat hij van [betrokkene 89] (hierna ook: [betrokkene 89]) zegt te hebben gehoord, namelijk dat Hillis degene is die het in Amsterdam voor het zeggen heeft, dat Hillis altijd achter de schermen heeft weten te blijven en dat Holleeder degene is
‘die ervoor mag zitten’. De verdediging heeft in pleidooi nog naar voren gebracht [betrokkene 88] ook te willen ondervragen over een incident tussen [betrokkene 89] en Hillis bij het IJ in Amsterdam. Het hof heeft de verdediging wel de gelegenheid geboden om de getuige [betrokkene 89] te horen; hij zou de bron zijn van de mededeling aan [betrokkene 88] en ook direct betrokken bij het incident bij het IJ. Verder heeft de verdediging [betrokkene 90] mogen horen; een kennis van [betrokkene 89] en [betrokkene 88]. Het hof heeft ook toegestaan dat alle verklaringen van [betrokkene 88], [betrokkene 89] en [betrokkene 90] die bij het openbaar ministerie beschikbaar waren, aan het dossier werden toegevoegd. Met deze maatregelen is de verdediging in staat gesteld onderzoek te doen om zo haar standpunt te kunnen onderbouwen.
Op 2 april 2022 werd in de media bekend dat de getuige in Libanon in een andere strafzaak was aangehouden en dat het openbaar ministerie om zijn uitlevering heeft verzocht. De verdediging heeft het hof en het openbaar ministerie op 11 april 2022 laten weten dat de wens om de getuige Kok te horen nog steeds bestaat, maar dat het zal afhangen van de vraag of de getuige op een afzienbare termijn en voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter zitting naar Nederland zal worden overgebracht of die wens nog in vervulling kan gaan.
In het dossier bevinden zich drie ordners met verklaringen van getuige Kok en ook een aantal afgeluisterde gesprekken waaraan de getuige deelgenomen heeft. Deze ordners met verklaringen bevatten meer dan 1100 pagina’s. Er zijn dan ook al veel verklaringen van deze getuige beschikbaar.
12.Bewezenverklaring en strafbaarheid
- een geldbedrag toegezegd als vergoeding voor het plegen van de moord op Mieremet;
immers heeft hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders (door tussenkomst van een ander of anderen) aan eerdergenoemde onbekend gebleven personen:
- duidelijk gemaakt dat Van Hout vermoord moest worden en
- een geldbedrag toegezegd als vergoeding voor het plegen van de moord op Van Hout;
- duidelijk gemaakt dat C. van Hout vermoord moest worden en
- een geldbedrag toegezegd als vergoeding voor het plegen van de moord op Van Hout;
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 in Nederland, al dan niet door tussenkomst van een of meer ander(en), door beloften opzettelijk heeft uitgelokt,
immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader (door tussenkomst van een ander of anderen) aan die N.I. Abbasov:
- duidelijk gemaakt dat Endstra vermoord moest worden en
- een geldbedrag toegezegd als vergoeding voor het plegen van de moord op Endstra;
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 17 mei 2004 in Nederland, al dan niet door tussenkomst van een of meer ander(en), door beloften opzettelijk heeft uitgelokt,
immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader (door tussenkomst van een ander of anderen) aan die N.I. Abbasov:
- duidelijk gemaakt dat W.A.A.P.M. Endstra vermoord moest worden en
- een geldbedrag toegezegd als vergoeding voor het plegen van de moord op Endstra;
Moord Mieremet
13.Straf
a. het recidiverisico;
b. de delictgevaarlijkheid;
c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;
d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.
14.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
niet schieten, niet schieten’. [benadeelde partij 1] lag dicht tegen het achterwiel van een auto, met zijn gezicht naar de auto, [685] in doodsangst afwachtend of hij zou worden vermoord. Vervolgens werd Endstra neergeschoten. Hij is onder meer in zijn hoofd geschoten. Hij kwam aan de andere kant van de auto terecht. [benadeelde partij 1] heeft nog naar hem geroepen: ‘
Wim, Wim’, maar hoorde niets meer. Hij meent nog wel een voet van Endstra te hebben gezien [686] en denkt dat hij Endstra heeft horen schreeuwen. [687] Endstra is als gevolg van deze aanslag overleden. Door zijn positie achter de auto heeft [benadeelde partij 1] het neerschieten van Endstra niet gezien. Hij heeft dat vanuit zijn positie wel gehoord. Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] van 9 januari 2008 blijkt dat hij Endstra heeft horen schreeuwen. [688]
- GGZ-kosten, eigen bijdrage 2012: 21 november 2012, zijnde de datum van het verschijnen van de schade;
- antidepressiva 2014: 31 maart 2014, zijnde de datum van de laatst ingetreden schade, nu het op verschillende data verschenen schade betreft;
- antidepressiva 2017: 22 maart 2017, zijnde de datum van de laatst ingetreden schade, nu het op verschillende data verschenen schade betreft.
- kosten graf: 20 april 2006, zijnde de pleegdatum van het misdrijf waardoor de schade is ontstaan;
- kosten onderhoud graf: 5 mei 2011, zijnde de datum waarop de laatste factuur is voldaan, nu het op verschillende data verschenen schade betreft;
- kosten gedenksteen/ornament: 16 juni 2006, zijnde de datum van aanbetaling volgens de factuur;
- kosten overlijdensbericht: 25 april 2006, zijnde de datum van de factuur;
- bankje bij het graf: 22 april 2008, zijnde de datum van de laatste factuur.
Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het hof stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade, zoals uit het voorgaande al volgt.
Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het hof stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade, zoals uit het voorgaande al volgt.
Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Het hof stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor deze schade, zoals uit het voorgaande al volgt.
15.Beslissingen van het hof
- in zaak B onder 1 en 3;
- in zaak C onder 1 en 2;
levenslange gevangenisstraf;
€ 40.850,36(veertigduizend achthonderdvijftig euro en zesendertig cent) bestaande uit
€ 850,36(achthonderdvijftig euro en zesendertig cent) materiële schade en
€ 40.000,00(veertigduizend euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 150,00(honderdvijftig euro) aan materiële schade af;
€ 20.000,00(twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 20.000,00(twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 1.523,14(duizend vijfhonderddrieëntwintig euro en veertien cent);
€ 20.000,00(twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 25.233,76(vijfentwintigduizend tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit
€ 233,76(tweehonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en
€ 25.000,00(vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 5.343,54(vijfduizend driehonderddrieënveertig euro en vierenvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 25.000,00(vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
€ 25.000,00(vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
mr. O.F. Qane en mr. T. Kaandorp, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2022.