Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft de afwikkeling van een samenlevingsovereenkomst tussen partijen die samenwoonden en gezamenlijk een appartement bewoonden. Na beëindiging van de samenleving ontstond een geschil over de waarde van het appartement en de bestemming daarvan, waarbij de vraag centraal stond of het appartement als bedrijfswoning of als burgerwoning moest worden gewaardeerd.
De rechtbank stelde de waarde van het appartement vast op € 370.000, gebaseerd op een taxatie van makelaarskantoor [A]. Het hof vernietigde dit oordeel en stelde de waarde vast op € 6.205,13 aan betaling aan eiseres, rekening houdend met de bestemming als bedrijfswoning zoals door verweerder gesteld. Eiseres betwistte deze bestemming pas laat in het proces met een brief van de gemeente die een burgerwoning zou bevestigen.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het appartement een bedrijfswoning is, omdat eiseres dit verweer niet tijdig heeft betwist in de memorie van antwoord. De Hoge Raad benadrukt het belang van de tweeconclusieregel en de eisen van een goede procesorde, waardoor een partij niet zomaar laat in het proces een nieuw verweer kan introduceren. Het beroep van eiseres wordt verworpen en de kosten worden ieder door eigen partij gedragen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt verworpen en het hof heeft terecht geoordeeld dat het appartement een bedrijfswoning is en dat een laat verweer tegen een bindende eindbeslissing niet toelaatbaar is.