Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een onrechtmatige toezegging aan medeverdachte A, die verklaarde over een woningoverval waarbij verdachte betrokken was. De politie had aan A medegedeeld dat zij zichzelf niet kon belasten en dat zij niet vervolgd zou worden voor haar aandeel in de overval, terwijl dit niet volgens de wettelijke procedure was verlopen.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat deze toezegging niet door de officier van justitie was gedaan en geen formele afspraak betrof zoals bedoeld in artikel 226g Sv. Hoewel het hof erkende dat de toezegging onrechtmatig was, vond het geen sprake van een zodanig ernstig procesverzuim dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard of bewijsuitsluiting noodzakelijk was. Het hof achtte de verklaring van A betrouwbaar en voldoende onderbouwd door andere bewijsmiddelen, waaronder DNA-sporen op kledingstukken en getuigenverklaringen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van verdachte. De Hoge Raad benadrukte dat toezeggingen aan getuigen alleen door de officier van justitie mogen worden gedaan en dat de toezegging door de politie onrechtmatig was, maar dat dit in het concrete geval geen schending van het recht op een eerlijk proces opleverde. De verklaring van A kon als bewijs worden gebruikt en het OM was ontvankelijk gebleven. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het OM ontvankelijk blijft ondanks de onrechtmatige toezegging aan medeverdachte A.