Conclusie
1.Inleiding
2.Waarover de zaak gaat
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
) [betrokkene 1]en
2) [betrokkene 6], verzet het OM zich niet inhoudelijk, maar wordt wel geconcludeerd tot afwijzing omdat zij niet binnen aanvaardbare termijn gehoord zouden kunnen worden.
[betrokkene 6]: de informatie die hierover in het proces-verbaal wordt weergegeven, stamt uit april 2019. Toen was [betrokkene 6] niet thuis, zo was reeds bekend, hij was kennelijk op vakantie. Hij staat nog steeds op het adres ingeschreven. Is er een reden om te vermoeden dat hij daar niet verblijft of om te denken dat hij nu nog steeds ‘op vakantie’ is? Er blijkt niet dat er recent nog is aangebeld of anderszins informatie is die daarop wijst.
5.Het derde en vierde middel
Verder zijn de volgende berichten nog van belang.
hof: in werkelijkheid is [slachtoffer 1] overleden). De andere “brada” was ook bijna “loesoe”, aldus [verdachte] . Dit past bij [slachtoffer 2] , bij wie een kogel net langs zijn hoofd is gegaan. Vervolgens geeft [verdachte] aan dat ze “leip op ze hebben gelost”. In samenhang bezien met de eerder genoemde reisbewegingen en de camerabeelden duidt dit er naar het oordeel van het hof op dat [verdachte] één van de schutters is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en de poging tot liquidatie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Uit het hiervoor weergegeven gesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] blijkt - in samenhang bezien met alle overige bewijsmiddelen - dat [betrokkene 2] de tweede schutter was.
hof: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) wel ‘meer dan die aap’ waard zijn, duiden naar het oordeel van het hof op de betrokkenheid van [verdachte] bij de eerdere liquidatie van [slachtoffer 4] op 7 november 2015. Deze liquidatie zal hierna door het hof nog worden besproken (bij het Onderzoek Brandberg). In voornoemd gesprek is bovendien gesproken over eventueel achtergelaten bewijs. [betrokkene 5] heeft in dit verband meegedacht met [verdachte] en hij heeft hem geïnstrueerd om zijn kleding weg te gooien. Voor wat betreft het resultaat van de onderhandeling heeft [betrokkene 5] tot slot aangegeven dat [verdachte] moet zeggen dat hij ‘bankoe’ heeft gekregen als ‘Rotje’ (hof: [betrokkene 2] ) het vraagt.
(…)
de bijnaam van [slachtoffer 5]). Vanaf 28 maart 2016 wordt de actie om [slachtoffer 5] te liquideren gestart naar aanleiding van een tip van Freaks dat [slachtoffer 5] gezien is. Vanaf dat moment wordt er naar meer informatie over [slachtoffer 5] gezocht. [verdachte] meldt op 20 maart 2016 aan [betrokkene 2] dat [betrokkene 26] van half negen tot twee uur ‘aan het timeren was bij die flikker’, wat betekent dat de man in de gaten werd gehouden.
straattaal voor auto) rende en dat ze zijn weggereden. [verdachte] heeft naderhand de scooter in het water gegooid. [betrokkene 5] wil, ook al is de liquidatie mislukt, aan [betrokkene 2] toch uit eigen zak 10 kop (
straattaal voor tienduizend euro) geven voor deze actie.
6.Het derde middel
7.Het vierde middel
8.Het vijfde middel
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 2 juni 2016 een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin voorgenomen wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden uiteengezet (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 325). Naar aanleiding van deze brief zal, naar mag worden aangenomen, verdere politieke besluitvorming plaatsvinden. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding om de verdere behandeling van de zaak aan te houden tot 5 september 2017. Daarna zal de Hoge Raad – na de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te hebben gesteld nader te concluderen – beoordelen of op grond van een eventueel dan voorhanden zijnde regeling tot een ander oordeel dan hiervoor onder 3.4 vermeld, dient te worden gekomen.
Zo moet de mogelijkheid van herbeoordeling tijdens de tenuitvoerlegging aan vorenbedoelde voorwaarden blijven voldoen en moet de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging – en ook voordat de vorengenoemde mogelijkheid tot herbeoordeling kan worden benut – kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving.
De toetsing van de wijze van tenuitvoerlegging zal tijdens de executie dienen plaats te vinden, waarbij de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf kan worden beoordeeld overeenkomstig het daartoe bepaalde in de Penitentiaire beginselenwet, dan wel in het kader van een civielrechtelijke procedure.”
re-integratieactiviteiten. De minister kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies van het Adviescollege om die activiteiten aan te bieden. Indien het verloop van de procedure dan wel (de motivering van) de beslissing van de minister daartoe aanleiding geeft, kan de veroordeelde tegen die beslissing opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter.
De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof. De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM Pro stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.
.Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met art. 3 EVRM Pro. Die vraag is thans echter niet aan de orde.”
Murray/Nederlandals volgt:
Vinter and Others, cited above, § 122). It has also held, with reference to
Vinter and Others, that national authorities must give life prisoners a real opportunity to rehabilitate themselves (see
Harakchiev and Tolumov, cited above, § 264). It follows from this that a life prisoner must be realistically enabled, to the extent possible within the constraints of the prison context, to make such progress towards rehabilitation that it offers him or her the hope of one day being eligible for parole or conditional release. This could be achieved, for example, by setting up and periodically reviewing an individualised programme that will encourage the sentenced prisoner to develop himself or herself to be able to lead a responsible and crime-free life.
Gäfgen v. Germany[GC], no 22978/05, § 123, ECHR 2010). The obligation to offer a possibility of rehabilitation is to be seen as an obligation of means, not one of result. However, it entails a positive obligation to secure prison regimes to life prisoners which are compatible with the aim of rehabilitation and enable such prisoners to make progress towards their rehabilitation. In this context the Court has previously held that such an obligation exists in situations where it is the prison regime or the conditions of detention which obstruct rehabilitation (see
Harakchiev and Tolumov, cited above, § 266).” [11]
rules having sufficient degree of clarity and certainty’ en geen sprake is van ‘
objective, pre-established criteria’.