In deze zaak vordert een aannemer betaling van een bedrag van €66.658,10 van een opdrachtgever voor werkzaamheden aan een woning in aanbouw. De aannemer baseert haar vordering op schriftelijke en mondelinge aannemingsovereenkomsten, waaronder een opdracht tot het leveren en plaatsen van gevelkozijnen en ramen.
Het hof Den Haag kende een deel van de vordering toe, maar stelde vast dat de aannemer niet kon bewijzen dat zij mondeling opdracht had gekregen voor de kozijnen en ramen. Het hof kende daarom vergoeding toe op grond van ongerechtvaardigde verrijking, gebaseerd op de kosten die de aannemer had gemaakt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de vordering toe te wijzen op basis van ongerechtvaardigde verrijking terwijl deze grondslag niet door de aannemer was aangevoerd. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam, waarbij de aannemer de gelegenheid krijgt haar stellingen en bewijslevering aan te passen.
De Hoge Raad wijst tevens op het belang van de stelling van de opdrachtgever dat het maximumbudget voor de kozijnen en ramen €16.000 bedroeg, wat invloed kan hebben op de redelijkheid van een vergoeding. De kosten van het cassatieproces worden aan de aannemer opgelegd.