ECLI:NL:HR:2003:AF6599
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering wegens oplichting met investeringen
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon uit Pakistan, verdacht van oplichting in Zweden tussen 1993 en 1998. De verdachte zou investeerders hebben misleid door hen te doen geloven dat zij hun geïnvesteerde kapitaal met 18% jaarlijkse rente zouden terugkrijgen, terwijl hij noch zijn bedrijf de intentie of capaciteit had om dit na te komen.
De rechtbank Haarlem verklaarde de uitlevering toelaatbaar, waarbij zij oordeelde dat de feiten onder Nederlandse wetgeving strafbaar zijn als oplichting, waarvoor een gevangenisstraf van ten minste een jaar kan worden opgelegd. De verdediging stelde dat het begrip dubbele strafbaarheid niet was voldaan omdat het Zweedse begrip 'grovt bedrågeri' niet overeenkomt met een Nederlands strafbaar feit.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de feiten strafbaar zijn als oplichting volgens art. 326 Sr Pro en dat daarmee aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de uitlevering juridisch mogelijk blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van uitlevering wegens oplichting.