Conclusie
Ter plaatse ben ik, verbalisant [verbalisant 3], bij de ambulance gebleven. Ik zag dat de deur van de ambulance op een kier stond. Ik zag dat [betrokkene 1] op de brancard lag. Ik zag dat hij geheel onder het bloed zat. Ik zag dat hij op zijn rechterarm een wond had. Ik zag dat hij op zijn linkerarm een wond had. Ik zag dat zijn bovenlichaam ontbloot was. Ik zag dat hij een snijwond ter hoogte van zijn schouder en hals had.
Ik, [verbalisant 3], ben met de ambulance meegereden naar het Catharinaziekenhuis te Eindhoven. Aldaar is [betrokkene 1] geholpen aan zijn verwondingen. In het ziekenhuis zag ik dat hij op zijn rechterarm een snijwond had van ongeveer 2 á 3 centimeter. Deze wond zat aan de binnenkant van zijn rechter onderarm. Ik zag dat hij op zijn linkerarm een snijwond had van ongeveer 10 á 15 centimeter. Deze wond zat aan de buitenkant van zijn linker onderarm. Ik zag dat hij een snijwond had aan zijn schouder en hals. Ik zag dat de snijwond liep vanaf zijn linkerborst, over de borst en via de hals naar de rechterschouder.
Op 27 december 2013, omstreeks 21.00 uur, bevond ik mij in de woning van een vriend, gelegen aan de [a-straat 2] te Eindoven. Ik kan me herinneren dat we nog op stap wilden gaan, dat moet na middernacht zijn geweest.
Ik kan me nog vaag herinneren dat ik wakker werd in het ziekenhuis. Ik heb een grote steekwond en diverse hechtingen.
Ik kwam gisteren (het hof begrijpt: 28 december 2013) terug van de kroeg. Ik zag toen een donkere jongen bij mijn overbuurman, van [a-straat 4], staan. Die stond daar ruzie te maken. Ik vroeg of alles goed was. Toen kwam die jongen naar mij toe en hij begon te schelden en te slaan. Ik ben toen naar binnen gegaan, mijn huis in.
Ik maakte de deur van mijn huis dicht. Vervolgens begon die jongen tegen mijn deur te schoppen en te slaan.
Toen heb ik een mes gepakt en heb ik de deur weer open gemaakt. Ik ben in de deuropening blijven staan. Toen kwam hij weer op me af en sloeg mij. Ik heb toen afgeweerd. Toen ik de deur dicht maakte en weer naar binnen liep, zag ik dat ik onder het bloed zat.
V : Heb jij die jongen gestoken?
A: Ik heb afgeweerd.
V: Hoe heb je dat precies gedaan dan?
A: Elke keer als hij sloeg, sloeg ik terug.
V: Met wat voor mes heb jij je afgeweerd?
A: Met een stanleymes.
V: Wanneer heb je dat mes precies gepakt?
A: Ik ging naar binnen, toen kwam hij richting mij. Toen heb ik hem de eerste keer weggeduwd. Toen maakte ik de deur dicht. Toen begon hij op de deur te slaan. Daarna heb ik dat mes gepakt.
De Somalische jongen had een ontbloot bovenlichaam. Ik zag dat mijn overbuurman een slaande beweging maakte naar de Somalische jongen. Ik zag dat de Somalische jongen zich vervolgens omdraaide. Over zijn lichaam zag ik toen allemaal bloed stromen.
Uitwendig waargenomen letsel: Steek-/snijwond arm beiderzijds en over borst tot bijna in oksel.
Ik woon aan de [a-straat 4] in Eindhoven. In de nacht van vrijdag op zaterdag 28 december 2013 was ik thuis. Ik zag dat mijn overbuurman van pand [a-straat 3] en een Somalische jongen tegen elkaar aan het schreeuwen waren. Ik hoorde [verdachte] (hof begrijpt: verdachte) tegen de jongen zeggen dat hij weg moest gaan. Hij ging niet weg.
Ik woon aan de [a-straat 7] in Eindhoven. Op zaterdag 28 december 2013 werd ik wakker van gebonk buiten op straat. Ik zag een man met zijn vuist tegen mijn auto slaan. Ik zag dat hij zijn shirt uittrok. Ik hoorde dat de man aan het schreeuwen was.”
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever [betrokkene 1], in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.
2. Cliënt heeft zich verweerd, en dat mocht hij.
3. Van opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - is geen sprake. Primair zal dan ook worden bepleit dat cliënt behoort te worden vrijgesproken.
(…)
15. Het is niet vast te stellen dat door het stanleymesje letsel bij [betrokkene 1] is veroorzaakt. [betrokkene 1] is immers ook in een hek geklommen met punten. Het letsel past hier ook bij. Niet kan worden uitgesloten dat het letsel hier is ontstaan.
16. Indien wel als uitgangspunt zou worden genomen dat het letsel is ontstaan door het stanleymesje, dan kan daaruit niet volgen dat sprake is van opzettelijk handelen.
17. Uit de verklaringen blijkt wel van een reactie van cliënt. Hij handelt in een reflex, het is geen doelbewuste, weloverwogen, doordachte handeling.
18. De reactie van cliënt kan niet als opzettelijk handelen worden betiteld, niet op enige vorm van toebrengen van letsel, en zeker niet op levensberoving.
19. Ook voorwaardelijk opzet is niet aan de orde. Er is nimmer willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dood zou intreden of enig letsel zou ontstaan. Het ter hand nemen van een stanleymesje impliceert niet het aanvaarden van een aanmerkelijke kans.
20. Zelfs als het letsel door het mesje zou zijn ontstaan, dan is het onduidelijk in welke hand cliënt het stanleymes vasthield op het moment dat het [betrokkene 1] richting cliënt kwam en of het in de hand zat waarmee cliënt heeft gezwaaid. Ook is onbekend of het mesje was uitgeschoven, en voor zover daarvan sprake was, hoe ver dit is geweest. Uit het oppervlakkige letsel kan niet worden afgeleid dat dit ver was, integendeel.
21. Er is feitelijk onvoldoende om vast te stellen dat het een handeling is geweest van cliënt waardoor het letsel is ontstaan. Voor zover het wel zou zijn ontstaan door de zwaaiende hand van cliënt, volgt daaruit geen opzet. Een aanmerkelijke kans op het ontstaan van letsel zou er kunnen zijn, maar die is dan zeker niet aanvaard. Een reflex is een contra-indicatie voor aanvaarding.
22. Geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, aldus: vrijspraak ten aanzien van (al) hetgeen is tenlastegelegd.”
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het beroep op noodweer(exces) heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
Naar het oordeel van het hof ontstond op dat moment (en niet eerder) een noodweersituatie waartegen verdediging door verdachte gerechtvaardigd (“noodzakelijk”) was.
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien;
b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
“a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien;
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.” [6] Bij de beantwoording van de vraag of de gedraging het “onmiddellijk gevolg” was van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding, is maatgevend of de door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging. [7] Daarbij kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. [8]