Conclusie
Gemeente)
Stichting), die het gevolg is van het verlies van een bedrag van circa US $ 9,4 miljoen (zijnde circa € 10.299.680,--) dat door de Stichting was geplaatst op een depositorekening bij ING Bank N.V. (hierna:
ING). Dit bedrag is verloren gegaan doordat door ING, op instructie van [eiser] , namens de Stichting een abstracte bankgarantie was verstrekt ter hoogte van dit bedrag aan Planetary Investments LLP (hierna:
Planetary) en Planetary de bankgarantie heeft getrokken. Met gebruikmaking van de bankgarantie was, mede op advies van [eiser] , een zogenoemde Partnership Agreement gesloten met Planetary. Daarmee werd beoogd een zeer hoog rendement te behalen, wat deels aan [eiser] in privé zou toevallen. De Stichting had een contragarantie aan ING afgegeven, waarin zij zich had verbonden tot terugbetaling van de bedragen die ING op grond van de bankgarantie zou moeten uitkeren. De contragarantie is door ING ingeroepen. Betaling van enig rendement of ander bedrag door Planetary is uitgebleven. Volgens een rapport van de FIOD heeft de transactie kenmerken van een High Yield Investment Program en is sprake van een vorm van oplichting.
Het gerechtshof Den Haag (hierna: het
hof) heeft voor recht verklaard dat [eiser] aansprakelijk is voor 80% van de door de Stichting geleden schade. Het hof heeft [eiser] veroordeeld om 80% van de door de Stichting geleden schade aan de Gemeente te betalen, op grond van een pandrecht dat in 2003 door de Stichting op haar vorderingen op onder anderen [eiser] ten behoeve van de Gemeente is gevestigd. De schade bedraagt in totaal € 10.299.680,-- (in hoofdsom), zijnde het bedrag dat uit het vermogen van de Stichting is geraakt doordat Planetary de bankgarantie heeft getrokken en ING de contragarantie heeft ingeroepen. [eiser] is dus volgens het hof aansprakelijk voor een bedrag van € 8.239.744,--. Vaststaat echter dat van de schade van € 10.299.680,-- reeds een bedrag van € 5.437.848,23 (bestaande uit een door ING in het kader van een schikking aan de Gemeente betaald bedrag van in hoofdsom € 5.149.840,--, een door de Gemeente ontvangen bedrag aan schadevergoeding van € 213.367,--, en een bedrag van € 74.641,23 dat aan de Gemeente is betaald door de curator in het faillissement van [eiser] ) aan de Gemeente is vergoed. Er staat dus nog een bedrag van € 4.861.831,77 aan schade open. Aangezien dit bedrag lager is dan de schade waarvoor [eiser] volgens het hof aansprakelijk is, is het bedrag volledig toewijsbaar, te vermeerderen met de (gevorderde) wettelijke rente en voor zover aan deze betalingsverplichting niet reeds is voldaan door een of meer bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6929) hoofdelijk veroordeelde partijen, dan wel hun rechtsopvolgers.
In cassatie wordt door [eiser] geklaagd over het oordeel van het hof over de omvang van de schade van de Stichting en van de schadevergoedingsplicht van [eiser] . De klachten treffen m.i. geen doel. Daarmee wordt ook niet voldaan aan de voorwaarde van het incidentele cassatieberoep van de Gemeente.
1.De feiten
rechtbank). [1] Het hof is ook van die feiten uitgegaan en heeft aanvullend vastgesteld dat de Stichting bij akte van 20 maart 2003 haar vorderingen op (onder anderen) [eiser] heeft verpand aan de Gemeente. [2]
BNG, en de lening hierna: de
BNG-lening) en een lening van de Stichting bij de Nederlandse Waterschapsbank N.V. (de bank hierna: de
NWB, en de lening hierna: de
NWB-lening).
[betrokkene 1]), die de penningmeester van de Stichting, [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), kende, in contact gekomen met [betrokkene 2] . [betrokkene 2] wilde met het in 1999 ter beschikking gekomen bedrag van de BNG-lening, vóór het tijdstip van aflossing van de NWB-lening van 1 oktober 2002, een hoog rendement halen en had deze wens besproken met [betrokkene 1] .
Assistant Treasurer cum Portfolio Managerwith regard to the funds deposited at ING Bank (...)
[A]) een Partnership Agreement (hierna: de
Partnership Agreement) gesloten met Planetary. De Partnership Agreement is namens “PARTY B [betrokkene 1] [A] BV, Authorized Signatory of [de Stichting] ” ondertekend door [betrokkene 1] als “Managing Director” en door [eiser] als “Assistant Director”.
Candle & Eagle), waarin [eiser] en [betrokkene 1] ieder een indirect aandelenbelang van 50% houden.
[betrokkene 3]), de voorzitter van het bestuur van de Stichting, hebben toen een kopie van de bankgarantie geparafeerd. Het door ING opgemaakte verslag van de vervolgbespreking vermeldt, voor zover van belang:
PWF) voor door de Stichting onbetaalde schulden. In totaal heeft de Gemeente als borg voor de Stichting € 17.065.187,-- voldaan.
hof Amsterdam-arrest). [6] Cassatieberoep tegen het hof Amsterdam-arrest is door de Hoge Raad bij arrest van 13 april 2012 verworpen. [7] In deze procedure is vastgesteld dat [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [A] hoofdelijk aansprakelijk en schadeplichtig zijn jegens de Stichting. Zij zijn veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat aan de Gemeente.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
De schade
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
Plan van behandeling
[betrokkene 4]) - en de externe adviseurs [betrokkene 1] en [A] . De aansprakelijkheid van de drie oud-bestuurders van de Stichting is gestoeld op de interne bestuurdersaansprakelijkheid (jegens de rechtspersoon) van art. 2:9 BW Pro. De aansprakelijkheid van [betrokkene 4] , die de functie van secretaris binnen het bestuur van de Stichting vervulde, is door het hof afgewezen; hij kon zich volgens het hof disculperen. [23] [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , die respectievelijk de functie van penningmeester en voorzitter in het bestuur van de Stichting vervulden, kunnen zich volgens het hof niet disculperen en zijn op grond van art. 2:9 BW Pro wegens ernstig verwijt hoofdelijk aansprakelijk voor de uit de tekortkoming van het bestuur voortvloeiende schade. [24] [betrokkene 1] en [A] hebben volgens het hof onrechtmatig gehandeld jegens de Stichting en zijn op grond van art. 6:162 BW Pro aansprakelijk voor de door de Stichting geleden schade. [25] [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [A] zijn door het hof hoofdelijk veroordeeld om aan de Gemeente alle schade te betalen die de Stichting heeft geleden ten gevolge van het handelen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in strijd met art. 2:9 BW Pro en ten gevolge van het onrechtmatige handelen van [betrokkene 1] en [A] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De grondslag om deze schade aan de Gemeente te betalen, is dat de Stichting haar vorderingen op onder anderen de veroordeelde partijen aan de Gemeente heeft verpand. [26] Over het verwijzen naar een schadestaatprocedure overweegt het hof Amsterdam het volgende: [27]
Raad van Tucht) klachten ingediend tegen de accountants die betrokken waren bij de controle van de jaarrekeningen van de Stichting over 1999 en 2000. De Raad van Tucht heeft een aantal van de door de Gemeente geformuleerde klachten over het handelen van de accountants gegrond verklaard. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het
CBb) heeft, anders dan de Raad van Tucht, bij uitspraak van 25 januari 2007 geoordeeld dat de bij de controle van de jaarrekening over 1999 betrokken accountants tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. De beslissing van de Raad van Tucht ten aanzien van de bij de controle van de jaarrekening over 2000 betrokken accountants is door het CBb in stand gelaten. De accountants zijn volgens het CBb tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortgeschoten door het bestaan van de bankgarantie bij werkzaamheden in mei/juni 2001 en ter voorbereiding van een gesprek in februari 2002 niet op te merken. Het verzuim de bankgarantie te signaleren, heeft ertoe geleid dat geen melding van de aan de bankgarantie verbonden risico's kon worden gemaakt en maakt dat de jaarrekening geen getrouw beeld geeft van de vermogenspositie van de Stichting. Voorts heeft een van de accountants tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door, nadat in juli 2002 aan het licht kwam dat de bankgarantie was getrokken, het bestuur van de Stichting niet eerder dan in november 2002 over deze kwestie in te lichten. [34]
Raadsvoorstel), dat wel deel uitmaakt van de gedingstukken in de onderhavige zaak en waar het hof in rov. 20 onder a naar verwijst, wordt melding gemaakt van de volgende bedragen: [39]
(…)
- De door ING bank aan de gemeente verschuldigde schadevergoeding is overeen gekomen op afgerond € 8,6 miljoen;
INGook heeft getracht haar deel van de schade te verhalen. Dat lijkt slechts ten dele, jegens Candle & Eagle (zie onder 1.10), te zijn gelukt. [46]
[betrokkene 5]), zowel in hoedanigheid van raadsman van [eiser] als van schuldeiser, zijn de vorderingen van de Gemeente en ING volledig betwist. Deze betwiste vorderingen zijn verwezen naar de rol voor renvooi. In de renvooiprocedure (art. 122 Fw Pro) heeft de rechtbank bij vonnis van 13 juli 2011 ING niet toegelaten als schuldeiser in het faillissement van [eiser] (zie ook onder 1.33). [49] Voor de relevante, aan die beslissing ten grondslag liggende, overwegingen verwijs ik naar rov. 4.5-4.11 van dat vonnis. De Gemeente is door de rechtbank tot een bedrag van € 5.714.121,68 toegelaten in het faillissement van [eiser] (zie ook onder 1.33). Voor de relevante, aan die beslissing ten grondslag liggende overwegingen, verwijs ik naar rov. 4.16-4.24 van dat vonnis. [betrokkene 5] is in hoger beroep gekomen van dat vonnis met betrekking tot de verificatie van de vordering van de Gemeente. Het hof heeft bij arrest van 23 september 2014 het vonnis bekrachtigd (zie ook onder 1.33). [50] Voor de relevante, aan die beslissing ten grondslag liggende, overwegingen verwijs ik naar rov. 2.6-2.7 van dat arrest.
totaan 1 maart 2014, zijnde de waarderingsdatum in het KPMG-rapport. [66] Het hof laat de wettelijke rente niet lopen vanaf het moment dat de schade is ingetreden (17 mei 2002), maar pas
vanaf1 maart 2014 over de dan nog openstaande hoofdsom en vanaf 15 oktober 2015 over de dan nog openstaande € 213.367,-- (zie onder 3.3) lagere hoofdsom.
Causaal verbandhet volgende naar voren gebracht:
Schade is al vergoedaan toegevoegd:
overschotvan € 4.393.754. De nadien ontvangen faillissementsuitkering ad € 74.641 en het in § 92 van de dagvaarding genoemde bedrag van € 213.367, hebben dat overschot zelfs doen oplopen tot € 4.681.762.” [cursivering in origineel, A-G]
Eigen schuld Gemeenteonder meer opgemerkt: [91]
meerschade heeft geleden die aan [eiser] kan worden toegerekend, maar is van oordeel dat dit door de Gemeente onvoldoende gemotiveerd is gesteld en onderbouwd.” [cursivering, A-G] Ik wijs in dat verband ook op rov. 11 onder a, in cassatie onbestreden, waarin het hof de hier relevante toelichting op de principale grief II van [eiser] als volgt weergeeft, puttend uit de memorie van grieven onder 22-23:
Schade is al vergoed, dan dat volgens [eiser] “de schade” van de Stichting “die wel in causaal verband staat tot de verweten gedraging (voornoemde € 10.299.680)” al “is vergoed”, gelet op de daar genoemde betalingen aan de Gemeente. [97] Dat verweer is door het hof onderkend (vgl. rov. 11 onder b) en beoordeeld (rov. 20-23 en het dictum). Voor zover [eiser] zich daar volgens het hof op de juiste bedragen baseert, is dat verweer door het hof gehonoreerd door het in lijn daarmee, en binnen de grens van het bedrag in hoofdsom waarvoor [eiser] volgens het hof aansprakelijk is (€ 8.239.744,--), beperken van het door [eiser] als schadevergoeding aan de Gemeente nog te betalen bedrag (in hoofdsom) tot het nog openstaande bedrag van voornoemde schade (€ 4.861.831,77). Waar [eiser] in de memorie van grieven met zoveel woorden een beroep doet op “eigen schuld” (onder 22 en 32-46, zie ook rov. 13 van het hof), [98] valt een dergelijk - voorafgaand aan dat eigen schuld-beroep te beoordelen - beroep op “voordeelstoerekening” nergens te lezen, ook niet in de memorie van grieven zijdens [eiser] onder 26-27. [99] Het hof heeft zo’n beroep m.i. ook niet hoeven inlezen in de genoemde passages. Daarbij betrek ik mede het volgende.
Schade zou al zijn vergoed, ook niet opgevat als een beroep van [eiser] op voordeelstoerekening, [102] waar de Gemeente het kenbare beroep van [eiser] op eigen schuld wel heeft onderkend en daarop ook heeft gereageerd. [103]
in hoofdsomontvangen bedrag van (per saldo) € 5.149.840,--, [116] die
rentevan € 3.450.160,-- níet in mindering komt op de
hoofdsomvan € 10.299.680,--, als vooropgesteld in rov. 20, aanhef (“Vast staat dat van de schade van € 10.299.680,- reeds een deel aan de Gemeente is vergoed. Het hof houdt rekening met de volgende bedragen:”). Voor zover wordt geklaagd dat de rente hier zonder enige motivering niet door het hof in aftrek is genomen, mist het subonderdeel (dus) feitelijke grondslag. Dat, zoals [eiser] heeft gesteld, in het KPMG-rapport de aanzienlijke renteaanwas ontbrak, [117] doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Het oordeel van het hof in rov. 20 onder a is gebaseerd op het Raadsvoorstel en verwijst niet naar het KPMG-rapport, waarbij zij opgemerkt dat die aanwas uit dat Raadsvoorstel blijkt en dat [eiser] zelf ook heeft gewezen op dat Raadsvoorstel en die daaruit blijkende aanwas in de memorie van grieven (onder 8 op p. 5, achter “2 juli 2009”).
wettelijkerente naar 1 maart 2014. [118] Ik wijs er verder nog op dat het hof, anders dan in het KPMG-rapport, geen wettelijke rente aan [eiser] heeft berekend over de periode
tot1 maart 2014 (zie ook onder 3.7). In rov. 23 (en het dictum) komt het hof tot de conclusie dat voor [eiser] “een bedrag
in hoofdsomaan nog te vergoeden schade van € 4.861.831,77” [cursivering, A-G] resteert en in rov. 24 (en het dictum) dat de wettelijke rente aan [eiser] berekend wordt
vanaf1 maart 2014. De rente inzake de ING-schikking die het hof in rov. 20 onder a niet in mindering heeft gebracht op de hoofdsom van de schade, ziet dus ook op een heel andere periode. Ook dat draagt bij aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 20 onder a.
tot1 maart 2014. In het KPMG-rapport is, evenals door het hof in rov. 20 onder a, van het door de Gemeente van ING ontvangen bedrag inzake het vonnis van de rechtbank Utrecht van 31 januari 2007 van in hoofdsom € 10.299.680,-- de betaling aan ING inzake de schikking van eind 2009 van in hoofdsom € 5.149.840,-- afgetrokken, waardoor een nog openstaand bedrag aan schade resteert van € 5.149.840,--. De van ING ontvangen wettelijke rente over het bedrag van € 10.299.680,-- (€ 2,6 miljoen) en de aan ING terugbetaalde wettelijke rente in het kader van de schikking over het bedrag van € 5.149.840,-- (€ 1,1 miljoen) zijn met elkaar verrekend en het bedrag aan wettelijke rente is vervolgens in het KPMG-rapport toegerekend tot 1 maart 2014 (zie ook onder 3.26-3.27). In lijn met het KPMG-rapport wordt door de Gemeente zowel in de inleidende dagvaarding [121] als in de memorie van antwoord [122] als hoofdsom van de schikking met ING het bedrag van € 5.149.840,-- genoemd (zie ook onder 1.30). Die hoofdsom van de ING-schikking heeft het hof in rov. 20 onder a, bij de weergave van reeds vergoede schade, in mindering gebracht op het nominale bedrag van de schadeomvang van € 10.299.680,--. [eiser] heeft zich er in de memorie van grieven op beroepen dat op de schade van de Stichting van € 10.299.680,-- (in hoofdsom), niet slechts de hoofdsom van de ING-schikking, € 5.149.840,-- in mindering moet worden gebracht, maar het bedrag van € 8.600.000,--, dus inclusief rente ad € 3.450.160,-- dat in het Raadsvoorstel als bate wordt genoemd: [123]
vanaf1 maart 2014 (zie ook onder 3.27). Ik wijs er verder nog een keer op dat het KPMG-rapport is gebaseerd op de schade die de
Gemeentein haar hoedanigheid van borg voor de Stichting heeft geleden en dat het hof is uitgegaan van de schade die de
Stichtingheeft geleden en die de Gemeente in haar hoedanigheid van pandhouder van de vorderingen van de Stichting vordert.
Schade zou al zijn vergoedstelt:
de factotussen deze posten geen onderscheid kan worden gemaakt.
Ik wijs voorts op de memorie van antwoord van de Gemeente onder 97 (en 90), waarop randnummer 105 terugslaat en waarin wordt gesteld:
Gemeentein haar hoedanigheid van
borgheeft geleden. Rov. 21 ligt aldus in het logische verlengde van rov. 16 (en rov. 3). Ik wijs in dat kader nog op het proces-verbaal van de pleidooizitting bij het hof van 25 maart 2019, waaruit blijkt dat mr. De Jong zijdens de Gemeente onder meer het volgende heeft verklaard: [134]
Het is correct dat ik in deze zaak de geleden schade van de Stichting vorder en niet van de gemeente.”
Het subonderdeel beroept zich er voorts op dat de Gemeente niet op grond van art. 6:125 BW Pro heeft gesteld dat zij schade lijdt of heeft geleden inzake de (haar welbekende) [138] koerswijziging van de Amerikaanse dollar en dat zij een dergelijke schade ook niet ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen. Volgens het subonderdeel heeft het hof door de schade te begroten in euro’s de niet-gevorderde schade uit hoofde van deze koerswijziging van de Amerikaanse dollar toegevoegd aan de wel gevorderde schade op grond van het trekken van de bankgarantie ten laste van de door de Stichting aangehouden dollardeposito’s. Het subonderdeel klaagt dat het hof derhalve in strijd met art. 24 Rv Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en/of art. 6:125 BW Pro heeft miskend.
misschienanders zou kunnen oordelen over de koersdatum, gaat niet op. De artikelen 6:121 - 126 BW, waarnaar artikel 6:124 BW Pro verwijst, zijn namelijk niet van toepassing. In zijn algemeenheid geldt die regeling alleen voor geldschulden die niet geheel binnen één nationale rechtssfeer vallen. Daarvan is geen sprake, want zowel de Gemeente als ING is in Nederland gevestigd, alwaar ook de onrechtmatige gedragingen hebben plaatsgevonden en de schade is ontstaan. In het bijzonder is artikel 6:121 BW Pro niet aan de orde, omdat het geen betrekking heeft op oneigenlijke valutaschulden. De vorderingen van de Gemeente strekte immers tot betaling van een bedrag in het geld van de plaats van betaling, zijnde haar woonplaats (art. 6:116 BW Pro), ten belope van de tegenwaarde van een bedrag in ander geld ($ 9.426.267,52). Hetzelfde geldt voor artikel 6:122 BW Pro, aangezien de verbintenis strekt tot betaling in euro’s, en evenzo voor artikel 6:123 BW Pro, nu het niet tot een executie is gekomen. Ten slotte is afdeling 9 van titel 1, waarnaar artikel 6:124 BW Pro eveneens verwijst, niet van toepassing, want inzet van de procedure was de verplichting van de ING om de zonder rechtsgrond verrichte prestaties ongedaan te maken. Overigens, zelfs als artikel 6:124 BW Pro van toepassing zou zijn geweest, dan had de Gemeente op grond van artikel 6:125 BW Pro koerswijzigingsschade kunnen vorderen.” [cursivering in origineel, A-G]
naast voormeld bedrag[van € 10.299.680,--, A-G]
nog meerschade heeft geleden die aan [eiser] kan worden toegerekend”, maar “
dat ditdoor de Gemeente onvoldoende gemotiveerd is gesteld en onderbouwd”, daaraan toevoegend dat dáártoe dat KPMG-rapport niet voldoet [cursivering, A-G]. Daarmee is door het hof dus niet gezegd dat het rapport irrelevant is met betrekking tot (bijvoorbeeld) die schade van de Stichting van € 10.299.680,--, waarvan, het zij nogmaals benadrukt , [eiser] (zoals daarvóór reeds vastgesteld door het hof in rov. 16) in zijn memorie van grieven dus al heeft erkend dat dát de waarde van het dollardeposito op het hier relevante schademoment was, daarbij die schade zelf consistent begrotend op “€ 10.299.680”. In het KPMG-rapport wordt, naast schade die voortvloeit uit de door de Gemeente verrichte betalingen uit hoofde van de verstrekte borgstellingen (zie ook onder 1.29), eveneens het bedrag van € 10.299.680,-- in aanmerking genomen (zijnde het bedrag dat uit het vermogen van de Stichting is geraakt doordat Planetary de bankgarantie heeft getrokken en ING zich op de contragarantie heeft verhaald, en dat ING als uitvloeisel van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 31 januari 2007 in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, aan de Gemeente heeft betaald). [149] Daarbij breng ik nogmaals in herinnering dat aan de feitenrechter een grote mate van vrijheid toekomt bij het bepalen van de omvang van de schade, dus bij de schadebegroting (zie onder 3.7).
daarnaasthoofdelijke veroordeling van gedaagden van alle door de Gemeente geleden en nog te lijden schade, zijnde de door haar nog af te lossen BNG- en PWF-lening (…).” [cursivering in origineel, A-G]
minder grootis geworden. De tegenwaarde van 1 Amerikaanse dollar in euro’s op 17 mei 2002 was kennelijk € 10.299.680,-- / US $ 9.426.267,52 = afgerond € 1,09. De tegenwaarde van de Amerikaanse dollar in euro’s op 9 februari 2007 was kennelijk € 7.247.072,-- / US $ 9.426.267,52 = afgerond € 0,77. Ten tijde van het indienen van de procesinleiding, op 18 september 2019 (zie onder 2.15), was de tegenwaarde van 1 Amerikaanse dollar afgerond € 0,91. De tegenwaarde in euro’s van US $ 9.426.267,52 was tegen die koers dus weer toegenomen tot ruim € 8,5 miljoen, en daarmee was het verschil ten opzichte van de waarde op 17 mei 2002 geslonken van ruim € 3 miljoen tot minder dan € 2 miljoen. Inmiddels, ten tijde van het nemen van deze conclusie, peildatum 27 augustus 2020, is de tegenwaarde van 1 Amerikaanse dollar afgerond € 0,85 en daarmee dus nog steeds aanzienlijk minder dan de door de Gemeente berekende ruim € 3 miljoen op basis van de koers van 9 februari 2007 ten opzichte van 17 mei 2002.
erkenddat de geleden schade van de Stichting als gevolg van het onrechtmatige handelen van (onder anderen ) [eiser] , die de Gemeente in haar hoedanigheid van pandhouder vordert, “€ 10.299.680,-” (in hoofdsom) bedraagt, zijnde het bedrag dat uit het vermogen van de Stichting is geraakt doordat Planetary de bankgarantie heeft getrokken. Dat dient m.i., mede gelet op rov. 11 onder a en b, te worden begrepen als primair geplaatst in de te onderscheiden sleutel van een gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 lid 1 Rv Pro, dus het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk (en ondubbelzinnig) erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. [168]
NJ1997/702. Het verdient dus duidelijkheidshalve de voorkeur dat de rechter, zo ten processe een beroep op de billijkheidscorrectie is gedaan, in zijn uitspraak eerst doet blijken tot welk resultaat de causaliteitsafweging heeft geleid, en vervolgens op welke gronden hij al dan niet tot toepassing van de billijkheidscorrectie heeft besloten.”
handelenvan [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dat aan de Stichting kan worden toegerekend (oftewel de gedragingen van de Stichting die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade) en niet op de verwijtbaarheid van dat handelen (dus die gedragingen). Dat het hof daarbij tevens verwezen heeft naar het hof Amsterdam-arrest, dat na verwerping van het daartegen gerichte cassatieberoep in kracht van gewijsde is gegaan, maakt dat oordeel over de causaliteit niet onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd. In het hof Amsterdam-arrest worden immers ook gedragingen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] opgesomd, voordat in dat arrest wordt geoordeeld over de vraag of de bestuurders bij hun taakvervulling ernstig verwijtbaar jegens de Stichting hebben gehandeld. Het subonderdeel ziet daaraan voorbij. Met betrekking tot het handelen van [betrokkene 2] kan worden gewezen op rov. 4.21 van het hof Amsterdam-arrest, en met betrekking tot het handelen van [betrokkene 3] op rov. 4.24 van het hof Amsterdam-arrest. [180] Dat verband tussen het handelen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , mede op basis van het hof Amsterdam-arrest, en het beroep op eigen schuld van de Stichting wordt ook gelegd in de memorie van grieven zijdens [eiser] , onder 34: