Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het twaalfde middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
18 november 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gedeeltelijk vernietigd. Het Hof had aan verschillende benadeelde partijen schadevergoeding toegekend vermeerderd met wettelijke rente vanaf data die niet strookten met het tijdstip van het schadeberokkende strafbare feit. De Hoge Raad oordeelde dat wettelijke rente niet eerder kan ingaan dan de dag waarop het strafbare feit is gepleegd en corrigeerde de renteperiodes dienovereenkomstig.
Daarnaast werd de verdachte veroordeeld voor afpersing gepleegd door meerdere personen en medeplegen van oplichting. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf met vier maanden moest worden verminderd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de rente en de strafduur betrof, en deed zelf de afdoening van die punten omwille van doelmatigheid. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de straf verminderd tot drie jaar en tien maanden gevangenisstraf, en werden de renteperiodes aangepast aan de feitelijke data van het bewezenverklaarde strafbare feit.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de rente en strafduur, vermindert de straf tot drie jaar en tien maanden en stelt de renteperiodes correct vast.