Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
Op 6 september 2013 ontstond op het Janskerkhof te Utrecht een vechtpartij tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte meerdere keren krachtig tegen het hoofd van aangever schopte terwijl deze op de grond lag. Aangever liep zware verwondingen op, waaronder een hersenschudding.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden verwierp het beroep op noodweer en noodweerexces van verdachte, stellende dat de tweede confrontatie geen onmiddellijke reactie was op een ogenblikkelijke aanranding, maar een bewuste tegenaanval. Het hof baseerde zich op verklaringen van getuigen, politieprocessen-verbaal en camerabeelden.
De Hoge Raad oordeelt echter dat de motivering van het hof onbegrijpelijk is, omdat de vastgestelde feiten niet verenigbaar zijn met de conclusie dat verdachte de aangever bewust opzocht en de tweede vechtpartij begon. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het beroep op noodweerexces.
De zaak betreft de vraag of de overschrijding van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad benadrukt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit niet het geval zou zijn.
De Hoge Raad wijst erop dat verdachte verklaarde onder invloed van alcohol en uit boosheid te hebben gehandeld, factoren die het hof mee moet wegen bij de beoordeling van noodweerexces.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onbegrijpelijke motivering en verwijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling noodweerexces.