ECLI:NL:CRVB:2011:BP5577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en rechtmatigheid huisbezoek
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd geconfronteerd met intrekking van haar uitkering omdat zij volgens het College een gezamenlijke huishouding voerde met [J.], met wie zij vier kinderen heeft. Het College baseerde dit onder meer op huisbezoeken, bankafschriftonderzoek en verklaringen.
De rechtbanken hadden het beroep deels ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraken. De Raad oordeelt dat het huisbezoek van 17 juli 2007 rechtmatig was omdat er redelijke grond was en sprake was van informed consent. Het bezoek van 11 juli 2007 was geen huisbezoek in juridische zin omdat de ambtenaren alleen aan de deur werden te woord gestaan.
Verder is vastgesteld dat [J.] zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante, waardoor sprake was van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 WWB Pro. Appellante had haar inlichtingenverplichting geschonden door dit niet te melden. De Raad ziet geen schending van het fair trial-beginsel in het weigeren van het horen van de dochter als getuige wegens niet tijdige aanmelding.
Het beroep tegen de intrekking van de bijstand en tegen het latere besluit tot afwijzing van een nieuwe aanvraag wordt ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en rechtmatig huisbezoek.