ECLI:NL:GHDHA:2025:2672

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggaaf van dividendbelasting door Britse unit-linked verzekeraar en de toepassing van het Nederlands belastingrecht

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de teruggaaf van dividendbelasting door [X] Limited, een Britse unit-linked verzekeraar. De belanghebbende had voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2009 en 2010 verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting ingediend, die door de Inspecteur waren afgewezen. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. De kern van het geschil betrof of belanghebbende als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden kon worden aangemerkt, en of zij recht had op teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet als opbrengstgerechtigde kon worden aangemerkt, omdat zij niet vrijelijk over de dividenden kon beschikken en als lasthebber voor de polishouders optrad. De Inspecteur had aannemelijk gemaakt dat de economische eigendom van de dividenden bij de polishouders berustte. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. De zaak heeft belangrijke implicaties voor de toepassing van het Nederlands belastingrecht op buitenlandse entiteiten en de voorwaarden voor teruggaaf van dividendbelasting.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-21/1022 tot en met BK-21/1026
Uitspraak van 11 december 2025
in het geding tussen:
[X] Limitedte [Z] (Verenigd Koninkrijk), belanghebbende,
(gemachtigden: F.P.G. Pötgens, M.L. Al-Saady, P.A Spijker en Y.Z. Wu)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordigers: […] en […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 5 augustus 2021, nummers BRE 20/7293 tot en met BRE 20/7297.
Procesverloop
1.1. Belanghebbende heeft voor de jaren 2005, 2006 en 2007 aangiften vennootschapsbelasting ingediend en – voor, onder meer, de jaren 2009 en 2010 – verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting. Aldus heeft belanghebbende op 23 december 2008 respectievelijk 17 december 2012 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting voor de genoemde jaren. Het gaat om de volgende bedragen:
- het jaar 2005 tot een bedrag van € 5.857.006 (BK-21/1022);
- het jaar 2006 tot een bedrag van € 3.450.550 (BK-21/1023);
- het jaar 2007 tot een bedrag van € 19.173.039 (BK-21/1024);
- het jaar 2009 tot een bedrag van € 26.574.779 (BK-21/1025);
- het jaar 2010 tot een bedrag van € 16.640.897 (BK-21/1026).
1.2. De Inspecteur heeft de in 1.1 bedoelde verzoeken (waaronder de als verzoeken opgevatte aangiften vennootschapsbelasting) afgewezen bij beschikking van 25 maart 2016.
1.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de tegen de afwijzing van de verzoeken om teruggave van dividendbelasting gemaakte bezwaren, alsmede het verzoek om vergoeding van gederfde rente afgewezen.
1.4.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van éénmaal € 354.
1.4.2. In haar nader stuk van 11 juni 2021 heeft belanghebbende de in 1.1 vermelde bedragen voor de jaren 2009 en 2010 aangepast tot respectievelijk € 22.515.469 en € 12.849.430.
1.4.3. De Rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.500;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 1.122;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan haar vergoedt.”
1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 541.
1.6. Bij verwijzingsbeslissing van 14 oktober 2021 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaken op grond van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaken.
1.7. In de motivering van het hogerberoepschrift van 11 november 2021 heeft belanghebbende de in 1.1 vermelde bedragen voor de jaren 2005 tot en met 2007 aangepast tot respectievelijk € 5.857.758, € 3.582.666 en € 19.557.144.
1.8. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.9.1. Bij brief van 6 september 2022 heeft de Inspecteur een op 4 juli 2022 van belanghebbende ontvangen verzoek om op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stukken te overleggen, doorgestuurd aan het Hof. Bij deze brief heeft de Inspecteur tevens zijn reactie op vorenbedoeld verzoek van belanghebbende gevoegd.
1.9.2. Bij brief van 20 september 2022 heeft belanghebbende gereageerd op de reactie van de Inspecteur.
1.10.1. Vervolgens is op 16 maart 2023 besloten de zaken aan te houden in verband met de beslissing van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) is verzocht een prejudiciële beslissing te geven. Zowel belanghebbende (brief van 20 december 2022) als de Inspecteur (brieven van 21 december 2022, 13 januari 2023 en 10 februari 2023) heeft zich uitgelaten over het aanhouden van de zaken.
1.10.2. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 7 november 2024, XX, C-782/22, ECLI:EU:C:2024:932, BNB 2025/23 (het arrest XX), waarbij vorenbedoelde prejudiciële beslissing is gegeven. Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt.
1.11.1. Bij brief van 27 februari 2025 heeft belanghebbende – onder verwijzing naar haar brief van 20 september 2022 (zie 1.9.2) – gemotiveerd gesteld dat de in die laatstbedoelde brief nader aangeduide stukken op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb door de Inspecteur in het geding dienen te worden gebracht.
1.11.2. Bij bericht van 20 mei 2025 is de Inspecteur verzocht de gevraagde stukken binnen twee weken in het geding te brengen.
1.11.3. Bij brief van 4 juni 2025 heeft de Inspecteur de gevraagde stukken (deels) verstrekt en voor een aantal stukken (te weten: de hierna in 5.2 onder (vii) bedoelde overeenkomsten met [Bank 1] ) een beroep gedaan op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.
1.11.4. Het dossier is daarop in handen gesteld van een geheimhoudingskamer van dit Hof.
1.12.1. De Inspecteur heeft bij brief van 6 juni 2024 drie overeenkomsten met [Bank 1] (bijlagen A, B en C, met bijbehorende bijlagen) overgelegd aan de geheimhoudingskamer en daarbij verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb.
1.12.2. Bij beslissing van 13 juni 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek om beperkte kennisneming afgewezen, met uitzondering van bijlage A (met bijlagen) en van de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank 1] in de bijlagen B en C.
1.12.3. De Inspecteur heeft bij brief van 18 juni 2025 bijlagen B en C alsnog in het geding gebracht en een geschoonde versie daarvan aan belanghebbende verstrekt, waarbij de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank 1] zijn weggelakt.
1.12.4. Belanghebbende heeft bij brief van 18 juni 2025 toestemming verleend om mede op grondslag van de stukken en gegevens ten aanzien waarvan door de Inspecteur een terecht beroep op beperkte kennisneming is gedaan, uitspraak te doen.
1.13. Het Hof heeft, nadat gebleken was dat de door de Inspecteur bij de Rechtbank ingediende aanvullende pleitnota en de door belanghebbende bij de Rechtbank ingediende pleitnota zich niet in de dossiers bevonden, partijen verzocht deze stukken nogmaals in te dienen, wat belanghebbende op 6 juni 2025 en de Inspecteur op 27 juni 2025 heeft gedaan.
1.14. Van de zijde van de Inspecteur is op 13 juni 2025 een nader stuk ontvangen. Van de zijde van belanghebbende is eveneens op 13 juni 2025 een nader stuk ontvangen. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.
1.15. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 26 juni 2025. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De Inspecteur heeft ter zitting drie bijlagen bij de vooraf ingediende pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1. Belanghebbende is een naar het recht van Engeland en Wales opgerichte en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap. De enige aandeelhouder van belanghebbende is een eveneens in het Verenigd Koninkrijk gevestigde, beursgenoteerde vennootschap.
2.2. Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk geregistreerd als verzekeringsmaatschappij. Zij valt in de onderhavige jaren onder de werkingssfeer van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering en zij beschikt over vergunningen om te opereren als verzekeraar en om te opereren namens pensioenfondsen en verzekeraars. Zij sluit – vrijwel uitsluitend met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde institutionele pensioenverzekeraars (de polishouders) – overeenkomsten die worden aangeduid als ‘unit-linked polissen’. De overeenkomsten tussen belanghebbende en de polishouders strekken ertoe dat belanghebbende de van de polishouders ontvangen bedragen belegt teneinde beleggingsrendementen te genereren. Het (pensioen)verzekeringsrisico ter zake van tussen de polishouders en derden gesloten pensioenovereenkomsten berust bij de polishouders (behoudens de mogelijkheid voor de polishouders om bij belanghebbende een annuïteit te bedingen; zie onderdeel 8 van het hierna onder 2.3.4 opgenomen citaat).
2.3.1. Belanghebbende voert haar activiteiten uit door de pensioenverzekeraars de mogelijkheid te bieden door middel van het aankopen van unit-linked polissen deel te nemen aan het door belanghebbende opgerichte zogeheten Pooled Pensions Fund (PPF).
2.3.2. Het PPF is administratief onderverdeeld in verschillende subfondsen (‘PF Sections’; ook wel: effectenmandjes) met elk een eigen risico- en investeringsprofiel. De PF Sections zijn administratief gescheiden fondsen en hebben geen rechtspersoonlijkheid. De van de polishouders ontvangen inleggelden worden toegewezen aan een of meer gekozen PF Sections, in ruil waarvoor aan de polishouders, afhankelijk van de ‘Offer Price’, een aantal ‘units’ wordt toebedeeld. Een samenstel van units wordt als polis aangeboden.
2.3.3. De inleggelden in de PF Sections worden door belanghebbende belegd, onder andere in aandelen. Bij de bepaling van de aard van de beleggingen wordt rekening gehouden met de vooraf met de polishouders afgesproken risicoprofielen binnen de desbetreffende PF Section. Dividenden en andere opbrengsten die worden ontvangen uit de beleggingen worden binnen dezelfde PF Section geherinvesteerd. Polishouders kunnen, behoudens de vaststelling van het risicoprofiel, de daadwerkelijke beleggingen niet beïnvloeden. Zij hebben een aanspraak op de waarde die de units van hun polis vertegenwoordigen, aangezien zij de units tegen de ‘Bid Price’ kunnen verzilveren.
2.3.4. Tot de stukken van het geding behoort de ‘Pooled Fund Policy: Standard Conditions (First Edition) (As Amended)’ (de Policy) van belanghebbende die daarin wordt aangeduid als ‘the Company’. De Policy bevat onder meer de volgende bepalingen:

4. Consideration payable
4.1 Consideration may be paid in accordance with the Policy by the Policyholder to the Company on any Dealing Day while the Policy is in force. (…)
4.2 The Policyholder must select how the Consideration is to be allocated between PF Sections. (…) If no instruction has been given to the Company in respect of any payment of Consideration by the time any notice is required to be given for a particular payment of further Consideration, no allocation will be made and the Consideration will be returned to the Policyholder.
(…)
5. Nature of Units, PF Sections etc.
5.1 The Long Term Fund is a single fund divided among a number of sections each of which is administered as a separate account within the Long Term Fund. The Company will maintain accounting and other records necessary to identify the PF Sections and the Management Section.
5.2 Each PF Section is notionally divided into Units of such classes and on such terms as the Company may from time to time determine. In any PF Section, Units may be subdivided and allocated as fractions of a Unit.
(…)
5.4 The benefits under the Policy will be expressed in terms of Units which are allocated to the Policy as described in Condition 6. Such allocation of Units is made only for the purposes of calculating benefits and measuring the Company’s liability to Policyholders and does not affect the ownership of the assets of the PF Sections which remain the absolute property of the Company. Nothing in the Policy shall create a trust or charge in favour of the Policyholders or any other person or persons or fetter in any way the beneficial ownership of the Company in the assets comprising the Long Term Fund or its ability to exercise its powers in relation thereto.
(…)
5.8 The Company has complete discretion over the choice of Investments allocated to each PF Section, subject to the Investments being consistent with the objectives of each PF Section as laid down from time to time by the Company. The achievement of any objective specified by the Company for a PF Section is not guaranteed.
(…)
5.12 The investment income from the assets and any other proceeds of, or arising from, the assets attributed to a PF Section will be retained in and invested in that PF Section as they arise, except that the profits from any stock-lending transaction (which for these purposes includes a transaction which is economically equivalent to a lending of assets although it involves their outright transfer) may be retained for the Company’s account (but if not will be allocated to the relevant PF Section). The Company may withdraw assets from a PF Section to meet all charges, expenses, Taxes, levies, regulatory fees, reinsurance premiums and other outgoings which it, in its reasonable discretion, considers appropriate to charge to that PF Section in order to maintain the reasonable expectations of all holders of contracts of insurance business related to the Long Term Fund.
(…)
5.14 Nothing contained in the Policy shall constitute the Company an agent of the Policyholder or of any other person or persons for any purpose whatsoever.
(…)
5.16 On each Dealing Day on which the total number of Units of a PF Section allocated to all Policies increases new Units are (subject to Sub-Condition 6.3) created at the Offer Price. An amount will be transferred from the Management Section to that PF Section equal to the appropriate Offer Price multiplied by the number of new Units created except to the extent that Units are cancelled or created on the transfer of assets.
5.17 Conversely, on each Dealing Day on which the total number of Units of a PF Section allocated to all Policies decreases Units are (subject to Sub-Condition 6.3) cancelled at the Bid Price and (except to the extent that Units are cancelled or created on the transfer of assets) an amount will be transferred from that PF Section (on that Dealing Day or as soon as the settlement of sales of underlying securities permits) to the Management Section equal to the appropriate Bid Price multiplied by the number of Units cancelled.
(…)
6. Unit Allocation
(…)
6.2 Subject to Sub-Condition 6.3, Units will normally be allocated at the Offer Price on the Dealing Day on which the Units are allocated if the Consideration is cash. In the absolute discretion of the Company and subject always to Sub-Condition 4.7.2, Units may instead be allocated at Mid Price where Consideration is received in specie.
6.3 All allocations and surrenders (and any creation or cancellation) of Daily Priced Units in a particular PF Section which take place on the same Dealing Day will be effected at the same price and that price will be:
6.3.1 the Offer Price if there is a net inflow of funds (leaving the creation or surrender of Units on a transfer of assets out of account for these purposes) to that PF Section such that Units in that PF Section are created under Sub-Condition 5.16 on that Dealing Day;
6.3.2 the Bid Price if there is a net outflow of funds (leaving the creation or surrender of Units on a transfer of assets out of account for these purposes) from that PF Section such that Units in that PF Section are cancelled under Sub-Condition 5.17 on that Dealing Day;
6.3.3 Mid Price in all other cases.

7.Surrender of Units

7.1
The Policyholder may (subject to the provisions of the Policy) elect to surrender on a Dealing Day such number of Units as it may determine. In consideration of such surrender the Company shall, subject to Sub-Conditions 6.3, 7.6, 7.7 and 7.8 (and as soon as practicable and in accordance with the terms of the Policy), pay a cash sum equal to the product of the number of Units of each PF Section surrendered and the respective Bid Price relating thereto. The Company reserves the right not to give effect to such election until it has received the original of any notice under this Sub-Condition 7.1.
(…)
8. Annuity Option
8.1
If the Policyholder is or is about to become liable to pay a pension or similar payment under the Scheme, the Policyholder may require the Company to provide an annuity on its then current standard conditions or such other terms as the Company is willing to offer the Policyholder at that time.
8.2
The Company shall, on request, provide a quotation for an annuity to the Policyholder.
(…)
SCHEDULE ONE
Definitions and Interpretation
General Definitions
In the Policy except where the context otherwise requires the following expressions shall have the following meanings:
Bid Price: in relation to a Unit in a given PF Section on any given Dealing Day, the amount equal to Bid Value in relation to that PF Section on that Dealing Day divided by the total number of Units in that PF Section in credit immediately before such Dealing Day;
Bid Value: in relation to any PF Section, the value calculated as set out in Section I of Schedule Two;
(…)
Consideration: an investment (in cash or specie) received from the Policyholder to establish a benefit under the Policy by reference to Units in the PF Sections;
(…)
Dealing Day: in relation to any PF Section, any day which the Company shall determine and notify to Policyholders as a day on which Units in that PF Section may be created or cancelled;
(…)
Long Term Fund: the long term fund maintained by the Company;
Management Section: that part of the Long Term Fund which is not represented by the PF Sections;
Mid Price: in relation to a Unit the price which is calculated in the same way as Bid Price and Offer Price except that no account is taken of the costs of buying or selling Investments and the value of investments shall be calculated in such a way as to eliminate any spread between the buying and selling prices of Investments;
(…)
Offer Price: in relation to a Unit in a given PF Section on any given Dealing Day, the amount equal to Offer Value in relation to that PF Section on such Dealing Day divided by the total number of Units in that PF Section in credit immediately before such Dealing Day;
Offer Value: in relation to any PF Section, the value calculated as set out in Section II of Schedule Two;
(…)
PF Section: any one of the sub-funds (or internal linked funds) of the Long Term Fund (other than the Management Section) which are designated by the Company as PF Sections and which determine the benefits received by Policyholders;
(…)
Policyholder: the person to whom the Policy is granted, and Policyholders refers to the holders from time to time of all policies issued by the Company on its Long-Term Fund;
(…)
Unit: a unit as described in Sub-Condition 5.2.”
In Schedule Two wordt de berekening van de Bid Value en Offer Value uitgewerkt. Het gaat hierbij – zakelijk weergegeven – telkens om de marktwaarde van de investeringen in een bepaalde PF Section op de voorafgaande dag, verminderd met transactiekosten. Ook wordt gecorrigeerd voor aan de PF Section toerekenbare vorderingen (inclusief dividendvorderingen), schulden en kasmiddelen.
2.4.1.
Belanghebbende ontvangt voor haar management- en beheerswerkzaamheden een vergoeding. De aan de polishouders in rekening gebrachte vergoeding is gelijk aan een percentage van de waarde van de beleggingen. Het percentage van de beheersvergoeding varieert per PF Section per jaar. De vergoeding van belanghebbende komt ten laste van de fondsen.
2.4.2.
Belanghebbende besteedt de feitelijke beleggingswerkzaamheden uit aan [Limited 1] en [Limited 2] , beide zustervennootschappen van belanghebbende, die daarvoor een vergoeding ontvangen.
2.5.
Tot de bezittingen van belanghebbende behoorden in de onderhavige jaren aandelen in beursgenoteerde vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd (de aandelen). Belanghebbende beschikte over een effectendepotrekening (effectendepot) bij twee in het Verenigd Koninkrijk gevestigde banken/bewaarders, [Bank 2] ; voorheen: [Bank 2-a] ) en [Bank 1] . De aandelen zijn in vorenbedoelde effectendepots geplaatst. In de onderhavige jaren zijn op de aandelen dividenden uitgekeerd, waarop – per saldo – 15 percent Nederlandse dividendbelasting is ingehouden.
2.6.
De voorwaarden waaronder [Bank 2-a] aan belanghebbende diensten verleende ter zake van de effectendepots waren opgenomen in een ‘custody agreement’ van 3 juni 1999. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

1. DEFINITIONS
In this agreement:
(…)
1.8 “
Foreign Securities” means Securities issued by non-UK issuers.
(…)
1.11 “
Securities” means any investments (as defined from time to time in the Financial Services Act 1986), including but not limited to shares, stocks, derivatives, bonds, securities or other similar property (including evidence of securities or title thereto and all rights in respect thereof) held by the Bank for the Client pursuant to this Agreement.
(…)
1.16 “
UK Securities” means Securities issued by UK issuers.
(...)
3. CUSTODY OF THE PROPERTY
(…)
3.2
All Securities will be recorded in the books of the Bank in one or more custody accounts (the “Custody Account”) as Securities deposited or transferred by or on behalf of the Client with or to the Bank or a sub-custodian or collected by the Bank or a sub-custodian for the account of the Client.
(…)
3.4
The Bank will hold the Securities on trust for the Client and identify in its records that the Securities belong to the Client (unless otherwise agreed with the Client). The Bank will require any sub-custodian to identify in its records that the Securities (together with the securities of other clients of the Bank) belong to clients of the Bank.
3.5
For the avoidance of doubt, the only duties of the Bank in respect of the Securities shall be to hold the Securities (or its rights or interests in respect of them) for the Client in accordance with this Clause 3 and to perform the duties set out in this Agreement.
3.6
Although the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property, the Bank may commingle the Securities with securities held for other clients. For the avoidance of doubt it is agreed that where such pooling does take place the Client shall be treated as the beneficial owner of such proportion of the relevant securities, as the number of its Securities bears to the total number of securities held. In this case the Client’s redelivery rights in respect of the Securities are not in specie but rather in respect of securities of the same number, class, denomination and issue as those originally deposited with the Bank.
3.7
Registrable UK Securities will be registered as the Bank may direct in the name of a nominee company of the Bank. Registrable Foreign Securities will be registered as the Bank may direct in the name of either a nominee of either the Bank or a sub-custodian, the Client or if the Client is not the beneficial owner of the Securities but an authorised person acting on behalf of the beneficial owner, the beneficial owner or where permitted by the SFA rules in the name of the Bank or a sub-custodian. Under SFA rules Securities may only be registered in the name of the Bank or a sub-custodian where, due to the nature of the law or market practice of an overseas jurisdiction, it is in the Client’s best interests or it is not feasible to do otherwise. The Client acknowledges that although as stated in clause 3.6 the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property, where the Securities are registered in the Bank’s name in the event of the Bank’s default the Client may not be as well protected as if the Securities had been registered in a different name.
(…)
7. VOTING
7.1
All voting rights in respect of the Securities will be exercisable by or at the direction ofthe Client.
7.2
The Bank will, provided it has received timely instructions to do so, complete proxies enabling either the Client or its designated agent to exercise the voting rights or to give effect to the Client’s wishes concerning the exercise of the voting rights and will forward the same to the person specified in the appropriate notice.
7.3
The Bank will not be liable to the Client for any losses suffered as a result of the benefit of corporate actions not being obtained or voting rights not being exercised provided that the Bank has used all reasonable endeavours to forward the Client’s instructions to the appropriate recipient.

8.INTEREST, DIVIDENDS AND OTHER INCOME ENTITLEMENTS

8.1
Subject to Clause 8.3 below interest, dividends and other incomeentitlements due to the Client (“Income”) will be collected, processed and credited to a bank account in the name of the Client either on the contractual payment date of income or on the date of actual receipt of cleared funds in accordance with the Operational Service Standards.”
2.7.
De voorwaarden waaronder [Bank 2] aan belanghebbende diensten verleende ter zake van de effectendepots waren opgenomen in een ‘custody agreement’ van 3 maart 2006. Daarin was onder meer het volgende opgenomen:

1. DEFINITIONS
In this Agreement:
(…)
1.8 “
Income” means dividends, interest payments and other entitlements accruing to the Client in respect of the Property.
(…)
1.13 “
Securities” means any safe custody investments and custody assets, including but not limited to shares, stocks, debentures, derivatives, bonds, warrants, securities or other similar property (including evidence of, title to and all rights in respect of such safe custody investments and custody assets) held by the Bank for the Client pursuant to this Agreement.
(…)
3. CUSTODY OF THE PROPERTY
(…)
3.2
All Securities will be recorded in the books of the Bank in one or more custody accounts (the “
Custody Account”) as Securities held on behalf of the Client by the Bank or a Sub-Custodian.
(…)
3.4
The Bank will identify in its records that the Securities belong to the Client (unless otherwise agreed with the Client). The Bank will require Sub-Custodians to identify in their records that the Securities (together with the securities of other clients of the Bank) belong to clients of the Bank.
3.5
For the avoidance of doubt, the only duties of the Bank in respect of the Securities shall be to hold the Securities (or its rights or interests in respect of them) for the Client in accordance with this Clause 3 and to perform the duties set out in this Agreement.
3.6
Although the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property except in the limited circumstances permitted under Clause 3.7(d), the Bank may commingle the Securities with securities held for its other clients. For the avoidance of doubt it is agreed that where such pooling takes place the Client shall be treated as the beneficial owner of such proportion of the relevant securities, as the number of its Securities bears to the total number of securities held. In this case the Client’s redelivery rights in respect of the Securities are not in specie but rather in respect of securities of the same number, class, denomination and issue as those originally deposited with the Bank.
3.7
Registrable Securities will be registered as the Bank may direct in the name of:
(a) a nominee company controlled by (i) the Bank, (ii) a Sub-Custodian, (iii) a Clearing System or its common depositary, (iv) an affiliated company of the Bank, or (v) a recognised investment exchange or designated investment exchange; or
(b) the Client; or
(c) if the Client is an authorised person acting on behalf of its own client, the client of the Client; or
(d) the Bank, a Sub-Custodian or Clearing System where permitted in Schedule 1.
3.8
The Client acknowledges that, although as stated in Clause 3.6 that the Bank will not commingle the Securities with the Bank’s own property except in the limited circumstances permitted under Clause 3.7(d), where Securities are registered or recorded in the Bank’s name (which may occur from time to time) they may not be segregated from the designated investments of the Bank and in the event of the Bank’s insolvency the Client’s assets may not be as well protected from claims made on behalf of the general creditors of the Bank.
(…)
7. VOTING
7.1
All voting rights in respect of the Securities will be exercisable by the Client or in accordance with Instructions.
7.2
Unless the Bank at its complete discretion agrees to exercise the voting rights on behalf of the Client in accordance with timely Instructions to do so, the Bank or its agent will, provided it has received Instructions in time to do so, complete proxies enabling either the Client or its designated agent to exercise the voting rights or to give effect to the Client’s wishes concerning the exercise of the voting rights and will send the completed proxies to the person specified in the appropriate notice.
7.3
Subject to Clauses 16.2 and 16.3, the Bank will be liable to the Client for losses arising directly from the failure of the Bank or a Sub-Custodian to perform its duties relating to voting rights in accordance with Clauses 6.1 and 7.2; provided that where the Bank or a Sub-Custodian has sent the necessary advice or completed proxies to the appropriate recipient, the Bank shall not be liable to the Client for any losses suffered as a result of the voting rights not being exercised for any reason including, without limitation, as a result of any non-receipt or delay in delivery of such advice or completed proxies.

8.INCOME

8.1
Subject to Clause 8.3 below, Income will be collected and processed by the Bank. Income will be credited to a bank account in the name of the Client either on the contractual payment date of Income or on the date of actual receipt of cleared funds in accordance with the Bank’s operational service standards.
(…)
SCHEDULE 1 - LOCAL LEGAL, REGULATORY AND OPERATIONAL PROVISIONS
This Schedule contains local legal, regulatory and operational provisions which apply to the Bank (as additional sub-clauses in the corresponding clauses in the Agreement where applicable) in the provision of the Services.
(…)
CLAUSE 3 (CUSTODY OF THE PROPERTY)
(…)
B. For the purposes of Clause 3.4, the Bank will hold U.K. Securities in trust for the Client.”
2.8.
De beleggingen in de effectenmandjes zijn vermeld op de balansen in jaarrekeningen van belanghebbende (‘assets held to cover linked liabilities’). De desbetreffende aandelen worden gewaardeerd op de reële waarde (fair value). De (uiteindelijke) verplichtingen jegens polishouders worden opgenomen in de technische voorziening (‘technical provisions for linked liabilities’) en eveneens gewaardeerd op de reële waarde. Mutaties in de waarde van op de reële waarde gewaardeerde beleggingen en overig beleggingsrendement (in de vorm van rentebaten) leiden, behoudens aan belanghebbende en aan haar gelieerde groepslichamen toekomende vergoedingen en ondergeschikte kosten, tot dienovereenkomstige mutaties in de hoogte van de technische voorziening.
2.9.
Alle voordelen die belanghebbende behaalt met de beleggingen die behoren tot de unit-linked fondsen behoren – in beginsel – tot haar belastbare grondslag in het Verenigd Koninkrijk. Als last wordt een aftrek geaccepteerd die correspondeert met de verplichtingen van belanghebbende ten opzichte van de polishouders in verband met de beleggingsresultaten. Op deze wijze wordt belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk per saldo slechts in de belastingheffing betrokken voor het resultaat dat zij behaalt met het (doen) managen van het PPF. Belanghebbende is in het Verenigd Koninkrijk aldus onderworpen aan de heffing van winstbelasting. Zij kan in het Verenigd Koninkrijk zeer beperkte aanspraak maken op verrekening van Nederlandse dividendbelasting.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“(…)
4.2.
Wettelijk kader
4.2.1.
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (de Wet DB) wordt, samengevat en voor zover van belang, aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, teruggaaf verleend van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, tenzij de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Met ingang van 1 januari 2007 is in artikel 10 van de Wet DB geregeld dat, voor zover van belang, de teruggaveregeling van het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een lichaam dat in een andere lidstaat van de EU is gevestigd en aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.
4.2.2.
In Nederland gevestigde pensioenlichamen die voldoen aan de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet Vpb) gestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Aan hen wordt, als zij aan de overigens gestelde voorwaarde voldoen, teruggaaf verleend van dividendbelasting op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet DB.
4.3.
Opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden
4.3.1.
Belanghebbende stelt dat zij de opbrengstgerechtigde en de uiteindelijk gerechtigde is tot de hier aan de orde zijnde dividenden.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet is aan te merken als opbrengstgerechtigde van de dividenden waarover de dividendbelasting is geheven waarop de teruggaafverzoeken betrekking hebben. Zo dat wel het geval is, stelt de inspecteur dat belanghebbende niet is aan te merken als uiteindelijk gerechtigde van die dividenden.
4.3.2.
Bij de beoordeling van het geschil zal de rechtbank in het hiernavolgende veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat belanghebbende moet worden aangemerkt als de opbrengstgerechtigde en de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden waarop de hier aan de orde zijnde dividendbelasting is ingehouden.
4.4.
Drukvergelijking
4.4.1.
Belanghebbende stelt, met een beroep op het Unierecht, dat recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare ingezeten belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting (drukvergelijking). Daarbij is naar de mening van belanghebbende het enge kostenbegrip dat is gedefinieerd in het arrest Société Générale SA[1] niet leidend omdat dit ten onrechte is gebaseerd op het arrest Commissie/Duitsland[2], onverenigbaar is met eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU)[3] en is achterhaald door latere rechtspraak van het HvJ EU.[4] Volgens belanghebbende staat – gelet op de afspraken met polishouders – tegenover de waardeaangroei in verband met de ontvangen dividenden een even grote stijging van haar verplichting aan haar polishouders. Volgens belanghebbende moet die verplichting in het kader van de drukvergelijking worden aangemerkt als een financieringslast.
4.4.2.
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU omvatten de maatregelen die ingevolge artikel 63, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen. Als een zodanige verboden maatregel kan worden aangemerkt een regeling die ertoe leidt dat de belastingdruk op een bepaald inkomensbestanddeel van een buitenlandse belastingplichtige hoger is dan die van een met hem of haar vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Voor de beoordeling of een wettelijke regeling verenigbaar is met artikel 63 van het VwEU, is het aan de rechtbank na te gaan of voor de onderhavige dividenden de toepassing op belanghebbende van een dividendbelasting van – per saldo – 15 percent ertoe leidt dat voor haar uiteindelijk in Nederland de belastingdruk zwaarder is dan voor ingezetenen voor dezelfde dividenden.[5]
4.4.3.
De rechtbank overweegt dat in het door belanghebbende genoemde arrest Société Générale SA is overwogen dat met betrekking tot uitgaven, zoals beroepskosten die rechtstreeks verband houden met een activiteit waardoor in een lidstaat belastbare inkomsten zijn verworven, ingezetenen en niet-ingezetenen van deze lidstaat in een vergelijkbare situatie verkeren en dat, in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden, van een dergelijk verband slechts sprake is indien die kosten rechtstreeks samenhangen met de inning als zodanig van die inkomsten.[6] Naar het oordeel van de rechtbank kan de aangroei van de verplichting aan polishouders niet worden aangemerkt als een uitgave in vorenbedoelde zin. Die verplichting vloeit voort uit de polisvoorwaarden en daaromheen gemaakte afspraken en houdt geen rechtstreeks verband met de inning van de dividenden. De door belanghebbende aangehaalde arresten geven geen aanleiding om te concluderen dat het arrest Société Générale SA onjuist is of dat het HvJ EU daarvan is teruggekomen. Dat neemt niet weg dat aan belanghebbende kan worden toegegeven dat op conceptueel niveau vragen kunnen rijzen over de verhouding tussen enige van die arresten en het arrest Société Générale SA, maar een verklaring voor de ‘enge’ benadering ter zake van dividenden in dat laatste arrest zou de bijzondere aard van dividenden kunnen zijn.[7]
Voor het geval dat moet worden uitgegaan van het in 4.4.1 bedoelde enge kostenbegrip, is niet in geschil dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting op basis van drukvergelijking.
4.5.
Vergelijking met een in Nederland gevestigd pensioenlichaam
4.5.1.
Belanghebbende stelt voorts dat zij voor wat betreft de teruggaafregeling vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd pensioenlichaam. Op belanghebbende rust ter zake de bewijslast.
4.5.2.
Artikel 5 van de Wet Vpb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Wij behouden Ons voor bij algemene maatregel van bestuur onder daarbij te stellen voorwaarden van de belasting vrij te stellen:
a. (…)
b. lichamen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding, behoudens voor zover zij voordelen behalen uit bij algemene maatregel van bestuur aangewezen werkzaamheden die niet rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van bedoelde regelingen.”
4.5.3.
Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 luidt:
“Een in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet omschreven lichaam is van de belasting vrijgesteld mits de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met het in voormelde onderdeel b aangegeven doel en bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge het onderhavige artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang.”
4.5.4.
De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenlichaam, reeds omdat niet wordt voldaan aan de zogenoemde werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis. Belanghebbende heeft dat laatste als zodanig niet bestreden. Verder heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerend pensioenlichaam. De inspecteur heeft daartoe in de kern aangevoerd dat uit de feiten volgt dat belanghebbende niet voldoet aan een deel van de voorwaarden en dat belanghebbende met betrekking tot de andere voorwaarden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daaraan voldoet. Ook dit heeft belanghebbende niet bestreden.
Belanghebbende betoogt evenwel dat, vanuit Unierechtelijk perspectief, zij gelet op de doelstelling van de teruggaafregeling voldoende vergelijkbaar is met een Nederlands pensioenfonds wat betreft de teruggaaf van dividendbelasting. Belanghebbende voert daartoe aan (i) dat de teruggaafregeling bedoeld is voor situaties waarin dividendbelasting niet verrekend kan worden omdat de betrokkene niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting en dat de achtergrond van de teruggaafregeling mede is om industriefinanciering door het beleggen in aandelen aantrekkelijker te maken, en (ii) dat zij evenzeer een institutioneel belegger is als een Nederlands pensioenfonds en zij geen aanspraak kan maken op verrekening van Nederlandse dividendbelasting. Verder komen de Nederlandse vereisten voor een vrijgesteld pensioenlichaam in strijd met het Unierecht.
De rechtbank is het niet met belanghebbende eens. Het gaat hier om een geval waarin op basis van de wet geen recht bestaat op teruggaaf. Het Unierecht kan dan – voor zover hier van belang – alleen meebrengen dat toch recht op teruggaaf bestaat indien belanghebbende voldoende vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd lichaam dat wel recht heeft op teruggaaf. De fiscale behandeling in de woonstaat – hier: het aangevoerde (nagenoeg geheel) niet kunnen verrekenen van de dividendbelasting – is in dat opzicht niet relevant.[8] Ook de omstandigheid dat belanghebbende een institutionele belegger is, is als zodanig niet relevant. Aangezien belanghebbende zich beroept op vergelijking met een vrijgesteld pensioenlichaam en niet in geschil is dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een vrijgesteld pensioenlichaam, faalt als uitgangspunt het beroep op die vergelijking. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de vraag kan rijzen of Unierechtelijk gezien élke voorwaarde aan belanghebbende kan worden tegengeworpen.[9] Hier is echter aan de orde dat belanghebbende niet voldoet aan een groot aantal kernvoorwaarden. Van bijvoorbeeld de werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis kan niet worden gezegd dat sprake is van voorwaarden die per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt. Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad leidt de rechtbank bovendien af dat een verschil in behandeling dat wordt veroorzaakt doordat (lid)staten verschillende voorwaarden stellen aan pensioenregelingen een dispariteit vormt en dus geen belemmering van het vrije verkeer.[10]
4.5.5.
Belanghebbende heeft zich tevens beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft zij verduidelijkt dat dit beroep geheel staat in het teken van de vergelijking met een Nederlands pensioenfonds. Dat beroep stuit derhalve af op het vorenstaande.
4.5.6.
Belanghebbende heeft op dit punt nog gesteld dat zij vergelijkbaar is met een premiepensioeninstelling (PPI) en op die grond recht heeft op een behandeling, gelijk aan die van Nederlandse pensioenlichamen. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling omdat de regeling met betrekking tot de PPI in de onderhavige jaren nog geen rechtskracht had. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting heeft erkend dat zij niet aan alle voorwaarden voor een PPI voldoet zoals het ontbreken van eigen vermogen. Daaraan doet niet af dat, zoals belanghebbende naar voren heeft gebracht, het gedachtegoed waarop de PPI-regeling is gebaseerd in de jaren waarop de onderhavige verzoeken betrekking hebben al leefde.
4.6.
Het vrije verkeer van werknemers.
4.6.1.
Daarnaast stelt belanghebbende dat het niet verlenen van de door haar verzochte teruggaaf van dividendbelasting strijd oplevert met het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 45 van het VwEU en met het burgerschap als bedoeld in artikel 21 van het VwEU.
4.6.2.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende een kapitaalvennootschap is, met een in aandelen verdeeld kapitaal, en dat zij rechtspersoonlijkheid heeft. De artikelen 45 en 21 van het VwEU richten zich tot werknemers/natuurlijke personen. Belanghebbende valt daarom niet onder de personele werkingssfeer van genoemde artikelen en kan zich niet op de daarin vastgelegde vrijheden beroepen.
4.7.
Artikel 23, vierde lid, van het Verdrag uit 1980
Het standpunt van belanghebbende dat zij een beroep kan doen op de non-discriminatiebepaling van artikel 23 van – kort gezegd – het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk uit 1980[11] berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het vierde lid van genoemd artikel. Het standpunt berust op de onjuiste opvatting dat de polishouders van de PPF’s aangemerkt moeten worden als de in dat lid bedoelde participanten. Niet de polishouders maar de aandeelhouder van belanghebbende moet immers worden aangemerkt als de beheerser van het kapitaal van belanghebbende.
4.8.
Anticipatieve werking nieuw belastingverdrag op grond van artikel 18 Verdrag van Wenen?
Belanghebbende stelt dat zij vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk[12] aanspraak kan maken op teruggaaf van dividendbelasting op grond van dat belastingverdrag. Zij betoogt vervolgens echter ook dat in de periode tussen de ondertekening van dat belastingverdrag in 2008 en de inwerkingtreding daarvan (de interimperiode) Nederland haar de teruggaaf van dividendbelasting niet mocht onthouden omdat dit in strijd zou komen met de goede trouw die Nederland op basis van artikel 18 van het Verdrag van Wenen jegens de verdragspartner in acht moet nemen. Om die reden is teruggaaf geboden wat betreft de jaren 2009 en 2010. De rechtbank volgt dit betoog niet. Als de verdragspartijen hadden beoogd om een regeling ook van toepassing te laten zijn op de interimperiode, zou het verdrag hebben voorzien in terugwerkende kracht. Dat is niet het geval. Niet valt in te zien dat de nuttige werking van het verdrag – voor zover hier van belang: de teruggaaf van dividendbelasting in de periode ná inwerkingtreding – wordt ontnomen door geen teruggaaf te verlenen over de interimperiode.
4.9.
Slot
4.9.1.
Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
4.9.2.
Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
(…)
[1] HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608.
[2] HvJ EU 22 november 2012, ECLI:EU:C:2012:737.
[3] HvJ EU 12 juni 2003, ECLI:EU:C:2003:340, HvJ EU 19 januari 2006, ECLI:EU:C:2006:51, HvJ EU 31 maart 2011, ECLI:EU:C:2011:198 en HvJ EU 8 november 2012, ECLI:EU:C:2012:688.
[4] HvJ EU 2 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:402, HvJ EU 13 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:549 en HvJ EU 22 november 2018, ECLI:EU:C:2018:943.
[5] HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608, punt 48.
[6] HvJ EU 17 september 2015, ECLI:EU:C:2015:608, punten 57 en 58.
[7] Vgl. het door de inspecteur aangehaalde onderdeel 35 van de conclusie van A-G Kokott voor het arrest HvJ EU 13 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:549.
[8] Vgl. HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1128.
[9] Vgl. HvJ 30 januari 2020, C-156/17, Deka, rov. 37-47, 55-56 en 70-76.
[10] Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:518.
[11] Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 7 november 1980.
[12] Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 26 september 2008.
[13] Vgl. het overzichtsarrest Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, rov. 2.4.3 en 2.4.4.
(…)”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van de in 1.4.2 en 1.7 vermelde dividendbelasting ter zake van de door haar ontvangen dividenden. Meer in het bijzonder zijn de volgende punten in geschil:
Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb in het geding gebracht? Waarbij tevens in geschil is of de Inspecteur onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld.
Is belanghebbende – zo nodig met een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel – (i) de opbrengstgerechtigde en (ii) de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden?
Heeft belanghebbende op grond van de in artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het VWEU) neergelegde vrijheid van kapitaalverkeer recht op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij niet zwaarder mag worden belast dan een met haar vergelijkbare binnenlandse verzekeraar c.q. belastingplichtige die is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting; heeft belanghebbende recht op teruggaaf op grond van het arrest XX?
Is belanghebbende, mede vanuit Unierechtelijk perspectief, gelet op de doelstelling van de teruggaafregeling en de behandeling van belanghebbende onder de hierna onder g) en h) vermelde belastingverdragen, vergelijkbaar met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds dan wel andere binnenlandse entiteiten die vanwege het ontbreken van een belastbare basis de dividendbelasting kunnen terugvragen?
Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting op basis van het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel, dan wel het Unierechtelijke proportionaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel?
Heeft belanghebbende op grond van het in artikel 45 van het VWEU neergelegde vrije verkeer van werknemers, dan wel – indien een grensoverschrijdende activiteit mocht ontbreken – het burgerschap van de Unie zoals vervat in artikel 21 van het VWEU, dan wel de algemene non-discriminatiebepaling van artikel 18 van het VWEU, recht op teruggaaf van dividendbelasting?
Is de weigering om teruggaaf te verlenen in strijd met de non-discriminatiebepaling van artikel 23, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland - Verenigd Koninkrijk van 7 november 1980 [1] (het Verdrag 1980)?
Heeft belanghebbende op basis van artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht (het Verdrag van Wenen) en het Belastingverdrag Nederland – Verenigd Koninkrijk van 26 september 2008 [2] (het Verdrag 2008) wat betreft de jaren 2009 en 2010 recht op teruggaaf van dividendbelasting?
Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten met betrekking tot geschilpunt a?
Dient de Inspecteur rente te vergoeden over de teruggaaf van dividendbelasting, indien belanghebbendes verzoek daartoe wordt toegewezen en, zo ja, tegen welk percentage?
Verder is in geschil of het hoger beroep voor de jaren 2005 tot en met 2007 ontvankelijk is voor zover daarin door belanghebbende dividendbelasting wordt teruggevraagd op dividenduitkeringen die niet zijn opgenomen in de onder 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf (waaronder de als verzoeken opgevatte aangiften vennootschapsbelasting).
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggave van de in 1.4.2 en 1.7 vermelde dividendbelasting, alsmede tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de gederfde rente over de litigieuze teruggaaf, berekend naar een percentage van 7,4% (primair standpunt), dan wel berekend naar het percentage van de bancaire rente als bedoeld in het arrest HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:89, BNB 2022/39 dat in de onderhavige periode varieert tussen 5,22% en 6,51% (subsidiair standpunt). Belanghebbende concludeert verder tot toekenning van een bovenforfaitaire vergoeding van de proceskosten, alsmede tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 Awb) (geschilpunt a)
5.1.
Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten, in het geding te brengen (vgl. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, r.o. 2.3.2, en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, BNB 2018/164, r.o. 3.4.2). Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht (vgl. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, r.o. 2.3.2).
Zaakstukken met betrekking tot het vertrouwensbeginsel
5.2.
Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb heeft overgelegd. Zij doelt daarbij in de eerste plaats op stukken die volgens haar licht zouden kunnen werpen op de vraag of sprake is van een impliciete standpuntbepaling, inhoudende dat belanghebbende opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde is en ook ‘pensioenfonds’ in de zin van het Verdrag 1980. Meer in het bijzonder doelde belanghebbende daarbij aanvankelijk op de volgende stukken:
  • (i) alle correspondentie tussen belanghebbende (of [Bank 1] namens belanghebbende) en de Belastingdienst in het kader van teruggaven van Nederlandse dividendbelasting en de gerechtigdheid van belanghebbende tot dergelijke teruggaven onder Nederlands recht alsmede de door Nederland gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting, inclusief correspondentie in verband met het onderstaande;
  • (ii) afschriften dan wel overzichten van alle door belanghebbende (of [Bank 1] namens belanghebbende) aan de Belastingdienst verzochte teruggaven op of na 28 mei 2013;
  • (iii) afschriften dan wel overzichten van alle door de Belastingdienst (al dan niet door tussenkomst van [Bank 1] ) aan belanghebbende verleende teruggaven op of na 28 mei 2013;
  • (iv) de door ( [Bank 1] namens) belanghebbende ingediende verzoeken tot teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting in de batch met nummer […] ;
  • (v) een afschrift van de door de Belastingdienst verleende teruggaaf aan belanghebbende zoals verzocht in de batch met nummer […] ;
  • (vi) de door belanghebbende (of een ander namens belanghebbende) ingediende verzoeken tot teruggaaf van 10% dividendbelasting voor de jaren 2005 en 2006 op grond van het Verdrag 1980 en de resolutie van 9 juli 1993, nr. IFZ93/713, en afschriften van dergelijke teruggaven;
  • (vii) de tussen de Belastingdienst en [Bank 1] gesloten overeenkomst(en) over de wijze waarop [Bank 1] verzoeken tot teruggaaf van Nederlandse belasting vormgeeft en indient; alsmede
  • (viii) de in paragraaf 5 van haar brief van 20 september 2022 bedoelde additionele stukken, welke betrekking hebben op de in Bijlage 2 bij die brief opgenomen teruggaven.
5.3.1.
De Inspecteur heeft in zijn reactie van 6 september 2022 ten aanzien van de onder 5.2 onder (vi) bedoelde stukken laten weten dat deze stukken, die zien op teruggaafverzoeken voor de jaren 2005 en 2006, niet meer aanwezig zijn. Uit deze reactie volgt verder dat het bestaan van de stukken die zien op 2011 en latere jaren (zie 5.2 onder (i)-(v)) en de tussen de Belastingdienst en [Bank 1] gesloten overeenkomst (zie 5.2 onder (vii)), in beginsel aannemelijk is. Over (het bestaan van) de in 5.2 onder (viii) bedoelde – door belanghebbende op 20 september 2022 gevraagde – additionele stukken, kon de Inspecteur zich in zijn reactie van 6 september 2022 nog niet uitlaten.
5.3.2.
Aan de Inspecteur is vervolgens op 20 mei 2025 verzocht de door belanghebbende gevraagde (additionele) stukken (met uitzondering van de niet langer aanwezig zijnde stukken over de jaren 2005 en 2006) binnen twee weken na dagtekening van de brief in het geding te brengen, mits die stukken bestaan.
5.3.3.
De Inspecteur heeft bij brief van 4 juni 2025 de gevraagde stukken ingediend, met uitzondering van de in 5.2 onder (vii) bedoelde overeenkomsten tussen de Belastingdienst en [Bank 1] . De Inspecteur heeft ten aanzien van die overeenkomsten een beroep gedaan op beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 Awb en heeft deze als bijlagen A, B en C verstrekt aan de geheimhoudingskamer van het Hof.
5.3.4.
De geheimhoudingskamer heeft beslist dat het verzoek om beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is, met uitzondering van bijlage A (met bijlagen) en van de data en de namen en handtekeningen van ambtenaren en medewerkers van [Bank 1] in de bijlagen B en C. De Inspecteur heeft daarop bijlagen B en C alsnog in het geding gebracht en in geschoonde vorm aan belanghebbende verstrekt.
5.4.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 5.2 bedoelde stukken niet kwalificeren als zaakstukken. Aan dit standpunt heeft hij enerzijds ten grondslag gelegd dat de stukken die zien op de jaren 2005 en 2006 na twaalf jaar zijn vernietigd op grond van de Archiefwet. Aangezien belanghebbende eerst in 2021 (in de beroepsfase) een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, waren de stukken op het moment van vernietiging geen zaakstukken. Wat betreft de overige stukken – deze zien op 2011 en latere jaren – heeft de Inspecteur aangevoerd dat die stukken niet van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel, aangezien de teruggaven van dividendbelasting voor de jaren vanaf 2011 zijn verstrekt op grond van een andere rechtsgrond (het Verdrag 2008 en de Competent Authority Agreement van 22 december 2016 [3] (de CAA)) dan hier aan de orde is. Het Hof oordeelt hierover als volgt.
5.5.1.
De in artikel 8:42, lid 1, Awb neergelegde verplichting om stukken in het geding te brengen (zie het rechtskader in 5.1) gaat niet zo ver dat de Inspecteur is gehouden stukken in het geding te brengen wanneer hij daarover niet meer beschikt en ook niet meer kan beschikken omdat deze stukken ter voldoening van een verplichting uit hoofde van de Archiefwet zijn vernietigd, terwijl die stukken op het moment van vernietiging géén zaakstukken waren (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, BNB 2023/73, r.o. 3.2.2). Anders dan belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd, is het enkele feit dat op het moment van de vernietiging over die jaren reeds een procedure liep, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de stukken zaakstukken zijn. Het vertrouwensbeginsel was immers nog niet in geschil en de stukken konden in zoverre dan ook niet van belang zijn voor de beslechting van een bestaand geschilpunt. Overigens is gesteld noch gebleken dat de bedoelde stukken op het moment van vernietiging van belang waren voor de beslechting van geschilpunten. Er bestaat dan ook geen aanleiding het ontbreken van deze stukken voor rekening van de Inspecteur te brengen.
5.5.2.
De stukken die zien op latere jaren (ná 2010) worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien de Inspecteur het bestaan van die stukken niet heeft betwist (en nadien ook in het geding heeft gebracht) en belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat die stukken van belang zouden kunnen zijn voor de beslechting van het geschil tussen partijen over het vertrouwensbeginsel. In zoverre wordt het standpunt van de Inspecteur verworpen.
5.6.
Na de hiervoor onder 1.11.3 en 1.12.3 vermelde indieningen bevat het procesdossier alle op de zaak betrekking hebbende stukken met betrekking tot het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet nader onderbouwd aan de hand van de door de Inspecteur nader in het geding gebrachte stukken. Het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur onzorgvuldig en in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, doordat hij pas zo laat in de procedure en pas na de brief van 20 mei 2025 (1.11.2 en 5.3.2) de gevraagde stukken in het geding heeft gebracht, wordt verworpen. De Inspecteur heeft de gevraagde stukken op 4 juni 2025, één dag na de gestelde termijn, in het geding gebracht. Verder heeft de Inspecteur bijlagen B en C (de twee overeenkomsten tussen de Belastingdienst en [Bank 1] ) enkele dagen na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van 13 juni 2025 alsnog in het geding gebracht en in geschoonde vorm aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft nadien niet om méér tijd verzocht om haar beroep op het vertrouwensbeginsel aan de hand van die stukken nader te onderbouwen, noch heeft zij duidelijk gemaakt welk onderzoek zij in dat kader nog had willen verrichten. Weliswaar zijn de stukken, gelet op de datum van het verzoek van belanghebbende (4 juli 2022), op een laat moment verstrekt, doch belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt hoe zij daardoor in haar procespositie is geschaad of onvoldoende in staat is geweest haar beroep op het vertrouwensbeginsel nader te onderbouwen. Derhalve is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van een inbreuk op de goede procesorde. Dat de stukken één dag na de gestelde termijn zijn ingediend, doet daaraan niet af.
Overige zaakstukken
5.7.
Belanghebbende heeft ook meer in algemene zin om overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken verzocht. Zij heeft in dat kader gewezen op het geheel ontbreken van interne stukken. Verder doelt belanghebbende op processtukken in de zaak XX (zoals het proces-verbaal, het verweerschrift en de stukken ten aanzien van de procedure bij het HvJ). Volgens haar kunnen de stukken uit de zaak XX licht werpen op de juiste uitkomst in de onderhavige zaak, mede gelet op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, gezien de grote gelijkenis tussen de onderhavige zaak en de zaak XX.
5.8.1.
De processtukken in de zaak XX zijn, zo deze de Inspecteur al ter raadpleging ter beschikking hebben gestaan, geen stukken die op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb tot het procesdossier behoren. Het betreft immers stukken uit een ander procesdossier. In de onderhavige procedure kunnen belanghebbende en de Inspecteur alle argumenten aanvoeren die zij dienstig achten ter onderbouwing van hun standpunt over de toepassing van het Unierecht. Dat staat evenwel verder los van de argumenten die in dat kader door de partijen in de zaak XX worden gebezigd. Meer in het bijzonder geldt ten aanzien van het vertrouwensbeginsel dat een belastingplichtige in beginsel slechts in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan handelingen van de inspecteur in zijn verhouding tot de desbetreffende belastingplichtige (vgl. HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6516, BNB 2000/343). Anders dan belanghebbende kennelijk meent, kan zij derhalve geen in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen aan standpunten die door de inspecteur worden ingenomen in de procedure in de zaak XX. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel geldt dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van op XX toegepast begunstigend beleid of van een oogmerk van begunstiging, terwijl de meerderheidsregel evenmin aan de orde is, nu slechts (hooguit) sprake is van één ander geval. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat processtukken uit de zaak XX van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.
5.8.2.
Belanghebbendes klacht, tot slot, over het overigens ontbreken van op de zaak betrekking hebbende stukken, treft geen doel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van deze klacht, zodat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. De enkele, blote verwijzing naar het ontbreken van stukken van intern beraad, zonder concrete aanwijzing dat deze stukken bestaan, is in dit verband onvoldoende.
Wettelijk kader
5.9.1.
Artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt als volgt:
“De voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen worden verrekend met de aanslag, dan wel – voor zoveel nodig – bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking.”
5.9.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 25, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) wordt de geheven dividendbelasting als voorheffing aangewezen, behoudens voor zover deze belasting is geheven naar opbrengsten die geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van het jaar. Daarop maakt artikel 25, lid 2, eerste volzin, Wet Vpb een uitzondering voor het geval de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden, niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. In dat geval wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen. Door de in het eerste lid van deze bepaling neergelegde aanwijzing kan de dividendbelasting op grond van artikel 15 AWR met de vennootschapsbelasting worden verrekend c.q. worden teruggegeven, indien de ingehouden dividendbelasting de verschuldigde vennootschapsbelasting overstijgt.
5.9.3.
Artikel 1, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet Db) luidde in de onderhavige jaren (2005 tot en met 2010) als volgt:
“Onder de naam ‘dividendbelasting’ wordt een directe belasting geheven van degenen, die – rechtstreeks of door middel van certificaten – gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen in, (…) in Nederland gevestigde naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, open commanditaire vennootschappen en andere vennootschappen welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.”
5.9.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 10, lid 1, Wet Db wordt aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen is, teruggaaf verleend van te zijnen laste ingehouden dividendbelasting, tenzij de rechtspersoon niet de uiteindelijk gerechtigde is met betrekking tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Met ingang van 1 januari 2007 is in artikel 10 Wet Db geregeld dat, voor zover van belang, de teruggaveregeling van het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op een lichaam dat in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en aldaar niet aan een belastingheffing naar de winst is onderworpen en dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, ook alhier niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.
5.9.5.
In Nederland gevestigde pensioenlichamen die voldoen aan de in de Wet Vpb gestelde voorwaarden zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Aan hen wordt, als zij aan de overigens gestelde voorwaarden voldoen, teruggaaf verleend van dividendbelasting op grond van artikel 10, lid 1, Wet Db.
5.9.6.
Artikel 2 van de Wet conflictenrecht corporaties (Wcc; vervallen per 1 januari 2012) luidt:
“Een corporatie die ingevolge de oprichtingsovereenkomst of akte van oprichting haar zetel of, bij gebreke daarvan, haar centrum van optreden naar buiten ten tijde van de oprichting, heeft op het grondgebied van de Staat naar welks recht zij is opgericht, wordt beheerst door het recht van die Staat.”
Zijn op 1 januari 2012 in werking getreden opvolger, artikel 10:118 van het Burgerlijk Wetboek (BW), luidt hetzelfde.
5.9.7.
Artikel 3 Wcc (vanaf 1 januari 2012: artikel 10:119 BW) luidt onder meer als volgt:
“Het op een corporatie toepasselijke recht beheerst naast de oprichting in het bijzonder de volgende onderwerpen:
a. (…);
b. het inwendig bestel van de corporatie en alle daarmee verband houdende onderwerpen;
(…)”
Onder het ‘inwendig bestel’ wordt mede begrepen de aanwijzing van degene die, in de zin van artikel 1, lid 1, Wet Db, rechtstreeks is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen in die vennootschap, te weten de daarop uitgekeerde dividenden (zie HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49, BNB 2024/36, r.o. 4.4.4).
5.9.8.
Artikel 15 en artikel 16, lid 1, van de Wet conflictenrecht goederenrecht (Wcg; geldend van 1 mei 2008 tot 1 januari 2012) luidden als volgt:
“Artikel 15
Indien een aandeel behoort tot een verzameling van effecten die giraal overdraagbaar zijn, is op het goederenrechtelijke regime met betrekking tot dat aandeel titel 4 niet van toepassing voor zover de bepalingen daarvan afwijken van artikel 16.
Artikel 16
1. Het goederenrechtelijke regime met betrekking tot giraal overdraagbare effecten wordt beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de rekening waarin de effecten worden geadministreerd, wordt gehouden.”
Het op 1 januari 2012 in werking getreden artikel 10:141, lid 1, BW luidt op dit punt hetzelfde.
Opbrengstgerechtigde tot de dividenden ex artikel 1, lid 1, Wet Db juncto artikel 25 Wet Vpb (geschilpunt b)
5.10.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de opbrengstgerechtigde is van de door haar ontvangen dividenden. Zij betoogt dat zij juridisch en economisch rechthebbende is van de aandelen waarin zij belegt en dat de polishouders slechts een van de waarde van de aandelen afgeleid recht hebben en in juridische noch economische zin als rechthebbende van de aandelen kunnen worden aangemerkt. Zij betoogt verder dat uit het Nederlandse internationale privaatrecht volgt dat het goederenrechtelijk regime met betrekking tot giraal overdraagbare effecten – zoals de onderhavige aandelen – wordt bepaald door het recht van de staat op wiens grondgebied de rekening wordt aangehouden waarin de effecten worden geadministreerd, zodat in dit geval het goederenrechtelijk regime van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is. Naar Engels recht kwalificeert belanghebbende als de zogenoemde beneficial owner van de aandelen en de dividenden, terwijl [Bank 2] en [Bank 1] kwalificeren als de zogenoemde registered owner (oftewel: legal owner) daarvan. Gelet hierop hielden vorenbedoelde banken/bewaarders de aandelen voor belanghebbende en is belanghebbende (als beneficial owner) juridisch gerechtigd tot alle voordelen en nadelen van de aandelen. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende een notitie van [naam advocatenkantoor] overgelegd (zie hierna onder 5.15). Belanghebbende wijst verder erop dat zij voor jaarrekeningdoeleinden als de eigenaar van de dividenden wordt beschouwd.
5.11.
De Inspecteur heeft zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet de juridische eigenaar is van de aandelen, noch van (het recht op) de daarop uitgekeerde dividenden. Volgens de Inspecteur kan belanghebbende evenmin worden beschouwd als de economische eigenaar van de aandelen en de daarop uitgekeerde dividenden en fungeert zij als lasthebber voor de polishouders. Er is slechts een beperkte vrijheid om (namens de polishouders) te beschikken over de dividenden, welke vrijheid bovendien niet belanghebbende toevalt maar een andere rechtspersoon. De Inspecteur wijst verder erop dat door belanghebbende overgelegde credit en foreign income advices impliceren dat de dividenden niet toekomen aan belanghebbende, maar aan de door belanghebbende opgezette unit-linked fondsen, alsmede dat belanghebbende het dividend op de rekeningen bij [Bank 1] en [Bank 2] niet in ontvangst heeft genomen als eindbelegger. De Inspecteur is derhalve primair van mening dat belanghebbende niet de juiste partij is om teruggave van dividendbelasting te verzoeken.
5.12.1.
De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49, BNB 2024/36 (het arrest van 19 januari 2024), waarin onder meer een uitleg is gegeven van de vereisten voor het begrip opbrengstgerechtigde, als volgt:
“Dividendbelasting als voorheffing op vennootschapsbelasting – algemeen kader
4.2.1
Artikel 25, lid 1, van de Wet Vpb bepaalt – voor zover in cassatie van belang – dat de geheven dividendbelasting als voorheffing wordt aangewezen, behoudens voor zover deze belasting is geheven naar opbrengsten die geen deel uitmaken van de belastbare winst of het Nederlandse inkomen van het jaar. Daarop maakt artikel 25, lid 2, eerste volzin, van de Wet Vpb een uitzondering voor het geval de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden, niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. In dat geval wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen.
Met de woorden “ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden” is tot uitdrukking gebracht dat de dividendbelasting moet zijn geheven van de in artikel 1, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst voor het boekjaar 2007/2008; hierna: de Wet Db) bedoelde gerechtigde tot de opbrengst van aandelen. [4] Dat brengt mee dat de in artikel 25, lid 2, eerste volzin, van de Wet Vpb vervatte uitzondering geldt voor het geval dat de belastingplichtige weliswaar de hoedanigheid van gerechtigde tot de opbrengst (hierna: opbrengstgerechtigde) heeft, maar niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst. Dit betekent dat artikel 25, lid 1, van de Wet Vpb – voor zover in cassatie van belang – betrekking heeft op het geval dat de dividendbelasting is geheven van de belastingplichtige als opbrengstgerechtigde voor wie die opbrengst een belastbare bate vormt.
4.2.2
Volgens artikel 1, lid 1, van de Wet Db wordt als gerechtigde tot de opbrengst van aandelen aangemerkt degene die daartoe rechtstreeks of door middel van certificaten is gerechtigd. Hierbij heeft als uitgangspunt te gelden dat als opbrengstgerechtigde alleen kan worden aangemerkt degene die in civielrechtelijke zin is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen [5] . Die opbrengstgerechtigde is de bezitter van het aandeel, het dividendbewijs of een soortgelijk recht op de vruchten van het aandeel [6] . In de regel, indien niet een dergelijk recht op de opbrengst van het aandeel is afgesplitst, zal de hoedanigheid van opbrengstgerechtigde samenvallen met de hoedanigheid van aandeelhouder.
Betwist de inspecteur dat de belastingplichtige de gerechtigde tot de opbrengst is waarop de dividendbelasting is ingehouden, dan rust op de belastingplichtige de last om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de inspecteur, aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij die hoedanigheid heeft [7] .”
5.12.2.
In r.o. 4.4 van het arrest van 19 januari 2024 komt vervolgens het toepasselijke civiele recht in relatie tot het effectendepot dat de desbetreffende belanghebbende aanhield in Frankrijk aan de orde. De Hoge Raad concludeert dat op basis van het Franse giraal-effectenrecht moet worden beoordeeld wie als houder van de betreffende AEX-aandelen heeft te gelden op de tijdstippen waarop op deze aandelen dividenden werden uitgekeerd.
5.13.
In het onderhavige geval gaat het eveneens om giraal overdraagbare effecten, terwijl de banken/bewaarders van de aandelen zijn gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de aandelen op een rekening in het Verenigd Koninkrijk worden geadministreerd. Gelet op deze feiten en omstandigheden is bij de vraag wie is gerechtigd tot de opbrengst van de aandelen, het recht van toepassing dat wordt aangewezen door het Nederlandse internationaal privaatrecht (vgl. r.o. 4.4.3 van het arrest van 19 januari 2024).
5.14.
De uitkerende vennootschappen zijn, met uitzondering van [naam vennootschap] , opgericht naar Nederlands recht. Voor de naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen geldt dat op grond van het Nederlands incorporatierecht (artikel 2 en artikel 3 Wcc, zie 5.9.6 en 5.9.7 hiervóór) de houder van de aandelen degene is die in civielrechtelijke zin op de datum van uitkering van het dividend rechtstreeks is gerechtigd tot die opbrengst, tenzij het recht op de opbrengst van de aandelen in de vennootschap van de aandelen is afgesplitst (zie daarover 5.19 hierna). Vervolgens is ook bij de beantwoording van de vraag wie heeft te gelden als houder van de aandelen, het recht van toepassing dat wordt aangewezen door het Nederlands internationaal privaatrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 15 in samenhang met artikel 16, lid 1, Wcg (geldend van 1 mei 2008 – 1 januari 2012; vanaf 1 januari 2012: art. 10:141, lid 1, BW, zie 5.9.8 hiervóór) moet deze vraag worden beantwoord naar het recht van de staat op welks grondgebied de rekening waarin de girale effecten worden geadministreerd, wordt gehouden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar Brits giraal effectenrecht moet worden beoordeeld of belanghebbende heeft te gelden als houder van de aandelen, en daarmee gerechtigd tot het dividend was. Deze conclusie geldt niet alleen voor de aandelen in de naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen, maar (a fortiori) ook voor de aandelen in [naam vennootschap] , welke vennootschap is opgericht naar het recht van Engeland en Wales.
5.15.
Tot de stukken van het geding behoort een notitie van [naam 1] en [naam 2] , partner respectievelijk associate van het advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] , gedateerd 29 oktober 2021, waarin het volgende staat vermeld over het begrip eigendom (‘ownership’) naar Engels recht:

1. Background
1.1
The purpose of this note is to explain key aspects of the concept of “ownership” as a matter of English law.
1.2
Firstly, we discuss the fundamental principles of ownership and, secondly, we discuss how those principles of ownership apply in certain scenarios but, in particular, in the context of a UK life insurance company.

2.Legal and Beneficial Ownership

2.1
In England and Wales, ownership consists of two key components:
(A) Legal ownership; and
(B) Beneficial ownership.
2.2
In some situations, legal and beneficial ownership is held by the same person and, in other situations, legal and beneficial ownership is split between different persons. In the case of the latter, this is done expressly or implicitly through the creation of (what is known as) a trust under which the legal owner will act as “trustee” and will owe certain duties to the beneficial owner as “beneficiary".
Legal ownership
2.3
Legal ownership refers to the “official” or registered owner - i.e. the person who holds legal title to the property in question. This is primarily a formality and legal ownership does not, for example, confer any right as such to benefit from the property in question.
Beneficial ownership
2.4
Beneficial ownership refers to the “true” or ultimate owner - i.e. the person who holds beneficial title to the property in question. The beneficial owner is the person who is entitled to the benefits of the property - for example, to use the property or to receive any income derived from the property (e.g. dividends where the property is securities) or the sale thereof. The beneficial owner is also generally entitled to direct or instruct the legal owner with respect to the property - for example, how to exercise voting rights (e.g. where the property is securities). Further, the beneficial owner will typically have the ability / right to transfer the legal ownership of the property in question to itself or another legal owner.

3.Ownership: Common Scenarios

Purchase of ordinary course /everyday items

3.1
The purchase of ordinary course / everyday items does not normally result in a split of ownership. As such, a person purchasing any such item would typically be both the legal and beneficial owner.
Purchase of securities
3.2
By contrast, the purchase of securities often results in a split of ownership. Where a person purchases shares in a listed company, it is quite common for that person to be the beneficial owner of the shares but with a nominee shareholder acting as the legal owner of the shares. In practice, this means that a company's register of shareholders may show a nominee shareholding service, for example, as the legal owner of the shares even though it is a different person who is the beneficial owner with the entitlement to the economic benefit.
3.3
In particular, this means that it is the beneficial owner (and not the legal owner) who is entitled to any dividends attaching to those shares.

4.Ownership: A Life Insurance Company

4.1
In the context of a typical life insurance company, the life insurance company will issue policies to policyholders and then invest monies received under those policies in underlying assets (for example, securities or property) (the “
Assets”). The terms of those policies will typically confer a contractual right on the policyholder to a sum of money in certain circumstances (such sum also dependent on the value of the Assets). This right of the policyholder is not an “ownership” right, but is instead a personal, contractual right to payment pursuant to the terms of the relevant policy.
4.2
Where a life insurance company holds investments in Assets for a pooled fund, ownership is typically (although not necessarily always) split. In practice, this often results in the following arrangements:
(A)
Legal ownershipof the Assets is held by a custodian. In effect, this is an administrative service provided to the life insurance company and the custodian does not have any real proprietary right in the Assets to which it holds legal title
- i.e. it does not hold or trade the Assets for its own account / on a proprietary basis.
(B)
Beneficial ownershipof the Assets is held by the life insurance company. This means that the life insurance company is the “true” or ultimate owner and is entitled to any benefit deriving from the Assets - e.g. dividends where the Assets are securities or rental income where the Assets are property. See also section 2.4 above.
4.3
For the avoidance of doubt, a policyholder does not hold any legal or beneficial ownership of the Assets, even where its contractual right against the life insurance company to any payment is linked or referable to those Assets. Rather, and as noted above, a policyholder’s rights are contractual in nature - i.e. where a policyholder holds units in a pooled fund within a unit-linked insurance policy, the policyholder would have a contractual right to claim against the life insurance company for any payment which was due and payable under that policy.”
5.16.
Het Hof heeft zich ook ambtshalve vergewist van de inhoud van het Engelse giraal-effectenrecht (vgl. HR 10 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF7181, BNB 2009/27, r.o. 4.4 en 4.6) en daartoe het rapport “Intermediated securities: who owns your shares? A Scoping Paper” van The Law Commission (een onafhankelijke adviescommissie ingesteld door het Britse parlement) (https://lawcom.gov.uk/), gedateerd 11 november 2020, geraadpleegd. In dat rapport is onder meer het volgende opgenomen (citaat zonder voetnoten):

Chapter 2: What are intermediated securities?
(…)
A Central Securities Depository and the CREST system
2.13
A Central Securities Depository (“CSD”) is an organisation that operates an electronic system for the recording and settlement of uncertificated securities. In the UK there is only one CSD, called EUI. EUI operates CREST, in which ownership of securities is recorded and electronic transfers are effected. As of August 2020, there were over 6.6 trillion shares held in CREST, for both UK-registered and non-UK-registered companies, with a value of over £5.1 trillion.
2.14
In most countries, a CSD holds securities on an electronic system so that ownership of securities can be easily transferred through a book entry. In the UK the CSD adopts a slightly different role. It operates and maintains the register on which title to securities is registered, but does not hold the securities. EUI does not act as a custodian for securities in the UK, and does not have a legal interest in the assets recorded in CREST.
(…)
The legal relationships in an intermediated securities chain: a series of trusts
2.63
Under the law of England and Wales, it is now “reasonably well settled” that the arrangements between parties in an intermediated securities chain are characterised as a “series of trusts and sub-trusts” This may be agreed expressly by the parties or implied. As Mr Justice Briggs (as he then was) said in
Re Lehman Brothers:
It is common ground that a trust may exist not merely between legal owner and ultimate beneficial owner, but at each stage of a chain between them, so that, for example, A may hold on trust for X, X on trust for Y and Y on trust for B. The only true trust of the property itself (ie of the legal rights) is that of A for X. At each lower stage in the chain, the intermediate trustee holds on trust only his interest in the property held on trust for him. That is how the holding of intermediated securities works under English law, wherever a proprietary interest is to be conferred on the ultimate investor. In practice, especially in relation to dematerialised securities, there may be several links in that chain.
2.64
In our simple example above, the company issues shares, which are purchased by the custodian bank, a CREST member. According to the trusts law analysis, the custodian bank is the legal owner of the shares and, as trustee, holds the shares on trust for its account holders, including the broker. The broker is both the beneficiary of the trust with the custodian bank, and a sub-trustee, holding an interest in the shares on trust for the ultimate investor.
2.65
As well as trusts and sub-trusts between the parties, the relationships in the chain are regulated by individual contracts entered into between the relevant parties at each stage in the chain. The more detailed diagram below set outs these relationships. For most investors, the contract will reflect the intermediary’s standard terms and conditions, rather than a bespoke arrangement according to the ultimate investor’s preferences.
(…)
An ultimate investor has both proprietary and personal rights in relation to the securities
2.67
As we have seen, the relationships between the parties in an intermediated securities chain are characterised as trusts, overlaid with contracts agreed between parties at each level of the chain. This analysis has two effects. The first effect is that an ultimate investor does not own securities. Instead, they hold a beneficial interest in securities.
2.68
The second effect is that an ultimate investor has a combination of both proprietary and personal rights in relation to intermediated securities. By “proprietary” rights, we mean that an ultimate investor has a right of ownership in the property held on trust (in this case, the beneficial interest in the securities held by the intermediary, rather than the securities themselves). Proprietary rights are enforceable against third parties.
2.69
For example, as we explain in Chapter 6, if an intermediary becomes insolvent, the interest in the securities will not form part of the insolvent intermediary’s estate. Beneficial ownership of the property remains with the ultimate investor. In
SL Claimants v Tesco plc, Mr Justice Hildyard referred to the position of an investor as:
owner of “a right to a right” held through a waterfall or chain of equitable relationships which is unaffected by the insolvency of his intermediary, and enables it ultimately, even if indirectly, to enjoy the benefit of the bundle of rights which the securities represent to the exclusion of others (unless the ultimate beneficial owner has transferred them away, for example to a chargee).
(…)
The status of an ultimate investor under the CA 2006
2.92
The legal characterisation of the relationship between parties in an intermediated securities chain as a series of trusts and sub-trusts has several consequences for the rights of ultimate investors which we explore throughout this paper. Our starting point is the CA 2006, which is the primary source of companies law in the UK.
2.93
This Act does not use the term “shareholders” and instead refers to the “members” of a company. A “member of the company” is defined as a person who agrees to become a member of the company and whose name is entered in the company’s register of members. Every company must keep a register of members.
2.94
The person (whether an individual or institution) entered on the register of members is the person with the legal interest in the shares. Although the member on the register can be a trustee holding shares on behalf of ultimate investors, section 126 provides that no notice of a trust may be entered onto the register of members. The crucial relationship for the purposes of the CA 2006 is between the company and the member.
2.95
As we observe above, in an intermediated securities chain, the person with the legal interest in securities is the trustee at the top of the chain, who will hold the securities on trust for beneficiaries. The trustee will, therefore, be the member listed on the company’s register, not the ultimate investor.
(…)
Chapter 3: Voting
(…)
3.2
Can ultimate investors who buy shares held through an intermediated securities chain automatically and easily exercise voting rights in relation to those shares? As we state in previous chapters, the answer to that question is often “no”.
(…)
Chapter 5: The “no look through” principle
(…)
THE EFFECT OF THE NO LOOK THROUGH PRINCIPLE
5.3
Under the law of England and Wales, an ultimate investor in an intermediated securities chain can only make a contractual or trusts claim against their immediate intermediary, and not against any other intermediary in the chain, or against the issuing company. In
Secure Capital SA v Credit Suisse AG, Lord Justice David Richards explained:
The system operates on the basis of a “no look through” principle, whereby each party has rights only against their own counterparty.
5.4
This approach is consistent with trusts law, under which there is a general rule that a beneficiary of a sub-trust may not have recourse against the head trustee. Similarly, an ultimate investor cannot bring an action for breach of contract against a higher-tier intermediary or an issuing company because they only have a contract with their immediate intermediary.
5.5
One advantage of the no look through principle is that each party in the chain can be certain of their rights and obligations. As we explain above, neither an issuing company nor intermediaries higher in the chain will be aware of the identity of the ultimate investors. Similarly, the fast-moving nature of the market may make it difficult for participants to ascertain the identities of their ultimate investors. Professor Louise Gullifer QC has said that: “the benefits of the no look through principle are structural and contribute greatly to the efficient operation of the system and, to a large extent, to legal certainty.” However, as Richard Salter QC points out, the ultimate investors are the ones who have taken the economic risk by investing in a company, yet they “get the downside of the advantages that this principle confers on others”.
5.6
The effect of the no look through principle is that if a higher-tier intermediary loses or disposes of intermediated securities, the ultimate investor will have no right to bring a claim against them directly. Nor will an ultimate investor have the right to bring an action against an issuing company if, for example, it defaults on its obligations to its members.”
Ter zitting heeft is een samenvatting van deze informatie ter verificatie voorgehouden aan partijen.
5.17.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij naar Engels recht kwalificeert als beneficial owner van de aandelen en dat [Bank 2] en [Bank 1] (de banken/bewaarders) moeten worden aangemerkt als legal owner van de aandelen. Het Hof deelt die opvatting. Uit de tussen belanghebbende en haar banken/bewaarders gesloten custody agreements blijkt dat de banken/bewaarders de betrokken effecten ‘on trust’ houden voor belanghebbende (zie bijvoorbeeld onderdeel 3.4 van de hiervoor onder 2.6 opgenomen passage uit de overeenkomst met [Bank 2-a] ). Dit alles is in overeenstemming met de hiervoor onder 5.15 en 5.16 opgenomen juridische uiteenzettingen. Verder volgt uit paragraaf 5.4 van de tussen belanghebbende en de polishouders geldende Policy (zie 2.3.4) dat belanghebbende wordt aangemerkt als beneficial owner van de aandelen. Uit deze bepaling blijkt verder dat geen sprake is van een trustrelatie tussen belanghebbende en de polishouders. De polishouders zijn niet in enig opzicht rechtstreeks gerechtigd tot de activa van belanghebbende. De door de polishouders gehouden ‘units’ behelzen (slechts) een recht dat is afgeleid van de waarde van vermogensrechten waarin belanghebbende belegt. Belanghebbende kwalificeert gelet op het voorgaande als beneficial owner van de aandelen, alsmede als de uiteindelijke houder (‘ultimate investor’) van de aandelen.
5.18.
Belanghebbendes betoog dat zij, in haar hoedanigheid van beneficial owner, beoordeeld naar Engels recht, de houder van de aandelen en daarmee opbrengstgerechtigde was zoals bedoeld in het arrest van 19 januari 2024, wordt, gelet op het navolgende, niet gevolgd.
5.19.
Zoals blijkt uit het hiervoor onder 5.16 aangehaalde rapport moet een zogenoemde ‘intermediated securities chain’ (een bewaarketen) met een centrale effectenbewaarinstelling en één of meer bewaarders naar Engels recht worden geduid als een ‘series of trusts and sub-trusts’. De partijen in de keten hebben telkens individuele overeenkomsten met elkaar. In het onderhavige geval zijn dat de in 5.17 bedoelde custody agreements, waaronder degene aangehaald onder 2.6 en 2.7. De juridische titel berust in geval van girale effecten niet bij de centrale effectenbewaarinstelling, maar bij de eerste aangesloten instelling in de bewaarketen. De uiteindelijke houder van de aandelen houdt een ‘beneficial interest’ (een beneficiair belang) in de aandelen en dus niet de aandelen zelf. De rechten van de houder van een beneficiair belang in de aandelen zijn niettemin verhoudingsgewijs sterk en kunnen in bepaalde gevallen ook tegenover derden worden uitgeoefend. Er is echter geen ‘look through approach’, wat betekent dat iedere partij in de keten alleen rechten kan uitoefenen jegens zijn directe contractspartijen. De houder van een beneficiair belang kan dus (behoudens andersluidende afspraken) zelf geen stemrecht uitoefenen. Dit wordt bevestigd door hoofdstuk 7 uit de custody agreement met [Bank 2-a] (zie 2.6) en hoofdstuk 7 uit de custody agreement met [Bank 2] (zie 2.7), waaruit onder meer blijkt dat de bank daartoe zo nodig een volmacht verstrekt. Evenmin is het mogelijk om dividend op te eisen bij de uitkerende vennootschap. Bevestiging hiervoor is te vinden in paragraaf 8.1 van de custody agreement met [Bank 2-a] (zie 2.6) en paragraaf 8.1 van de custody agreement met [Bank 2] (zie 2.7), waaruit volgt dat de bank het dividend int en bijschrijft op de rekening van belanghebbende. Belanghebbende heeft overigens ter zitting ook bevestigd dat zij ter zake van de aandelen alleen rechten kan uitoefenen jegens de banken. Belanghebbende heeft dus jegens de banken/bewaarders een recht op doorbetaling van de dividenden, maar kan geen rechten uitoefenen jegens de vennootschappen die de aandelen hebben uitgegeven en is niet rechtstreeks gerechtigd tot het dividend. Van een afgesplitst recht zoals bedoeld in het arrest van 19 januari 2024 – waaronder het Hof in dit verband verstaat een goederenrechtelijk verzelfstandigd recht op dividend jegens de vennootschap zoals een dividendbewijs of (onder omstandigheden) een vruchtgebruik, dan wel een vergelijkbare buitenlandse rechtsfiguur – is evenmin sprake. Dat belanghebbende de aandelen in haar commerciële jaarrekening op de balans opneemt onder de activa, is in dit verband niet van belang, reeds omdat de toepasselijke regels voor het opstellen van die balans afwijken van de fiscale voorwaarden om als opbrengstgerechtigde te worden aangemerkt.
5.20.1.
Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat zij de economische eigenaar van de dividenden is, of in ieder geval een voldoende groot economisch belang daarbij heeft om als opbrengstgerechtigde te worden aangemerkt. Voor zover – in het licht van het voorgaande – nog relevant, wordt dit standpunt verworpen. Om een persoon aan te kunnen merken als economisch eigenaar van een zaak, waarvan de eigendom naar burgerlijk recht aan een ander toebehoort, is vereist dat economisch het belang bij die zaak geheel aan hem toekomt, hetgeen insluit dat het risico van de waardeveranderingen en het eventuele tenietgaan van de aandelen ten volle door hem wordt gedragen (vgl. HR 24 december 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1099, BNB 1958/84 en HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:702, BNB 2016/158, r.o. 2.4.2). Deze regel is van overeenkomstige toepassing op aandelen, in die zin dat degene aan wie het volledige economische belang bij aandelen toekomt, voor fiscale doeleinden wordt aangemerkt als houder van die aandelen (vgl. HR 16 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:BH4845, BNB 1986/118 en HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:972, BNB 2020/152, r.o. 3.2). Het hiervoor besproken beneficial ownership van de aandelen brengt mee dat belanghebbende in beginsel economisch eigenaar zou zijn van de aandelen, aangezien zij als beneficial owner recht heeft op alle voordelen uit hoofde van de aandelen, waaronder in het bijzonder dividenden en vervreemdingswinsten (zie onderdeel 2.4 van de onder 5.15 aangehaalde notitie van [naam advocatenkantoor] en onderdeel 2.69 van het onder 5.16 aangehaalde rapport).
5.20.2.
Belanghebbende heeft evenwel alle voor- en nadelen uit hoofde van de aandelen in economische zin overgedragen aan de polishouders. Uit de hiervoor onder 2.3.4 aangehaalde Policy blijkt namelijk dat de polishouders bedragen inleggen in een subfonds, dat belanghebbende deze inleggelden belegt (onder andere in de aandelen), dat de netto beleggingsopbrengsten worden geherinvesteerd binnen een subfonds en dat de polishouders op iedere ‘Dealing Day’ hun units in dat subfonds kunnen verzilveren tegen de marktwaarde van de beleggingen minus transactiekosten. Dit betekent dat de polishouders altijd aanspraak kunnen maken op de volle waarde van de beleggingen (waaronder de aandelen) en dat op enig moment ook zullen doen zolang de waarde daarvan meer dan nihil bedraagt. Het voorgaande wordt weerspiegeld door de balans van belanghebbende, waarop zij tegenover de reële waarde van de beleggingen aan de actiefzijde, een technische voorziening van dezelfde omvang opneemt aan de passiefzijde (zie ook 2.8 hiervóór). De beleggingsrendementen werken in beginsel één-op-één door in de omvang van de technische voorziening, zoals door belanghebbende ter zitting is bevestigd. Aan het voorgaande wordt de gevolgtrekking verbonden dat de economische eigendom bij de polishouders berust.
5.20.3.
Daaraan doet niet af dat belanghebbende van de polishouders een beheersvergoeding ontvangt ter hoogte van een per subfonds en per jaar variërend percentage van de waarde van de beleggingen. Naar belanghebbende onweersproken ter zitting heeft gesteld bedraagt dit percentage ongeveer 0,018. Dit verwaarloosbare percentage ontbeert zelfstandige betekenis en vormt onvoldoende grond om te concluderen dat de economische eigendom van de aandelen is achtergebleven bij belanghebbende. Ook haar stelling dat zij een deel van een eventuele teruggaaf van dividendbelasting, anders dan als gevolg van reguliere verdragstoepassing, en opbrengsten uit andere claims buiten de normale gang van zaken voor haar eigen rekening mag houden, kan – zo al aannemelijk – aan voorgaande conclusie niet afdoen. Ter zitting heeft belanghebbende overigens gesteld dat een eventuele teruggaaf van dividendbelasting als gevolg van de onderhavige procedure volledig aan de desbetreffende effectenmandjes wordt toegevoegd en leidt tot een toename van de technische voorziening.
5.20.4.
Evenmin leidt het bepaalde in paragraaf 5.12 van de Policy, waaruit onder meer volgt dat opbrengsten uit zogenoemde ‘stock lending-transacties’ naar haar eigen inzicht mogen worden bestemd, ertoe dat belanghebbende de economische eigenaar is gebleven van de dividenden. Het uitlenen van aandelen beperkt slechts de rechten van de uitlener op de aandelen en kan dus niet ertoe leiden dat hij wordt aangemerkt als economisch eigenaar waar hij dat voorheen niet was, nog daargelaten dat niet bekend is welke aandelen door belanghebbende zijn uitgeleend. Deze volgens de voorwaarden van de Policy aan belanghebbende toekomende (eventuele) opbrengst ter zake van de ‘stock lending-transacties’ wordt beschouwd als een vergoeding van de polishouders aan belanghebbende voor het beheer van de beleggingen en kan niet ertoe leiden dat de economische eigendom van de aandelen tijdens de uitleenperiode toevalt aan belanghebbende.
5.20.5.
Het voorgaande ligt in beginsel anders voor zover belanghebbende annuïteiten aanbiedt. Immers, de waarde van de beleggingen die zij aanhoudt ter dekking van die annuïteiten houdt niet rechtstreeks verband met de hoogte van de voorziening voor de uitkeringen uit hoofde daarvan. Echter, belanghebbende heeft ter zitting erkend dat annuïteiten bij haar niet of nauwelijks aan de orde zijn en een relatief klein deel van haar activiteiten vormen. Dit wordt voor de jaren 2008-2010 bevestigd door de jaarrekeningen van belanghebbende, waarin de ‘long term business provision’ voor ‘vested annuities’ aan het eind van het boekjaar telkens minder dan 0,05% van haar balanstotaal uitmaakte. De in omvang verwaarloosbare werkzaamheden van belanghebbende met betrekking tot de annuïteiten hebben geen zelfstandige betekenis en kunnen daarom niet bijdragen tot de conclusie dat de economische eigendom met betrekking tot de aandelen in kwestie bij haar is blijven berusten.
5.20.6.
Dat het – minieme – economische belang van belanghebbende bij de aandelen op zichzelf zou volstaan om als opbrengstgerechtigde te worden aangemerkt, vindt geen steun in het recht.
5.20.7.
Het beroep dat belanghebbende in dit verband heeft gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 7 augustus 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3325, BNB 1998/2 en de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 24 juni 1981, ECLI:NL:GHAMS:1981:AW9382, BNB 1982/179 en van dit Hof van 11 mei 1994, ECLI:NL:GHSGR:1994:AW3016, V-N 1994/3068, 9 faalt, omdat het arrest en de uitspraken niet betrekking hebben op het begrip opbrengstgerechtigde (dan wel uiteindelijk gerechtigde), maar op achtereenvolgens de toepassing van de verrekeningsmethode ter voorkoming van dubbele belasting, de vraag of de dividenden in kwestie bestanddelen van de winst waren voor de toepassing van artikel 25 Wet Vpb en de vraag of onroerende zaken tot het ondernemingsvermogen behoorden. Voor zover het hier gaat om feitelijke beslissingen, ontberen zij bovendien precedentwerking.
5.21.
Gelet op het voorgaande is belanghebbende voor de heffing van dividendbelasting niet aan te merken als opbrengstgerechtigde in de zin van artikel 1, lid 1, Wet Db, zodat zij geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. Ten overvloede zal hierna worden ingegaan op de vraag of belanghebbende als de uiteindelijk gerechtigde van de dividenden kan worden aangemerkt, waarbij veronderstellenderwijs ervan zal worden uitgegaan dat belanghebbende opbrengstgerechtigde is.
Uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden in de zin van artikel 25, lid 2, eerste volzin, Wet Vpb (geschilpunt b)
5.22.
Dividendbelasting die geldt als voorheffing in de zin van artikel 25, lid 1, Wet Vpb wordt volgens artikel 25, lid 2, eerste volzin, Wet Vpb toch niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de opbrengstgerechtigde niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. Diezelfde voorwaarde wordt gesteld voor teruggaven op grond van artikel 10, lid 1, Wet Db. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt de opbrengstgerechtigde in beginsel als de uiteindelijk gerechtigde aangemerkt indien hij vrijelijk over die opbrengst kan beschikken en bij de ontvangst daarvan niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. Of dat het geval is, moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld (zie voor dit één en ander het arrest van 19 januari 2024, r.o. 4.3.1). Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in het onderhavige geval dividendstripping (artikel 25, lid 2, tweede volzin, Wet Vpb, in samenhang gelezen met artikel 25, lid 3, Wet Vpb; zie ook artikel 4, lid 7, Wet Db), niet aan de orde is.
5.23.
Indien belanghebbende, in afwijking van de hierboven onder 5.21 vermelde conclusie, moet worden aangemerkt als opbrengstgerechtigde als bedoeld in artikel 1, lid 1, Wet Db, rust op de Inspecteur de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat belanghebbende niet de uiteindelijk gerechtigde is (zie het arrest van 19 januari 2024, r.o. 4.3.5).
5.24.
De Inspecteur heeft met het oog daarop aangevoerd dat belanghebbende niet vrijelijk over de dividenden kan beschikken omdat zij de dividenden alleen mag aanwenden conform de relevante beleggingsprofielen en zij bovendien de aanwending van de dividenden heeft uitbesteed aan de onder 2.4.2 vermelde zustervennootschappen. Voorts heeft hij gesteld dat belanghebbende als lasthebber optreedt omdat zij als zodanig door de polishouders is aangewezen.
5.25.
Volgens belanghebbende gaat de Inspecteur uit van een te beperkte interpretatie van het begrip ‘vrijelijk beschikken over’. Zij wijst erop dat uit paragraaf 5.12 van de Policy volgt dat dividenden die worden ontvangen uit de fondsbeleggingen binnen dat fonds dienen te worden geherinvesteerd, zodat zij niet verplicht is de dividenden door te betalen aan haar polishouders (vgl. Gerechtshof Amsterdam 19 mei 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AA8170, r.o. 5.3.3). Zij wijst verder erop dat uit de met de banken gesloten custody agreements volgt dat de banken haar instructies omtrent de verkrijging en vervreemding van effecten moeten opvolgen en uitvoeren. Gelet hierop kan belanghebbende beschikken over de dividenden. Zij kan dat bovendien ook vrijelijk doen omdat uit paragraaf 5.8 van de Policy volgt dat zij volledige vrijheid heeft over de investeringsbeslissingen binnen een bepaald subfonds. Dat belanghebbende zich ertoe verplicht heeft een bedrag gelijk aan de uitbetaalde dividenden te herinvesteren en dat zij de dividenden dient aan te wenden conform een overeengekomen beleggingsprofiel, doet hieraan volgens belanghebbende niet af. Het feit dat zij de uitvoering van de beleggingsactiviteiten heeft uitbesteed aan haar groepsvennootschappen kan evenmin leiden tot de conclusie dat zij niet de vrije beschikking heeft over de dividenden omdat het beheer van de dividenden namens haar, voor haar rekening en op haar instructie geschiedt, aldus nog steeds belanghebbende.
5.26.
Met hetgeen de Inspecteur heeft betoogd maakt hij aannemelijk dat belanghebbende geen vrije, eigen beschikkingsmacht heeft over de opbrengst van de aandelen die zij voor de polishouders belegt. Uit de gedragingen van belanghebbende en de tussen haar en de polishouders geldende afspraken blijkt dat zij niet vrijelijk over de dividenden kan beschikken. Zij kan de dividenden niet ten eigen gunste aanwenden, maar is conform de in de Policy neergelegde polisvoorwaarden gehouden de dividenden te herbeleggen binnen het door de polishouders gekozen beleggingsprofiel. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat belanghebbende de opbrengsten die zij ontvangt uit zogenoemde ‘stock lending-transacties’ die met de aandelen worden uitgevoerd naar eigen inzicht mag bestemmen (paragraaf 5.12 van de Policy). Die opbrengst moet worden aangemerkt als een onderdeel van de beheersvergoeding die belanghebbende ontvangt van de polishouders (zie onder 5.20.3). Het vorenoverwogene volstaat voor de slotsom dat belanghebbende niet de uiteindelijk gerechtigde van de dividenden is. De stelling van de Inspecteur dat belanghebbende als lasthebber optrad behoeft geen behandeling.
5.27.
Uit het voorgaande volgt dat, zo belanghebbende al als opbrengstgerechtigde van de dividenden kan worden aangemerkt, geldt dat zij niet kwalificeert als uiteindelijk gerechtigde daarvan.
Het beroep op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel (geschilpunt b)
5.28.
Belanghebbende heeft betoogd dat de Inspecteur bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat zij als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde van de onderhavige dividenden kan worden aangemerkt. Aan dit standpunt heeft belanghebbende ten grondslag gelegd dat door de Inspecteur voor de jaren 2005 en 2006 onder het Verdrag 1980 teruggaven zijn verleend van 10% dividendbelasting, alsmede dat voor de jaren vanaf 2011 teruggaven zijn verleend op grond van het Verdrag 2008 (zowel teruggaaf van 5% dividendbelasting op grond van het bepaalde in artikel 10, lid 2, letter a, sub i, van het Verdrag 2008 als teruggaaf van 15% dividendbelasting op grond van het bepaalde in artikel 10, lid 2, letter b, sub ii, van het Verdrag 2008), waarvoor onder meer is vereist dat zij werd beschouwd als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde. Belanghebbende doet aldus een beroep op een impliciete standpuntbepaling van de Inspecteur.
5.29.
De Inspecteur meent dat de enkele toewijzing van de teruggaafverzoeken onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft betwist dat hij op dit punt een bewust standpunt heeft ingenomen en dat bij belanghebbende die indruk kan zijn gewekt. Verder heeft hij gewezen op het vereiste dat belanghebbende ervoor moet zorgen dat de inspecteur alle informatie verkrijgt waarover hij redelijkerwijs de beschikking heeft of kan krijgen en die nodig is om de kwestie op haar fiscale merites te kunnen beoordelen.
5.30.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020/120, r.o. 2.3.1). Voor het in rechte te beschermen vertrouwen is in een geval als het onderhavige derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de Inspecteur een aantal teruggaafverzoeken heeft ingewilligd; nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de teruggaven berustten op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, BNB 2023/40, r.o. 3.2.1). Tot die omstandigheden kan behoren dat de desbetreffende aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur is voorgelegd (vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8999, BNB 2008/91, r.o. 3.4.1). Verder is vereist dat belanghebbende in redelijkheid mocht aannemen dat de Inspecteur had kennisgenomen van alle vereiste bijzonderheden van het desbetreffende geval (zie bijvoorbeeld HR 14 augustus 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ5128, BNB 2010/20, r.o. 3.3.1). De bewijslast ter zake van deze voorwaarden rust op belanghebbende.
5.31.
Belanghebbende heeft niet aan de hiervoor omschreven bewijslast voldaan. Wat betreft de teruggaven ten aanzien van in 2005 en 2006 uitgekeerde dividenden heeft belanghebbende in de eerste plaats aangevoerd dat zij in bewijsnood verkeert. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht op de voet van artikel 8:42, lid 1, Awb stukken ten aanzien van die teruggaven in het geding te brengen, zodat zij haar beroep op het vertrouwensbeginsel nader kon onderbouwen. De Inspecteur heeft niet aan dat verzoek voldaan omdat hij de gevraagde stukken op basis van de Archiefwet reeds had vernietigd. De stelling van belanghebbende dat het verlies van de stukken daarom bewijsrechtelijk voor rekening van de Inspecteur dient te komen, wordt verworpen, gelet op het hiervoor in 5.5.1 overwogene dat die stukken niet kunnen worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Aangezien geen sprake is van een schending door de Inspecteur van zijn verplichting uit hoofde van artikel 8:42 Awb, bestaat geen aanleiding om daaraan op basis van artikel 8:31 Awb de door belanghebbende voorgestane gevolgtrekking te verbinden dat moet worden aangenomen dat de Inspecteur op een expliciet en onderbouwd verzoek van belanghebbende dividendbelasting heeft teruggegeven.
5.32.
Voor zover belanghebbende verder ter zitting nog heeft gesteld dat zij in hetgeen is vermeld in haar brief van 23 december 2008, waarin voor de jaren 2005 en 2006 om teruggaaf is verzocht van de resterende 15% dividendbelasting, een aanwijzing ziet dat de onderhavige aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd in het kader van de eerdere teruggaaf van 10% dividendbelasting, faalt die stelling. Deze brief vermeldt dat belanghebbende op grond van het Verdrag 1980 en de Mededeling van de Staatsecretaris van Financiën van 9 juli 1993, nr. IFZ93/713, om teruggave heeft verzocht van 10% van het bedrag aan bruto dividend en dat aldus effectief 15% dividendbelasting is ingehouden op de door haar ontvangen dividend (zie p. 2, 3e alinea van deze brief). Anders dan belanghebbende meent kan daaruit niet worden afgeleid dat in die eerdere teruggaafverzoeken door belanghebbende uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld dat zij kan worden aangemerkt als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde van de onderhavige in 2005 en 2006 uitgekeerde dividenden. Niet aannemelijk geworden is dat die aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur is voorgelegd.
5.33.
Evenmin is gebleken van andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de teruggaven berustten op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur. De Inspecteur heeft op 4 juni 2025 (zie 5.3.3), alsmede naar aanleiding van de uitspraak van de geheimhoudingskamer (zie 5.3.4) nadere op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht. Belanghebbende heeft haar beroep op het vertrouwensbeginsel aan de hand van die stukken niet nader onderbouwd. In die stukken zijn evenmin aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat bij belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zij met betrekking tot de onderhavige jaren kwalificeert als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde. Voor zover door de Inspecteur teruggaafverzoeken zijn gehonoreerd onder het Verdrag 2008 geldt ten aanzien van de verzoeken op basis van artikel 10, lid 2, letter a, sub i, van het Verdrag 2008 dat deze zijn ingediend door [Bank 1] . De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat het ging om een gestandaardiseerde en massale afhandeling van teruggaafverzoeken van portfoliodividenden, waarbij het afgeven van de beschikkingen (bijna) automatisch verloopt. Wat betreft de inwilliging van de verzoeken op basis van artikel 10, lid 2, letter b, sub ii, van het Verdrag 2008 geldt dat deze teruggaven mede op basis van de bij het Verdrag 2008 behorende CAA zijn verleend. Reeds op die grond kan geen sprake zijn van gewekt vertrouwen voor de onderhavige jaren, aangezien dat artikel en de overeenkomst over de toepassing daarvan voor de Nederlandse dividendbelasting pas van toepassing werd ter zake van bedragen betaald of betaalbaar gesteld op of na 1 januari 2011 en zij afwijken van de voordien geldende regeling van het Verdrag 1980.
5.34.
Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is overigens evenmin aannemelijk geworden dat belanghebbende in redelijkheid mocht aannemen dat de Inspecteur had kennisgenomen van alle vereiste bijzonderheden van het desbetreffende geval.
5.35.
Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij als opbrengstgerechtigde dient te worden beschouwd omdat zij vergelijkbaar is met een premiepensioeninstelling (PPI), die net als belanghebbende zonder verzekeringstechnisch risico premieregelingen uitvoert, maar naar de bedoeling van de wetgever wel de Nederlandse dividendbelasting die drukt op door haar ontvangen dividenden kan terugvorderen op grond van artikel 10, lid 1, Wet Db (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 891, nr. 3, p. 22) en dus kennelijk als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde van de door haar ontvangen dividenden moet worden gezien. De Rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in dit standpunt. Met haar oordelen in overwegingen 4.5.5 en 4.5.6 van haar uitspraak dat de regeling met betrekking tot de PPI in de onderhavige jaren nog geen rechtskracht had en dat belanghebbende bovendien niet aan alle voorwaarden voor kwalificatie als PPI voldoet (zoals het ontbreken van eigen vermogen) heeft de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep dienaangaande heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het oordeel van de Rechtbank niet in stand kan blijven.
Beroep op het Unierecht (geschilpunten c, d, e en f)
5.36.
Zonder te kunnen worden aangemerkt als opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde had belanghebbende evenmin recht op teruggaaf gehad als zij in Nederland gevestigd was geweest, zodat haar beroep op artikel 63 van het VWEU niet kan slagen (geschilpunt c). Om die reden is ook niet relevant of zij vergelijkbaar is met een in Nederland vrijgesteld pensioenfonds dan wel andere binnenlandse entiteiten die bij het ontbreken van een belastbare basis dividendbelasting kunnen terugvragen (geschilpunt d). Immers, ook voor teruggaven aan een dergelijk fonds en dergelijke entiteiten is vereist dat de verzoeker opbrengstgerechtigde en uiteindelijk gerechtigde van de desbetreffende dividenden is.
5.37.
Voorts heeft de Rechtbank in overweging 4.6.2 van haar uitspraak terecht geoordeeld dat belanghebbende niet binnen de personele werkingssfeer van artikel 45 van het VWEU valt (geschilpunt f). Belanghebbende heeft in hoger beroep verwezen naar het arrest van het HvJ van 7 mei 1998, Clean Car Autoservice, C-350/96, ECLI:EU:C:1998:205, doch dat kan haar niet baten. Uit dat arrrest volgt dat op het vrije verkeer van werknemers een beroep kan worden gedaan door een werkgever die in zijn lidstaat van vestiging onderdanen van een andere lidstaat als werknemers in dienst wil nemen. Het geval van belanghebbende valt daaronder echter niet, aangezien zij niet de werkgever is van de (middellijk) door haar bediende pensioengerechtigden. Daar komt nog bij dat de door belanghebbende gewraakte regeling geen discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten tot gevolg heeft, en dat enig verband met grensoverschrijdend verkeer van werknemers ontbreekt. Het zijn in deze zaak slechts de investeringen door belanghebbende die een grens tussen lidstaten oversteken. Dat laatste brengt overigens ook mee dat het beroep van belanghebbende op artikel 21 van het VWEU faalt, aangezien belanghebbende met die investeringen niet heeft gebruikgemaakt van het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Dat belanghebbende zou zijn gediscrimineerd naar nationaliteit als bedoeld in artikel 18 van het VWEU is door haar in het geheel niet onderbouwd, zodat het beroep op die bepaling reeds faalt omdat niet aan de stelplicht is voldaan.
5.38.
Nu belanghebbende niet met vrucht een beroep op het Unierecht kan doen, behoeft haar beroep op de Unierechtelijke effectiviteits-, proportionaliteits- en rechtszekerheidsbeginselen (geschilpunt e) geen behandeling, aangezien deze beginselen slechts een rol spelen bij de uitvoering van Unierecht. Hetzelfde geldt overigens voor de eventuele toepassing van het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel, waarover de Inspecteur in zijn pleitnota voor het Hof onder verwijzing naar het arrest van het HvJ van 8 mei 2019, Związek, C-566/17, ECLI:EU:C:2019:390, BNB 2019/159, punt 41 heeft geopperd dat het voorgaat op het nationale vertrouwensbeginsel.
Non-discriminatiebepaling Verdrag 1980 (geschilpunt g)
5.39.1.
Belanghebbende heeft betoogd dat de weigering om teruggaaf van dividendbelasting in strijd komt met artikel 23, lid 4, van het Verdrag 1980, omdat de participanten van belanghebbende – te weten de polishouders en pensioengerechtigden – woonachtig dan wel gevestigd zijn in het Verenigd Koninkrijk. Door de weigering ontstaat een verboden verschil in belastingheffing met het geval van een Nederlands pensioenfonds of Nederlandse verzekeraar met in Nederland wonende gerechtigden en deelnemers.
5.39.2.
De Inspecteur heeft dit bestreden en in dat verband naar voren gebracht dat de polishouders en pensioengerechtigden niet het kapitaal van belanghebbende beheersen.
5.39.3.
Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de opvatting van de Inspecteur juist. Artikel 23, lid 4, van het Verdrag 1980 beschermt ondernemingen van een verdragsluitende staat, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere verdragsluitende staat. Het kapitaal van belanghebbende wordt evenwel niet beheerst door de polishouders en pensioengerechtigden (die overigens net als zijzelf in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd), maar door een andere eveneens in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap (zie onder 2.1). De ingeroepen bepaling ziet dus niet op haar geval.
Anticiperende werking Verdrag 2008 (geschilpunt h)
5.40.
Belanghebbendes betoog dat de bepalingen van het Verdrag 2008 op grond van artikel 18 van het Verdrag van Wenen anticiperende werking hebben, in die zin dat Nederland vanaf de ondertekening van het Verdrag 2008 op 26 september 2008 de voordelen daarvan aan haar diende toe te kennen, zoals voor de jaren vanaf 2011 ook is gebeurd, – een betoog dat door de Inspecteur terecht wordt bestreden – faalt. Artikel 18, aanhef en letter a, van het Verdrag van Wenen bepaalt (voor zover thans van belang) dat indien een Staat een verdrag heeft ondertekend, hij zich moet onthouden van handelingen die het verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen, totdat hij zijn bedoeling geen partij te willen worden bij het verdrag kenbaar heeft gemaakt. Uit de tekst van deze bepaling kan echter niet worden opgemaakt dat een verdrag moet worden toegepast met betrekking tot rechtshandelingen die zijn verricht vóór het tijdstip waarop het verdrag van toepassing werd. Die tekst schrijft niet méér voor dan dat verdragsluitende staten in de periode vanaf de ondertekening van een verdrag afzien van handelingen die de verdragsafspraken bij voorbaat betekenisloos zouden maken, en is kennelijk een aspect van de in de preambule van het Verdrag van Wenen vermelde goede trouw. Daarmee komt niet in strijd het weigeren van teruggaaf van dividendbelasting in overeenstemming met een voordien geldend verdrag, waarvan de werking naar de uitdrukkelijke bedoeling van de verdragsluitende staten voortduurt tot de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag. Die weigering hindert immers op generlei wijze de latere toekenning van voordelen onder het nieuwe verdrag. In dit verband wordt verwezen naar de in 1966 door de International Law Commission (een orgaan van de Verenigde Naties) aangenomen ‘Draft Articles on the Law of Treaties’ en het daarbij gevoegde commentaar, waarin over het met artikel 18 van het Verdrag van Wenen vergelijkbare artikel 15 staat opgenomen:
“That an obligation of good faith to refrain from acts calculated to frustrate the object of the treaty attaches to a State which has signed a treaty subject to ratification appears to be generally accepted.”
In het Yearbook of the International Law Commission 2007, vol. II/2, p. 33 wordt nog het volgende vermeld:
“It is unanimously accepted that article 18, paragraph (a), of the Vienna Convention does not oblige a signatory State to respect the treaty, but merely to refrain from rendering the treaty inoperative prior to its expression of consent to be bound”.
De andersluidende uitleg bepleit door belanghebbende verhoudt zich ten slotte slecht met de bepalingen in de artikelen 24, 25 en 28 van het Verdrag van Wenen omtrent de inwerkingtreding en (voorlopige) toepassing van verdragen.
Slotsom
5.41.
Uit het voorgaande volgt dat de geschilpunten a tot en met h in het nadeel van belanghebbende dienen te worden beslist, zodat zij geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite teruggaven. Het geschilpunt met betrekking tot de over die teruggaven gevorderde rentevergoeding (geschilpunt j) behoeft derhalve geen behandeling. De vraag of het hoger beroep ontvankelijk is voor zover daarin door belanghebbende dividendbelasting wordt teruggevraagd ter zake van dividenduitkeringen die niet zijn opgenomen in de onder 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf, behoeft alsdan om redenen van proceseconomie evenmin beoordeling meer (zie bijvoorbeeld HR 20 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3803, BNB 1988/177, onderdeel 4 en HR 19 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4634, BNB 1991/245, r.o. 4.2). Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6.1.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6.2.
Aan het verzoek om een vergoeding van de werkelijke proceskosten omdat de Inspecteur niet (althans te laat) heeft voldaan aan zijn verplichting om op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen (geschilpunt i), wordt niet tegemoet gekomen, aangezien die klacht over de op de zaak betrekking hebbende stukken niet slaagt (zie r.o. 5.5.1 tot en met 5.8.2).
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, P.J.J. Vonk en R.P.C.W.M. Brandsma, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.
De griffier, de voorzitter,
A.S.H.M. Strik C. Maas
De beslissing is op 11 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 7 november 1980.
2.Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, ondertekend op 26 september 2008.
3.Besluit Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2016, nr. 2016-0000232006, Stcrt. 2016, 70610.
4.Voetnoot in origineel: Vgl. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610, rechtsoverweging 2.4.2, tweede volzin.
5.Voetnoot in origineel: Zie Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 11, blz. 2-3, en Kamerstukken I 2001/02, 27 896 en 28 246, nr. 117b, blz. 3.
6.Voetnoot in origineel: Zie Kamerstukken II 2000/2001, 27 896, nr. 3, blz. 7.
7.Voetnoot in origineel: Vgl. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1610, rechtsoverweging 2.4.2, derde volzin.