ECLI:NL:HR:2007:BA0721

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 57 lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens ontbreken belangenafweging bij weigering stukken zitting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een boete wegens niet-tijdige aangifte. Na bezwaar van belanghebbende verminderde de Inspecteur de aanslag enigszins, maar handhaafde de boete. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de Inspecteur's uitspraken en stelde een lagere aanslag en boete vast.

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest. Een van de middelen betrof het feit dat het hof ter zitting stukken van belanghebbende had geweigerd zonder een kenbare belangenafweging. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vereist dat de rechter een belangenafweging maakt bij het toelaten van stukken die laat worden ingediend.

Omdat het hof geen blijk gaf van een dergelijke belangenafweging, werd het middel gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest, behoudens beslissingen over griffierecht en proceskosten, en verwees de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. De Staat werd veroordeeld het griffierecht van belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens ontbreken belangenafweging bij weigering stukken en verwijst zaak terug.

Uitspraak

Nr. 42.905
16 maart 2007
AS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2005, nr. BK-04/00751, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 375.000, alsmede een boete van ƒ 1250 wegens niet-tijdige aangifte. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 365.483, waarvan ƒ 150.000 belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en de boetebeschikking gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 320.000, waarvan ƒ 150.000 belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, en de boete verminderd tot ƒ 250. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak nader toegelicht.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel III strekt ten betoge dat het Hof ter zitting op ontoereikende gronden heeft geweigerd van belanghebbende stukken in ontvangst te nemen. Daaromtrent is (enkel) in het proces-verbaal van de zitting het volgende vermeld:
"Belanghebbende wenst de afschriften van drie brieven over te leggen. De Inspecteur geeft te kennen daartegen bezwaar te maken. Belanghebbende verwijst in zijn pleitnota naar een aantal producties en wenst deze over te leggen. De Inspecteur geeft te kennen daartegen bezwaar te hebben. De voorzitter honoreert dit bezwaar met een verwijzing naar artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht."
3.2. Artikel 8:58, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. De bepaling beoogt, blijkens de daarop gegeven toelichting, een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Uit de strekking van die bepaling volgt dat de rechter - binnen het kader van een goede procesorde - de mogelijkheid heeft stukken die binnen tien dagen voor de zitting of eerst ter zitting zijn overgelegd al dan niet in de procedure toe te laten (HR 1 oktober 2004, nr. 38967, BNB 2005/151). Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken ter zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang, zoals dit ook geldt met betrekking tot stukken die een partij na de zitting alsnog wenst over te leggen (HR 3 februari 2006, nr. 41329, BNB 2006/204). 's Hofs uitspraak noch het proces-verbaal van de zitting geeft er blijk van dat een zodanige afweging heeft plaatsgevonden. Het middel is derhalve gegrond.
3.3. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4. Op grond van het hiervoor onder 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling. De in de middelen V en VI aan de orde gestelde vragen kunnen na verwijzing aan de orde komen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2007.