Conclusie
[verdachte]
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het namens de verdachte ingestelde beroep
Bespreking van de middelen
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft afgezien van het horen van de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 13].
Ten aanzien van de nog niet gehoorde getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 13] doet zich thans de situatie als bedoeld in artikel 288 van Pro het Wetboek van Strafvordering voor: het is niet aannemelijk dat zij binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zullen verschijnen. Het hof wijst die verzoeken derhalve af. Van de getuige [betrokkene 15] is bekend waar hij verblijft. Het hof is derhalve van oordeel dat de zaak moet worden aangehouden teneinde deze getuige te horen.
tweede middelziet op de bewijsvoering en valt uiteen in drie klachten.
derde middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot het medeplegen van de afpersing van de aangevers [betrokkene 8] en [betrokkene 23].
vierde middelbehelst de klacht dat het Hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip "bedreiging met geweld" in de zin van art. 317 Sr Pro jegens de aangevers [betrokkene 16], [betrokkene 23] en [betrokkene 7], althans dat de bewezenverklaring ter zake ontoereikend is gemotiveerd.
vijfde middelkomt met verschillende motiveringsklachten op tegen de onder 2 bewezenverklaarde oplichting jegens aangever [betrokkene 1].
zesde middelklaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, meer in het bijzonder niet dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels ten aanzien van de aangevers [betrokkene 4], [betrokkene 2] en [betrokkene 5].
zevende middelkomt met diverse klachten op tegen het onder 2 bewezenverklaarde oplichting wat betreft het aangaan van schulden bij de Belastingdienst en de Postbank door aangever [betrokkene 3].
achtste middelklaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed op de grond dat ten aanzien van verschillende nadere bewijsoverwegingen niet zou zijn voldaan aan de eis dat het Hof met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het Hof die feiten of omstandigheden heeft ontleend.
negende middelklaagt dat het Hof het onder 4 bewezenverklaarde ten onrechte als gewoontewitwassen heeft gekwalificeerd, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
tiende middelziet op de strafmotivering. Deze zou onbegrijpelijk zijn voor zover daarbij is overwogen dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens afpersing.
elfde middelkomt met motiveringsklachten op tegen de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
twaalfde middelbevat twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat het Hof bij zijn beslissing op de vorderingen van verschillende benadeelde partijen het toegewezen schadebedrag ten onrechte heeft vermeerderd met de wettelijke rente.
Ambtshalvemerk ik op dat de Hoge Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, nu deze termijn op 23 september 2014 zal verstrijken.
bij de Hoge Raad der Nederlanden