ECLI:NL:PHR:2016:955
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring cassatie wegens onterecht passeren getuigenbewijs in geschil over dwaling vaststellingsovereenkomst belastingaanslagen
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2001-2003. Tijdens de procedure sloten partijen een vaststellingsovereenkomst, waarna belanghebbende de beroepen introk. Later verzocht hij de intrekking ongedaan te maken wegens dwaling bij het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank en het hof verklaarden de beroepen niet-ontvankelijk en verwierpen het beroep op dwaling. Het hof passeerde het bewijsaanbod van belanghebbende om drie medewerkers van de Belastingdienst als getuigen te horen, omdat het aanbod niet gespecificeerd was en omdat belanghebbende ter zitting niet toegelicht had wat de getuigen zouden verklaren.
De advocaat-generaal stelde dat het hof ten onrechte het getuigenaanbod had gepasseerd zonder nadere opheldering te vragen, en dat het niet mag worden verlangd dat de zakelijke inhoud van de verklaringen vooraf wordt gespecificeerd. Het hof had de getuigen, die aanwezig en beschikbaar waren, moeten horen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond en oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bewijsaanbod werd gepasseerd en ten onrechte de eis stelde dat belanghebbende ter zitting moest toelichten wat de getuigen zouden verklaren.
De zaak betreft de toepassing van artikel 8:63 Awb Pro over het horen van getuigen in bestuursrechtelijke belastingzaken, en de voorwaarden waaronder een bewijsaanbod mag worden gepasseerd. De Hoge Raad benadrukte het belang van een zorgvuldige motivering en het vragen van opheldering bij onduidelijkheid, mede vanwege het feit dat het fiscale geding slechts één feitelijke instantie kent.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt gegrond verklaard wegens onjuiste passering van het getuigenbewijsaanbod door het hof.