Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Onderdeel 1.1klaagt dat dit oordeel rechtens onjuist is, omdat een eiswijziging in de procedure na verwijzing toelaatbaar is indien de procedure vóór cassatie en verwijzing (kort gezegd) enkel over een deelonderwerp (de verjaring van de vorderingen) ging.
Onderdeel 1.2klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat de Bank de rechtsstrijd op dit punt ondubbelzinnig heeft aanvaard.
Onderdeel 1.3bouwt op het voorgaande voort met het betoog dat het hof in rov. 14.1 het bewijsaanbod van ISG inzake bekendheid van de Bank met de voorwaarde van de bankgarantie ten onrechte heeft gepasseerd.
onderdeel 1.3eveneens faalt.
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ISG niet heeft gegriefd tegen de afwijzing van haar vordering op dit punt, nu de rechtbank hierover niet heeft geoordeeld en de stellingen van ISG op dit punt op grond van de devolutieve werking van het appel alsnog hadden moeten worden beoordeeld.
Onderdeel 2.2bestrijdt het oordeel dat ISG haar stellingen noch in hoger beroep noch in de procedure na verwijzing heeft toegelicht.
Onderdeel 2.3betoogt dat het afwijzen van een verklaring voor recht door het hof in rov. 13 onverlet laat dat de zorgplicht van de Bank en daarmee de schadevergoeding mede kan zijn gebaseerd op de gedragingen en omissies van ondergeschikten van de Bank.
Onderdeel 3.1is gericht tegen rov. 14.1, waarin het hof het aanbod van ISG heeft afgewezen om bewijs te leveren van haar stelling dat de bank wist dat COB een bankgarantie diende af te geven alvorens een bedrag van de hoofdrekening mocht worden overgeboekt (rov. 14.1). Het hof heeft dit bewijsaanbod afgewezen, omdat het onderdeel is van het beroep van ISG op tekortschieten in een contractuele verplichting van de Bank, welk beroep volgens het hof geen deel uitmaakt van de rechtsstrijd. Het onderdeel klaagt dat de stelling ook van belang is voor de beoordeling van het beroep op de (niet-contractuele) zorgplicht van de Bank.
behoordete zijn, mede in het licht van de bijzondere zorgplicht van de Bank jegens ISG c.s.
onderdeel 5.1had de Bank in dit geval wel degelijk een waarschuwingsplicht en doen de genoemde omstandigheden daaraan niet af.
Safe Haven, [32] waarnaar zowel ISG als de Bank hebben verwezen. In die zaak hadden beleggers geld gestort op de rekening van Safe Haven bij een bank. Later bleek dat met deze gelden werd belegd, terwijl Safe Haven hiervoor niet de vereiste vergunning had. De Hoge Raad liet het oordeel in stand dat de bank haar zorgplicht had geschonden doordat zij, op het moment dat zij zich realiseerde dat mogelijk in strijd met de wet werd gehandeld, niets had gedaan om zich daaromtrent zekerheid te verschaffen, welke zekerheid zij door onderzoek had kunnen verkrijgen. De zorgplicht van de bank ging volgens de Hoge Raad echter niet zo ver dat zij de beleggers ook had moeten waarschuwen; hierbij speelde mee dat de bank niet zeker wist dat Safe Haven de vereiste vergunning niet had, maar dat enkel vermoedde.
Safe Havenwordt afgeleid dat de bijzondere zorgplicht van een bank jegens derden zich niet snel vertaalt in een verplichting om hen te waarschuwen voor
mogelijkonrechtmatige gedragingen door een van de cliënten of rekeninghouders van de bank. [33] In het geval dat wordt gewaarschuwd op een moment waarop de bank nog niet zeker is dát zich onrechtmatige gedragingen voordoen, zou die waarschuwing een onrechtmatige daad van de bank jegens de cliënt/rekeninghouder kunnen opleveren. [34] Met aansprakelijkheid van de bank voor schade van een derde moet voorts terughoudend worden omgegaan, omdat het in beginsel aan deze derde zelf is om te onderzoeken aan wie hij geld overmaakt en hoe hiermee wordt omgegaan. [35] Een verplichting voor de bank om derden te waarschuwen voor mogelijke fraude door de cliënt/rekeninghouder of voor andere onregelmatigheden moet ook daarom niet licht worden aangenomen. [36]
‘tipping off-verbod’). [38] Daarnaast kan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen in gevaar komen wanneer bekend wordt dat zij onderwerp zijn van onderzoek naar transacties die achteraf weliswaar ongebruikelijk, maar niet verdacht blijken. [39] De Wet MOT onderkent dus het risico dat een cliënt schade lijdt als gevolg van een melding die achteraf ongegrond blijkt te zijn. Om die reden beperkt art. 13 Wet Pro MOT (thans art. 20 Wwft Pro) de aansprakelijkheid van degene die een melding heeft gedaan tot gevallen waarin aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan. [40]
Safe Havenwoog het hof in rov. 4.31 van zijn arrest bij zijn oordeel dat de bank in dat geval geen waarschuwingsplicht had, ook mee dat op de bank een geheimhoudingsplicht rustte ten opzichte van haar cliënt (Safe Haven). A-G Verkade achtte dat oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat niet duidelijk was geworden waarom die geheimhoudingsplicht de bank van een waarschuwing had moeten weerhouden. [41] Bij de Hoge Raad kwam deze kwestie niet uitdrukkelijk aan de orde, omdat de Raad tot het oordeel kwam dat op de bank onder de gegeven omstandigheden geen waarschuwingsplicht rustte (rov. 6.4.2). Het lijkt mij echter goed mogelijk dat het bestaan van een geheimhoudingsplicht zoals die uit de Wet MOT dan wel uit de Wwft voortvloeit, één van de omstandigheden van het geval is die bepaalt of in een concreet geval een waarschuwingsplicht bestaat. Schending van die geheimhoudingsplicht kan immers meebrengen dat de opsporing naar aanleiding van een melding onder de anti-witwaswetgeving wordt bemoeilijkt, maar ook dat een cliënt of een derde schade lijdt als de melding ongegrond blijkt te zijn. Uit het
Safe Haven-arrest wordt, zoals opgemerkt, afgeleid dat de Hoge Raad in elk geval voor dit laatste risico heeft willen waken.
onderdeel 5.1. Het oordeel van het hof houdt in dat van de Bank kon worden gevergd dat zij ISG c.s. ervan op de hoogte stelde dat zij de rekeningen van COB had gesloten, maar niet dat zij ISG c.s. tevens waarschuwde dat op die rekeningen ongebruikelijke transacties hadden plaatsgevonden. Anders dan het onderdeel betoogt, is dit oordeel niet rechtens onjuist. Uit het door het onderdeel genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 januari 1998 volgt weliswaar dat banken onder omstandigheden verplicht kunnen zijn om derden te waarschuwen, maar uit het arrest
Safe Havenblijkt dat een dergelijke plicht niet snel wordt aangenomen, in het bijzonder niet indien (nog) niet vaststaat dat inderdaad sprake is van onrechtmatig handelen. Het is daarom niet onjuist dat het hof in dit geval geen waarschuwingsplicht heeft aangenomen, en daarbij heeft meegewogen dat positief bewijs van fraude niet voorhanden was. Evenmin is in het licht van hetgeen ik in nr. 2.26 heb besproken, onbegrijpelijk dat het hof betekenis heeft gehecht aan het feit dat op de bank een geheimhoudingsplicht rustte. [42]
Onderdeel 7.1is gericht tegen rov. 11.3, waarin het hof heeft geoordeeld dat het door ISG van COB ontvangen bedrag van USD 1.000.000,- moet worden aangemerkt als een aan ISG opgekomen voordeel, dat op de schade in mindering moet worden gebracht. De klacht houdt in dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 6:100 BW Pro (voordeelstoerekening), nu de schade die ISG heeft geleden doordat zij haar inleg is kwijtgeraakt en het voordeel van deze betaling niet uit eenzelfde gebeurtenis voortvloeien.
[…] / […]heeft de Hoge Raad het vereiste ‘eenzelfde gebeurtenis’ bij voordeelstoerekening gerelativeerd. [48] Het is voldoende dat tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en het voordeel
condicio sine qua non-(
csqn)-verband bestaat. [49] Verder dient het redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade. [50] Anders dan het onderdeel betoogt, wordt dus niet langer strikt de eis gesteld dat het nadeel en het voordeel door eenzelfde gebeurtenis zijn veroorzaakt. Het onderdeel klaagt niet dat het hof de geldende vereisten voor de verrekening van voordeel zou hebben miskend, bijvoorbeeld doordat tussen het genoten voordeel en het onrechtmatig handelen door de Bank geen csqn-verband zou bestaan of omdat het verrekenen van dit voordeel niet redelijk zou zijn. Hierop stuit het onderdeel af.
due diligence-)onderzoek heeft gedaan naar COB en op basis daarvan vertrouwen kreeg in deze organisatie. [52] Het is daarom niet in te zien waarom het oordeel van het hof, dat ISG groot vertrouwen had in [betrokkene 1] en COB, onbegrijpelijk zou zijn.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het (voorwaardelijk) incidentele beroep
onderdeel 1.1betekent het oordeel van het hof in feite dat geen
condicio sine qua non-verband bestaat tussen het niet mededelen door de Bank en de schade van ISG, omdat de kans dat ISG anders had gehandeld bij een waarschuwing kleiner is dan 50%.
Onderdeel 1.2klaagt dat ook als het hof met zijn oordeel toepassing heeft willen geven aan het leerstuk van kansschade, het van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat de verloren kans op succes verbonden is met het eigen hypothetische gedrag van ISG.
Onderdeel 1.3bevat een klacht voor het geval het hof met zijn oordeel toepassing zou hebben gegeven aan het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid. Ook verzoekt de Bank de Hoge Raad de zaak op de voet van art. 420 Rv Pro zelf af te doen door de oorspronkelijke vorderingen van ISG integraal af te wijzen wegens het ontbreken van causaal verband.
onderdeel 1.1klaagt dat geen sprake is van causaal verband tussen de zorgplichtschending en de uiteindelijke schade van ISG, en dat dit blijkt uit het feit dat de kans dat ISG zonder die zorgplichtschending anders had gehandeld slechts 25% bedraagt, faalt het. Het onderdeel miskent immers dat het hier niet gaat om het csqn-verband tussen het niet waarschuwen door de Bank en de uiteindelijke schade van ISG, maar om een csqn-verband tussen dat niet waarschuwen en het verlies van een kans op een betere uitkomst voor ISG.
subonderdeel 1.2aanvoert heeft het hof de regels die gelden voor toepassing van het leerstuk van de kansschade niet miskend. Het gaat hier immers om een geval waarvoor dit leerstuk volgens de Hoge Raad is bedoeld, namelijk een geval waarin de normschending vaststaat, maar onzeker is wat er zou zijn gebeurd als die normschending zich niet had voorgedaan. Verder blijkt uit de bestreden overweging dat het hof heeft beoordeeld of tussen het verlies van een kans en het niet waarschuwen een csqn-verband bestaat. Het hof heeft immers gemotiveerd beoordeeld of er een kans bestaat dat ISG zich door een mededeling had laten beïnvloeden, alvorens in te schatten hoe groot de kans was dat zij hierdoor daadwerkelijk anders had gehandeld. [65] Voorts is er geen regel die inhoudt dat de kansschadebenadering niet zou mogen worden toegepast als de verwerkelijking van de kans afhankelijk is van het gedrag van de benadeelde. De beoordeling van de rechter ziet immers juist ook op de vraag of de benadeelde daadwerkelijk anders zou hebben gehandeld en het ‘succes’ zich dus zou hebben gerealiseerd (zie mijn opmerking aan het slot van nr. 3.6). Het hof heeft dit kenbaar beoordeeld door belang te hechten aan het vertrouwen dat ISG in COB/ [betrokkene 1] had. Ook onderdeel 1.2 faalt dus.