Conclusie
1.Inleiding
2.Waarover de zaak gaat
3.Het eerste middel
- een brief van de raadsman mr. Janssen van 19 november 2021 aan de advocaten-generaal waarin hij verzoekt om verschillende stukken aan het dossier toe te voegen.
- een e-mailbericht van de advocaat-generaal mr. Posthumus van 22 november 2021 met als bijlage een proces-verbaal over de identificatie van [alias 1] als [betrokkene 4] ;
Ennetcom
- [account 3] @ennetcom.com (hierna: [account 3] )
4.Het tweede, derde en vierde middel
hof: in werkelijkheid is [slachtoffer 1] overleden). De andere “brada” was ook bijna “loesoe”, aldus [betrokkene 5] . Dit past bij [slachtoffer 2] , bij wie een kogel net langs zijn hoofd is gegaan. Vervolgens geeft [betrokkene 5] aan dat ze “leip op ze hebben gelost”. In samenhang bezien met de eerder genoemde reisbewegingen en de camerabeelden duidt dit er naar het oordeel van het hof op dat [betrokkene 5] één van de schutters is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 1] en de poging tot liquidatie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Uit het hiervoor weergegeven gesprek tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] blijkt - in samenhang bezien met alle overige bewijsmiddelen - dat [betrokkene 6] de tweede schutter was.
hof: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) wel ‘meer dan die aap’ waard zijn, duiden naar het oordeel van het hof op de betrokkenheid van [verdachte] en [betrokkene 5] bij de eerdere liquidatie van [slachtoffer 4] op 7 november 2015. Deze liquidatie zal hierna door het hof nog worden besproken (bij het Onderzoek Brandberg). In voornoemd bericht is bovendien gemaild over eventueel achtergelaten bewijs. [verdachte] heeft in dit verband meegedacht met [betrokkene 5] en hij heeft hem geïnstrueerd om zijn kleding weg te gooien. Voor wat betreft het resultaat van de onderhandeling heeft [verdachte] tot slot aangegeven dat [betrokkene 5] moet zeggen dat hij ‘bankoe’ heeft gekregen als ‘Rotje’ (
hof: [betrokkene 6]) het vraagt.
5.Het tweede middel
ZD02, p. 7858 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02,p. 8009 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 7991 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 7973 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 8004 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 4548) voor zover inhoudende
als verklaring van [verdachte]:
AV-01, p. 244 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 8018 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 8372 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
ZD02, p. 8442 e.v.) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als relaas van verbalisant:
6.Het derde middel
7.Het vierde middel
8.Het vijfde middel
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 2 juni 2016 een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin voorgenomen wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden uiteengezet (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 325). Naar aanleiding van deze brief zal, naar mag worden aangenomen, verdere politieke besluitvorming plaatsvinden. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding om de verdere behandeling van de zaak aan te houden tot 5 september 2017. Daarna zal de Hoge Raad – na de Advocaat-Generaal in de gelegenheid te hebben gesteld nader te concluderen – beoordelen of op grond van een eventueel dan voorhanden zijnde regeling tot een ander oordeel dan hiervoor onder 3.4 vermeld, dient te worden gekomen.
Zo moet de mogelijkheid van herbeoordeling tijdens de tenuitvoerlegging aan vorenbedoelde voorwaarden blijven voldoen en moet de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging – en ook voordat de vorengenoemde mogelijkheid tot herbeoordeling kan worden benut – kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving.
De toetsing van de wijze van tenuitvoerlegging zal tijdens de executie dienen plaats te vinden, waarbij de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf kan worden beoordeeld overeenkomstig het daartoe bepaalde in de Penitentiaire beginselenwet, dan wel in het kader van een civielrechtelijke procedure.”
re-integratieactiviteiten. De minister kan slechts gemotiveerd afwijken van het advies van het Adviescollege om die activiteiten aan te bieden. Indien het verloop van de procedure dan wel (de motivering van) de beslissing van de minister daartoe aanleiding geeft, kan de veroordeelde tegen die beslissing opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter.
De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof. De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM Pro stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.
”
Murray/Nederlandals volgt:
Vinter and Others, cited above, § 122). It has also held, with reference to
Vinter and Others, that national authorities must give life prisoners a real opportunity to rehabilitate themselves (see
Harakchiev and Tolumov, cited above, § 264). It follows from this that a life prisoner must be realistically enabled, to the extent possible within the constraints of the prison context, to make such progress towards rehabilitation that it offers him or her the hope of one day being eligible for parole or conditional release. This could be achieved, for example, by setting up and periodically reviewing an individualised programme that will encourage the sentenced prisoner to develop himself or herself to be able to lead a responsible and crime-free life.
Gäfgen v. Germany[GC], no 22978/05, § 123, ECHR 2010). The obligation to offer a possibility of rehabilitation is to be seen as an obligation of means, not one of result. However, it entails a positive obligation to secure prison regimes to life prisoners which are compatible with the aim of rehabilitation and enable such prisoners to make progress towards their rehabilitation. In this context the Court has previously held that such an obligation exists in situations where it is the prison regime or the conditions of detention which obstruct rehabilitation (see
Harakchiev and Tolumov, cited above, § 266).” [14]
rules having sufficient degree of clarity and certainty’ en geen sprake is van ‘
objective, pre-established criteria’.