Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
Daarbij is € 1.462.115 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Daarbij is € 1.667.930 aan heffingsrente in rekening gebracht.
redelijke termijn toe;
schade, vastgesteld op een bedrag van € 281,25;
schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.218,75;
vergoeden, zijnde € 167, en
2.2. Feiten
De investeringsstructuur is vervolgens in twee tranches geïmplementeerd. De eerste tranche, de aanvang van de structuur, is op 17 augustus 2006 geïmplementeerd. De tweede tranche is op 14 maart 2007 geïmplementeerd.
€ 175.000.000 met een vaste rente van 4,176%. Op 11 december 2006 werd besloten dat deze lening zou worden terugbetaald op 29 december 2006. Op deze datum is een Profit Sharing Bond uitgegeven door [C bedrijf] aan [A bank] ter grootte van € 175.000.000 met een winstdelende rente. De winstdelende rente bestaat uit een geringe vaste rente en 99% van [C bedrijf] ’s cumulatieve winsten voor belasting, nadat de vergoeding op de door eiseres gehouden Preferente Aandelen is voldaan. De Profit Sharing Bond had een looptijd van 5 jaar. De Profit Sharing Bond was na afloop aflosbaar tegen het oorspronkelijke uitgiftebedrag, maar in het geval van een eerdere vereffening van [C bedrijf] zou de houder van de Profit Sharing Bond ook gerechtigd zijn tot 99% van het overigens aan de aandeelhouders van [C bedrijf] ter beschikking staande batige liquidatiesaldo, waarbij deze ‘liquidatiebonus’ – maar niet de hoofdsom – achtergesteld was aan de terugbetaling van het nominaal aandelenkapitaal en de agiostorting op de Preferente Aandelen.
€ 100 in contanten en van [A bank] 27.273 Gewone Aandelen en de 45.455 Preferente Aandelen voor een bedrag van € 425.191.169. [A bank] behield de overige 154.495 Gewone Aandelen. Eiseres verkreeg zodoende een 15% nominaal belang in [C bedrijf] en [A bank] behield daarin een 85% nominaal belang.
Als bij de terugbetaling van het kapitaal op de Preferente Aandelen in combinatie met de vergoeding op de Preferente Aandelen onvoldoende middelen zijn ontvangen om aan de verplichtingen uit hoofde van de Limited Recourse Loans te voldoen, dan vervalt het recht (‘entitlement’) van [A bank] op dat deel van de hoofdsom en de rente op de Limited Recourse Loans. De overeenkomsten betreffende de Limited Recourse Loans bepalen het volgende in artikel 4.3 met betrekking tot deze beperkte (terug)betalingsverplichtingen:
To the extent such aggregate amounts received by the borrower on the Preferred Shares are not sufficient to repay in full the principal of the Loan and any accrued and outstanding Interest, respectively, any entitlement of the Lender to be paid the balance of the principal of the Loan and/or any accrued and outstanding Interest, as the case may be, shall lapse as of the date of repayment.”
€ 500.000.000 uit aan [B bank] . Daartoe zijn eiseres en [B bank] een Global Master Securities Lending Agreement (hierna: GMSLA) aangegaan. Deze GMSLA bepaalt onder welke voorwaarden individuele securities lending transacties mogelijk zijn. Uit de schedule bij de betreffende GMSLA blijkt dat eiseres en [B bank] overeenkomen dat voor de securities lending door [B bank] geen collateral wordt gegeven. [B bank] betaalt eiseres hiervoor een commitment fee van € 60.000 en een vergoeding van 15 basispunten over het nominale bedrag van de portefeuille. Als gevolg van de GMSLA had eiseres een kredietrisico van € 500 miljoen op [B bank] . Mocht zich een verlies voordoen, dan zou de eerste € 435 miljoen van dit verlies worden gedekt door het eigen vermogen van eiseres en vervolgens € 65 miljoen via het door [A bank] verstrekte vreemde vermogen. Derhalve bedroeg het totale indirecte kredietrisico van [A bank] op [B bank] € 75 miljoen (namelijk € 10 miljoen aan eigen vermogen en € 65 miljoen aan vreemd vermogen). Om zich te beschermen tegen dit kredietrisico, kocht [C bank] van [U bank] een eenjaars Credit Default Swap op [B bank] van € 75 miljoen. De premie voor deze Credit Default Swap was 21 basispunten voor de periode 1 oktober 2006-30 september 2007. Een gedeelte van deze premie werd vervolgens aan [B bank] doorbelast. [C bank] en [A bank] gingen een interne Credit Default Swap aan om het voordeel van de kredietbescherming over te dragen aan [A bank] .
B Dividend Amount) equal to a proportion of the profits of [X] before taxation but after making certain adjustments for (i) taxation in lieu of the taxation charge levied in [X] ’s accounts (the
Substitute Tax Charge); and (ii) costs and expenses incurred by [X] (the
Net Income and Expense Adjustment). The B Dividend Amount over any financial year will be adjusted, as necessary, for any losses suffered on the Portfolio, the [X] Swap, the [X] Contingent Swap or the Securities Lending Agreement in such financial year. If for any reason the B Dividend Amount remains unpaid (in whole or in part), the deficit will be added to the B Dividend amount for the following financial year.
A Dividend Amount).”
(= € 150.000.000 + € 175.000.00) wordt uitgeleend aan [B bank] onder de GMSLA. [B bank] betaalde daarvoor een commitment fee van € 200.000 en een securities lending fee ter grootte van 15 basispunten berekend over het nominale bedrag.
€ 815.000.000 (de Super Senior Loan van € 75.000.000 en de Limited Recourse Loans van in totaal € 740.000.000).
Op 9 februari 2012 vindt daarover de eerste bespreking plaats tussen [B bank] en verweerder.
Op 4 december 2014 is de vereffening van eiseres heropend. De navorderingsaanslag Vpb 2008/2009 werd op 27 februari 2015 opgelegd. De correcties in de navorderingsaanslagen bestaan uit de door eiseres aangegeven rentelast/vrijgesteld deelnemingsresultaat ten bedrage van € 31.186.032 (2007/2008) en € 31.101.004 (2008/2009).”
12.1. De directie bestaat uit drie directeuren, en wel twee directeuren A en één directeur B. De algemene vergadering kan de titel van Voorzitter verlenen aan één van de directeuren A. (…)
12.2. Directeuren worden benoemd door de algemene vergadering. Met betrekking tot de benoeming van directeuren gelden de volgende voordrachtsrechten:
- directeuren A worden benoemd op voordracht van de vergadering van houders van
A-aandelen; en
- directeuren B worden benoemd op voordracht van de vergadering van houders van
B-aandelen, (…)
Artikel 13. Bestuurstaak, besluitvorming en taakverdeling.
(…)
13.7 In de besluitvorming van de directie heeft iedere directeur een stem.
13.8 Voor zover de wet of deze statuten niet anders bepalen, worden alle besluiten van de directie genomen bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen, zonder dat een quorum is vereist.
13.9 (a) Besluiten van de directie omtrent:
(i) de Portfolio, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot, het verkrijgen, het wijzigen van de samenstelling, het vergroten, verkleinen of (geheel of gedeeltelijk) vervreemden daarvan en het aangaan van, het wijzigen en beëindigen van enige overeenkomst (waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot effectenleenovereenkomsten) met betrekking tot de Portfolio;
(ii) bestaande of toekomstige leningen of het uitlenen van gelden door de vennootschap;
(…)
(vii) elke (andere) kwestie die materiele effecten kan hebben op (toekomstige) rechten en verplichtingen van de houders van B-aandelen[;
kunnen] slechts met algemene stemmen worden genomen in een vergadering, waarin ten minste één directeur A en de directeur B aanwezig of vertegenwoordigd is. (…)”.
to the best of their knowledge [ [A bank] ]
is a resident of the Grand-Duchy of LUXEMBOURG
is subject to corporate income tax without any possibility of an option or being exempt
the standard tax rate applicable in Luxembourg-City, including the corporate income tax, the employment fund surtax and the municipal business tax, being 28,59%
does not utlilize carried forward corporate tax losses or foreign tax credits in respect of any prior period
for the taxation year ended 31/12/2010”
to the best of their knowledge [ [A bank] ]
is a resident of the Grand-Duchy of LUXEMBOURG
is subject to corporate income tax without any possibility of an option or being exempt
the interest income arising on the undermentioned loans granted by [ [A bank] ] to [I bedrijf] was included in its 2010 taxable base and fully submitted to taxation
- a loan of 710.000.000,00 € dated 29 October 2009 (in connection with the acquisition of a participation in [belanghebbende]”
to the best of their knowledge [ [A bank] ]
is a resident of the Grand-Duchy of LUXEMBOURG
is subject to corporate income tax for the taxation years ending 31 December 2007, 31 December 2008 and 31 December 2009 without any possibility of an option or being exempt does not utlilize carried forward corporate tax losses or foreign tax credits in respect of any prior period the interest income arising on the undermentioned loans granted by [ [A bank] ] to [belanghebbende] and the result of the two interest rate swaps with [ [C bedrijf] ] (one
- one loan “Junior Limited Recourse” with the amount of 5 million EUR dated 17 August 2006
- one loan “Senior Limited Recourse” with the amount of 410 million EUR dated 17 August 2006
- one loan “Super Senior” with the amount of 75 million EUR dated 17 August 2006
In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart de gemachtigde van verweerder:(…)
Ik beroep me mijnerzijds niet op de met ingang van 1 januari 2008 ingevoerde tegenbewijsregeling genoemd in artikel 10a, lid 3, letter b, van de Wet Vpb.
De belastingplichtige heeft zich in het kader van de tegenbewijsregeling op de zakelijkheid beroepen en dat weerspreek ik.”
(…)
Vervolgens zal het Hof (nadere) vragen stellen aan partijen. In dat kader zal in ieder geval figuur 12 van het verweerschrift in eerste aanleg van de inspecteur aan de orde komen, alsmede de reactie daarop in de conclusie van repliek in eerste aanleg (figuur 2). Partijen wordt verzocht zich in ieder geval ook hierop voor te bereiden.”
(…)
Figuur 3wordt door partijen – mede naar aanleiding van vragen van Hof – als volgt toegelicht.
(…)
[
De inspecteur:] Tot slot is er nog een bijzonderheid die door de inspecteur gisteren pas is ontdekt. In de Participation Agreement komt in artikel 14, lid 3, onderdeel m, van closing bible nummer 8, de volgende zin voor: “it [
toevoeging inspecteur: belanghebbende] will only make payments on the JRL and the SRL out of proceeds on or from its preferent shares in [C bedrijf] ”. De gemachtigde betwist dat dit een nieuw gegeven is.
(…)
Het Hof geeft aan dat relevant kan zijn of [E bedrijf] al tot de groep behoorde op het moment dat het werd ingebracht op [C bedrijf] . De gemachtigde geeft aan dat dit wel het geval was, met de aanvulling dat [E bedrijf] een lege vennootschap was, het geld is ingestort, vervolgens zijn alle stappen op dezelfde dag uitgevoerd. Economisch zijn de preferente aandelen volgestort, de omweg was nodig om de heffing van Luxemburgse kapitaalsbelasting te voorkomen.
(…)
De inspecteurvervolgt. De uitkering van [C bedrijf] op de preferente aandelen is een vast dividend. Daaraan ligt een aandeelhoudersbesluit van 16 augustus 2006 ten grondslag; zie closing bible nummer 63. Dit is een gefixeerde vergoeding van 4,176%. Omdat belanghebbende onder de limited recourse niet gehouden is om meer dan dit bedrag uit te keren aan [A bank] , betekent dit dat het gehele bedrag aan [A bank] als rente op de limited recourse wordt voldaan. Het effect daarvan is dat het rendement op de kapitaalstorting van [B bank] niet wordt aangetast door de rentebetalingen die belanghebbende aan [A bank] moet verrichten. Die kunnen nooit het rendement van [B bank] raken, nu die volledig wordt gevoed vanuit de vaste vergoeding van 4,176% op de preferente aandelen.
(…)
Het Hof houdt partijen voor dat de tegenbewijsregeling van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet), waarop de inspecteur zich in deze zaak mede op beroept, bij ontbreken van een duidelijke regeling op dit punt mogelijk al per 1 januari 2008 in werking is getreden. Het gaat hier om een rechtskwestie, aldus het Hof. Gesteld dat het Hof vindt dat vorenbedoelde regeling geldt per 1 januari 2008 én van oordeel is dat de inspecteur daarop een geslaagd beroep kan doen, welke cijfermatige gevolgen (voor wat betreft de in aanmerking te nemen rente) zijn hieraan dan volgens belanghebbende te verbinden? Wat kan voor de periode van 1 januari 2008 tot aan de aanvang van het gebroken boekjaar 2008/2009 aan rente in aanmerking worden genomen? Zouden partijen op dit punt tot een deelcompromis kunnen komen? De gemachtigde: om te beginnen voel ik mij overvallen door deze kwestie. Tussen partijen is namelijk nooit eerder in geschil geweest dat de inspecteur zich eerst vanaf het tweede gebroken boekjaar 2008/2009 op de tegenbewijsregeling heeft beroepen. Ook de rechtbank is daar in haar uitspraak vanuit gegaan; bij de rechtbank is ook niet over de inwerkingtredingsdatum van de regeling gesproken. Als de inspecteur hierover eerder een standpunt had ingenomen, dan had belanghebbende daar op kunnen reageren. Het Hof wijst mij er nogmaals op dat het hier een rechtskwestie betreft; dat klopt. Maar de inspecteur beroept zich alleen voor wat betreft het tweede gebroken boekjaar 2008/2009 op de tegenbewijsregeling. En dat is een feitelijke kwestie. Wat de rente betreft: het gaat hier om een vaste rente. Die kan op kalenderdagbasis in aanmerking worden genomen.
De gemachtigdevan belanghebbende verklaart in aanvulling op de pleitnota en mede naar aanleiding van vragen van het Hof als volgt.
(…)
Op de vraag van het Hof waar concrete gegevens ofwel de voorwaarden zijn te vinden van de gestelde externe lening, antwoord ik als volgt. Dat zijn de repo transacties waar al over is gesproken. Het Hof houdt mij voor dat dit mogelijk onvoldoende concreet is. Ik verwijs naar de pleitnota: De ‘GMRA’ is de standaard overeenkomst.
De specifieke financiering blijkt uit de SWIFT-bevestigingen. Het gaat hier om een steeds doorgerolde financiering. Op de vraag van het Hof wie doorrolt en wie daartoe de beslissing neemt, zo dat nodig mocht zijn, antwoord ik als volgt. Het was op dag 1 de bedoeling van partijen dat er werd doorgerold. [A bank] leent uit de markt en leent dat door aan [X] . Dat volgt uit de betreffende leenovereenkomsten. Ik verwijs voorts naar de SWIFT-berichten: ze sluiten aan, zonder enige hiaat ertussen. Er wordt 100 miljoen geleend om gelijk 100 miljoen weer terug te betalen. Daar blijkt het doorrollen uit.
(…)
[
Gemachtigde:] Over de vergoeding van immateriële schade. Als het Hof niet binnen de daarvoor geldende tweejaarstermijn op het hoger beroep beslist (juli 2021) maar in september 2021, dan maakt belanghebbende geen aanspraak op vergoeding van immateriële schade.
(…)
[De inspecteur:] Het Hof houdt mij voor dat het bij belanghebbende gecorrigeerde bedrag van 35 miljoen euro volgens de rechtbank betrekking heeft op “rente c.q. deelnemingsresultaat”. Op de vraag van het Hof de relatie tussen een correctie van rente en/of deelnemingsresultaten toe te lichten – is er sprake van een dubbele correctie? – antwoord ik als volgt. Aan de ene kant zie je een rente betaling op leningen die afkomstig zijn van de Luxemburgse moeder, [A bank] , aan de andere kant zie je inkomsten, namelijk een vaste vergoeding op preferente aandelen die belanghebbende heeft gekocht met eerder genoemde geldlening. Mijn standpunt is dat belanghebbende bij de aandelen geen belang heeft gekregen, waardoor de hele financiering die samenhangt met de aandelen er een is die genegeerd moet worden. Ons standpunt is dat het gaat om een nutteloze bypass, een omleiding, via belanghebbende, die geen betekenis heeft. Belanghebbende is daardoor meer een stroman dan dat zij actief betrokken is bij de preferente aandelen en de financiering daarvan. Ik bevestig desgevraagd dat de correctie laag belaste beleggingsdeelneming een voorwaardelijk karakter heeft en alleen aan de orde komt als er overigens geen correctie ten aanzien van de rente in aanmerking wordt genomen. Op de vraag van het Hof - gesteld dat het punt van de laag belaste beleggingsdeelneming slaagt - wat dan de omvang van de correctie is, antwoord ik als volgt. De berekening dienaangaande zit in de stukken. Ik kom terug op de vindplaats.”
3.Geschil in hoger beroep
- de aftrekbeperking van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de
Wet), dan wel
- fraus legis.
4.Oordeel van de rechtbank
Zelfstandige fiscale kwalificatie
ontvangt of dat zij deze dividenden deels via eiseres verkrijgt.
Zoals eiseres heeft uiteengezet onder verwijzing naar de statuten van [C bedrijf] alsmede de Luxemburgse regelgeving, namelijk het bepaalde in artikel 68 van Pro het Luxemburgse Companies Act, welk artikel vergelijkbaar is met artikel 2:231, vierde lid, van het BW, was hiertoe de expliciete toestemming vereist van eiseres als houder van de Preferente Aandelen. Het door verweerder ter illustratie gegeven voorbeeld dat met de verkoop van de B-aandelen in eiseres door [B bank] geen meerwaarde is gerealiseerd, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel nu dit ziet op verkoop van B-aandelen in eiseres en niet op de Preferente Aandelen in [C bedrijf] . Niet aannemelijk is geworden dat een waardestijging van de Preferente Aandelen wordt weerspiegeld in de waarde van de B-aandelen.
In de eerste tranche investeerde eiseres in totaal een bedrag van € 425.191.169; in de Gewone Aandelen een bedrag van € 54.646 en in de Preferente Aandelen een bedrag van
€ 425.136.523. Het nominale bedrag van de aangegane Limited Recourse Loans bedroeg echter € 415.000.000 in de eerste tranche, zodat een eventuele waardedaling van de Preferente Aandelen door eiseres zou worden geleden tot het punt waarop het verlies een bedrag bereikte van € 10.191.169, zonder een overeenkomstige vermindering van het op de Limited Recourse Loans verschuldigde bedrag. Dit zogenoemde ‘first loss’ (of eerste verliesrisico) is – anders dan verweerder kennelijk meent – niet verwaarloosbaar en bedraagt ongeveer 2,4% van de initiële investering in de Preferente Aandelen en 1,4% van de totale investering.
financieren (paragraaf 6.56 verweerschrift en paragraaf 2.25 conclusie van dupliek), verwerpt de rechtbank deze stelling.
bewijslast voor deze beweegredenen bij belanghebbende ligt. Daarbij kunnen aan de gekozen structuur en de daaraan verbonden fiscale en niet-fiscale gevolgen vermoedens worden ontleend omtrent die beweegredenen.
houdende geldlening (de Limited Recourse Loans) ten grondslag liggen (zie met name het hierboven weergegeven arrest HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.6.3).
Na verkoop van l5% van dit belang aan eiseres hield [A bank] daarin nog steeds direct en indirect (via eiseres), een belang van 99,25% (direct 85% en indirect 95% van 15%), zodat sprake is van een verhanging binnen het concern (interne verhanging). De rechtbank beschouwt deze interne verhanging als een onzakelijke rechtshandeling en acht eiseres niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat hieraan zakelijke overwegingen ten grondslag hebben gelegen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
opvatting van het Hof zou slechts in een dergelijk geval de toets moeten plaatsvinden bij die achterliggende crediteur.
per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is, dient dan ook te worden beoordeeld op het niveau van [A bank] en niet op het niveau van [C bedrijf] . Het betoog van verweerder faalt in zoverre.
heeft gemaakt dat de in Luxemburg over de winst van [C bedrijf] verschuldigde belasting daadwerkelijk is betaald. In zijn nadere stuk van 17 september 2018 (paragraaf 6) stelt verweerder dat de bij de Luxemburgse fiscus opgevraagde aangiften en aanslagen van [A bank] te globaal zijn om de effectieve belastingdruk van [C bedrijf] vast te kunnen stellen.
aandelen in die binnen de Unie gevestigde vennootschap en/of de verstrekking van vermogen aan een zodanige vennootschap door middel van (informele) kapitaalstortingen, niet reeds om die reden van aftrek van zijn winst kan worden uitgesloten. Op deze wijze ontstond in het systeem van de Wet Vpb een asymmetrische behandeling van enerzijds baten en anderzijds de met die baten samenhangende lasten, ook wel het Bosal-gat genoemd. In een geval waarin het lichaam ook andere – niet onder een vrijstelling vallende – voordelen geniet, komt de rente ten gevolge hiervan bij de fiscale winstberekening van dat lichaam in mindering op die andere voordelen, zodat de druk van de heffing van vennootschapsbelasting over die voordelen wordt verminderd.
5.Beoordeling van het geschil
Opmerking vooraf
Die winst zou volgens belanghebbende opwegen tegen eventuele toekomstige ‘verliezen’, als gevolg van het vaste rendement dat moest worden betaald op de prefs en de variabele rente die op de [C bedrijf] portefeuille werd ontvangen. Belanghebbende betwist de stelling van de inspecteur dat belanghebbende de prefs niet aan een derde had kunnen verkopen, omdat het vaste rendement op de prefs hoger was dan het variabele rendement op de [C bedrijf] -portefeuille.
Ook in artikel 18.1 van de statuten van belanghebbende is bepaald dat de houders van de B-aandelen alleen gerechtigd zijn tot het B-dividendbedrag. De resterende winst wordt volgens artikel 18.2 van de statuten uitgekeerd op de A-aandelen, aldus belanghebbende.
Het daadwerkelijke percentage dat [A bank] en [B bank] hebben gebruikt bedroeg 4,108%, het 8,5-jaarpercentage zoals genoteerd rond 11.00 a.m. op 14 maart 2007. Dit percentage werd verhoogd met een opslag van 18 basispunten als vergoeding voor het extra risico van de crediteur, zodat voor de tweede tranche van de LR Loans een rentepercentage van 4,288% is overeengekomen. Voor de eerste tranche is dezelfde methode gebruikt. Derhalve waren de rentepercentages van de LR Loans volgens belanghebbende zakelijk. Anders dan de inspecteur heeft gesteld was de rente op de LR Loans dan ook niet hoger dan de marktrente.
Overigens is niet in geschil dat de fiscale kwalificatie van de LR Loans en de prefs op zichzelf niet verschilt van de civiel-juridische vorm van deze financiële instrumenten.
5.5.4.1. De omstandigheid dat twee van de drie directeuren van belanghebbende worden benoemd door [A bank] , houdt naar het oordeel van het Hof niet, althans niet zonder meer in dat [A bank] de besluitvorming van belanghebbende bepaalt. Ook al worden twee van de drie directeuren van belanghebbende door [A bank] benoemd, dan geldt ook voor deze bestuurders dat zij tegenover belanghebbende zijn gehouden tot een behoorlijke vervulling van hun taak (vgl. artikel 2:9 BW Pro). Bovendien geldt ingevolge bepaalde besluiten, als vermeld in artikel 13.9 van de (gewijzigde) statuten van belanghebbende (zie onder 2.2), dat deze slechts genomen kunnen worden in een vergadering van het bestuur, waarin vertegenwoordigd zijn: ten minste één directeur die is benoemd op voordracht van de houders van de aandelen A en de directeur die is benoemd op voordracht van de houders van de aandelen B.
Voor zover het standpunt van de inspecteur inhoudt dat het ontbreken van die bevoegdheid volgt uit de omstandigheid dat de aandelen B in belanghebbende op 30 september 2009 tegen de nominale waarde daarvan aan [A bank] zijn verkocht, terwijl de prefs op dat moment meer waard zouden zijn geweest, kan het Hof de inspecteur daarin niet volgen.
Indien bij de vervreemding van de prefs naar zakelijke maatstaven een te lage prijs is gehanteerd kan de inspecteur op de voet van artikel 3.8 Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 8 van Pro de Wet een prijscorrectie aanbrengen. Uit de enkele omstandigheid dat de aandelen B op 30 september 2009 tegen de nominale waarde ervan zijn verkocht volgt niet dat belanghebbende niet tot een meerwaarde van die aandelen gerechtigd zou zijn geweest. Dat een verkoop van de prefs automatisch een ‘event of default’ zou inhouden, in welk geval [A bank] directe terugbetaling van de LR Loans zou kunnen vorderen, is evenmin aannemelijk geworden.
league table status niet teniet gedaan door de overdracht door [A bank] van (louter) de juridische titel van bestaande staatsobligaties onder de repo overeenkomsten, omdat het voor de league table status gaat om nieuw uit te geven obligaties.
2. het verkrijgen van een hogere geloofwaardigheid voor de eigen executie- en plaatsingscapaciteit van [C bank] bij het arrangeren en plaatsen van een aanzienlijk aantal onafhankelijke uitgiftes voor verschillende Europese financiële institutionele emittenten;
3. het genereren van aanzienlijke commissie-inkomsten voor [C bank] , zowel direct bij de uitgifte van obligaties waar zij als enige lead arranger optreedt, als indirect als gevolg van de daaruit voortvloeiende nieuwe activiteiten;
4. het assisteren van [B bank] bij het aantrekken van maximaal € 75 miljoen aan netto financiering, en
5. de verdeling van risico’s van de twee obligatieportefeuilles tussen [A bank] en [B bank] , waaronder het alloceren van een groot deel van het eerste-verliesrisico op de [C bedrijf] -portefeuille aan [B bank] . Belanghebbende heeft gesteld dat het de intentie van [A bank] en [B bank] was om het risico op de twee obligatieportefeuilles te splitsen tussen [A bank] en [B bank] .
Om die reden zijn twee verschillende entiteiten gebruikt, [C bedrijf] en belanghebbende.
[B bank] deelde als aandeelhouder in een (eventueel) verlies op de prefs, naar verhouding van haar – voor € 10 mln met eigen vermogen gefinancierde – participatie in belanghebbende (het eerste verliesrisico). Dit risico was volgens belanghebbende niet volledig beheersbaar. Op deze manier – en daar is de rechtbank volgens belanghebbende aan voorbijgegaan – was het mogelijk het eerste verliesrisico op de [C bedrijf] -portefeuille voor 98,7% aan [B bank] te alloceren. Als alle obligaties via [C bedrijf] zouden zijn gehouden, dan zou de gewenste risicosplitsing en risicoallocatie niet zijn bereikt.
Deze redengeving is volgens belanghebbende in strijd met het arrest HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:224, BNB 2014/79 en met r.o. 2.6.3 van het arrest HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197 (als aangehaald in uitspraak rechtbank onder 4.29.2).
In overeenstemming daarmee kwam de totale looptijd van de LR Loans exact overeen met de totale looptijd van de derdenleningen en zijn de derdenleningen op dezelfde dag terugbetaald. Het verschil tussen de juridische looptijd van de derdenleningen en de LR Loans werd bepaald door zakelijke overwegingen. In deze opzichten verschilt de onderhavige zaak wezenlijk van die waarop de arresten HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR: 2017:640, BNB 2017/156 en HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:394, BNB 2019/98 betrekking hadden. Volgens belanghebbende heeft zij aangetoond (i) dat [A bank] externe financiering heeft aangetrokken, (ii) welke specifieke leningen dat zijn geweest en (iii) dat die leningen zijn aangetrokken met als doel de LR te financieren en daarmee de verwerving van de prefs.
interne lening. De rechtbank heeft volgens belanghebbende op het punt van de parallelliteit ten onrechte geconcludeerd dat zij niet aan de tegenbewijsregeling heeft voldaan.
Voor de periode oktober2007 – september 2009 heeft belanghebbende, naar zij stelt, de [xxx] en bijna alle [xxx] , [xxx] en [xxx] SWIFT-berichten verstrekt die betrekking hebben op de door [A bank] aangegane repo-overeenkomsten voor het aantrekken van € 325 mln ter financiering van de tweede tranche van de aan belanghebbende verstrekte LR Loans. Er treedt ook geen hiaat in de financiering op, omdat de repo’s continu worden doorgerold.
Dat betwist belanghebbende juist wel. Het rendement van [C bedrijf] is belast in Luxemburg.
De opbrengsten van de [C bedrijf] portefeuille, de swap, dat kan plus of min zijn, en voor fiscale doeleinden vervolgens minus het dividend. Dat is dan het resultaat
Over de door belanghebbende bij haar conclusie van dupliek in hoger beroep overgelegde SWIFT-berichten merkt de inspecteur op dat deze betrekking hebben op overeenkomsten van ver- en terugkoop, zogeheten repo’s. Deze overeenkomsten hebben volgens de inspecteur een wezenlijk ander karakter dan de LR Loans. Het aangaan van de repo’s heeft volgens de inspecteur alleen invloed gehad op de actiefzijde van de balans; langlopende activa (obligaties) werden vervangen door kortlopende activa (liquide middelen). Dat er ook aan de passiefzijde iets zou zijn gewijzigd blijkt volgens de inspecteur niet uit de (nader) door belanghebbende overgelegde SWIFT-berichten. Ook daarmee wordt volgens de inspecteur niet een voldoende verband aannemelijk gemaakt tussen de LR Loans en een externe financiering daarvan. Zo al zou moeten worden aangenomen dat de repo’s dienden ter financiering van transacties binnen de voorliggende structuur, dan houden zij volgens de inspecteur verband met de aankoop van obligaties op het niveau van [C bedrijf] .
Voorts merkt de inspecteur in verband met de nader overgelegde SWIFT-berichten op dat deze niet betrekking hebben op de eerste tranche van 17 augustus 2006 tot 29 september 2006 en dat hem niet duidelijk is waarom die niet zouden kunnen worden opgevraagd.
Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijk geval zich voordoet, moeten in ieder geval worden betrokken, te bezien in onderlinge samenhang: de looptijd, het aflossingsschema, de rentevergoeding, omvang en tijdstip van het aangaan van de leningen (vgl. het arrest BNB 2017/156, r.o. 2.4.5.3, en HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, r.o. 3.6.4). Het Hof zal in het kader van het door belanghebbende op de voet van artikel 10a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet te leveren tegenbewijs, eerst beoordelen of er in het onderhavige geval een zodanig verband is tussen door [A bank] extern ingeleende gelden en de door haar aan belanghebbende uitgeleende LR Loans, dat dit aan toepassing van artikel 10a van de Wet in de weg staat.
Wat betreft de looptijd, en in aanvulling op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.25 van haar uitspraak heeft overwogen, geldt dat deze niet alleen inhield dat jaarlijks een afzonderlijk besluit tot een doorrollen moest worden genomen, maar ook dat kon worden besloten daarvan af te zien, bijvoorbeeld bij aanwezigheid van een gunstiger alternatieve wijze van financiering. De enkele omstandigheid dat externe leningen zijn doorgerold maakt de desbetreffende doorgerolde leningen niet reeds op die grond een parallelle lening, omdat het continueren van die (want doorgerolde) leningen op andere voorwaarden is gebaseerd dan die van de LR Loans en die voorwaarden – naar het Hof begrijpt – ook telkens een niet doorrollen zouden hebben kunnen inhouden.
(…)
2.1.2 Parallelliteit lening verbonden personen en externe financiering
Tussen de door de verbonden persoon verstrekte lening en de externe financiering dient parallelliteit te bestaan. Deze ziet met name op de looptijd en de aflossingen. Verschillen in rentevergoeding kunnen verantwoord zijn indien hieraan zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
(…)
Overigens merk ik op dat het voorgaande ook geldt voor de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel.”
Uit het Besluit kan niet worden afgeleid dat aan een verschil in rentevergoeding ten grondslag liggende zakelijke overwegingen tot parallelliteit leidt, ongeacht verschillen tussen de overige kenmerken van de externe en de door 10a besmette lening (waaronder het verschil in rentevergoeding), bezien in onderlinge samenhang.
Zijn er zakelijke gronden voor het aangaan van de LR Loans5.9.9.1. Nu hiervoor in deze zin is geoordeeld, gaat het Hof hierna ervan uit dat de LR Loans niet op parallelle wijze extern zijn gefinancierd.
Vaststaat voorts:
- dat [C bedrijf] is gekapitaliseerd door storting, op door [C bedrijf] aan [A bank] uitgegeven aandelen en prefs, van destijds tot de [C bank] -groep behorende Franse geldzakvennootschappen, te weten [E bedrijf] en [G bedrijf] , ter waarde van in totaal ruim € 750 mln;
- dat [C bedrijf] de in de [E bedrijf] -vennootschappen aanwezige liquiditeiten van in totaal ruim € 750 mln als terugbetaling van kapitaal aan zich heeft doen uitkeren, en
- dat de prefs na die stortingen telkens door [A bank] aan belanghebbende voor in totaal ruim
€ 750 mln zijn verkocht, en dat, ter financiering daarvan door [A bank] , aan belanghebbende de LR Loans zijn verstrekt.
Naar het oordeel van het Hof houden deze feiten in dat, evenals waarvan de rechtbank is uitgegaan, door [A bank] als kapitaal op de prefs gestorte – en elders uit de [C bank] -groep afkomstige – middelen door verkoop van de prefs aan belanghebbende en het in samenhang daarmee aangaan van de LR Loans, zijn omgezet in de door belanghebbende aan [A bank] verschuldigde leningen.
Dat de bezittingen van belanghebbende tevens zijn gefinancierd met van [B bank] afkomstig eigen vermogen doet aan de constatering dat – op de hiervoor beknopt beschreven wijze – een rentelast is gecreëerd niet af. Deze rentelast valt onder de reikwijdte van artikel 10a van de Wet, zoals onder 5.6 is vastgesteld.
Bovendien ontstond bij [C bedrijf] een aftrekbare last, vanwege het hybride karakter van (de vergoeding op) de prefs.
Het hybride karakter van de prefs als zodanig is niet in geding. Dat hybride karakter maakt de tussenschakeling van belanghebbende tussen [A bank] en [C bedrijf] in samenhang met het aangaan door belanghebbende van de LR Loans, evenwel niet zakelijk.
Zonder toereikende nadere toelichting, welke ontbreekt, is niet aannemelijk te achten dat deze motieven ten grondslag hebben gelegen aan het tussenschakelen van belanghebbende tussen [C bedrijf] en [A bank] in samenhang met het door belanghebbende aangaan van de LR Loans. Net zo min is aannemelijk te achten dat het aan [B bank] voor 98,7% alloceren van een eerste verliesrisico op een participatie via belanghebbende in [C bedrijf] , zo al voor dit afzonderlijke element van de door [C bank] en [B bank] opgezette structuur een zakelijke reden aanwezig was, een zakelijke reden vormt voor het aangaan van de LR Loans. Voorts is niet, althans niet zonder meer, aannemelijk te achten dat het via belanghebbende, als tussenhoudster van [C bank] en [B bank] , verwerven van obligaties tot een hogere bijdrage aan de ‘league table status’ van [C bank] zou leiden, zoals belanghebbende betoogt, dan indien [B bank] , [C bank] dan wel [A bank] haar obligaties rechtstreeks, zonder tussenschakeling van belanghebbende, zouden hebben verworven.
parallellie aan de orde zijn gekomen, oordeelt het Hof – onder verwijzing naar hetgeen onder 5.9.2.1 e.v. is overwogen – dat daarvan dan niet is komen vast te staan dat het parallelle leningen waren.
Hieruit leidt het Hof af dat de door de inspecteur gestelde circulariteit van rechten en verplichtingen tussen belanghebbende, [A bank] en [C bedrijf] zich in de onderhavige jaren feitelijk niet heeft voorgedaan. Dat in de onderhavige jaren tegenover de door [A bank] genoten rente (compenserende) betalingen van [A bank] aan [C bedrijf] stonden, waaruit zou zijn af te leiden dat de bij [A bank] in Luxemburg onderworpen rente over de LR Loans feitelijk/economisch niet (exclusief) in Luxemburg aan een compenserende heffing onderworpen zou zijn geweest, is derhalve ook in hoger beroep niet aannemelijk geworden.
Ik handhaaf mijn voorwaardelijk beroep op de tegenbewijsregeling dat er onzakelijk is gehandeld. Dat strekt zich dan uit tot de periode vanaf 1 januari 2008. Ik meen dat belanghebbende hierdoor niet is geschaad. Van meet af aan hebben wij de onzakelijkheid namelijk aannemelijk gemaakt. Ik vermag ook niet in te zien hoe of waarom belanghebbende voor de eerste paar maanden van 2008 een ander verweer zou voeren.”
In rechtsoverweging 4.39 van haar uitspraak heeft de rechtbank volgens de inspecteur terecht aannemelijk geacht dat het realiseren van belastingvoordelen de doorslag heeft gegeven bij de gekozen structurering en het aangaan van de joint venture.
Aan deze gang van zaken ontleent de inspecteur het vermoeden dat het zogeheten Bosal-gat (mede) door belanghebbende bewust is opgezocht, gecreëerd en geëxploiteerd. Dit laatste ziet de inspecteur bevestigd in de Participation Agreement, waarin een bepaling is opgenomen over de verdeling tussen [A bank] en [B bank] van (onder meer) het gecreëerde belastingvoordeel.
Inspecteur: Ik beroep mij niet op deze tegenbewijsregeling, want ik hoef niets te bewijzen nu belastingplichtige geen bewijs voor de zakelijkheid heeft aangedragen.
Rechter: Dus u doet geen beroep op deze tegenbewijsregeling?
Inspecteur: Dat is juist.”
Voor zover van belang heeft in deze formele kwestie het proces-verbaal van de rechtbank in beginsel als enige kenbron van de deswege relevant te achten uitlating van de inspecteur te gelden. In de weergave van die uitlating volgens de aantekeningen van belanghebbende ziet het Hof geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
De verklaring van de inspecteur is, gezien ook de context van de bevraging door de rechtbank waarin de inspecteur in dat specifieke kader en met betrekking tot het tweede (in geschil zijnde) boekjaar werd verzocht een toelichting te verstrekken op zijn standpunt, niet op te vatten als een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van een beroep op de met ingang van 2008 geldende tegenbewijsregeling. Het heeft de inspecteur derhalve vrij gestaan zich in hoger beroep alsnog op de tegenbewijsregeling te beroepen.
Fraus LegisStandpunt belanghebbende5.13.1. Uit de rechtsoverwegingen 4.14, 4.31 en 4.35 van de uitspraak rechtbank leidt belanghebbende af dat de rechtbank de valide zakelijke overwegingen voor de verwerving van de obligatieportefeuilles heeft erkend. Belanghebbende noemt in dit verband de zakelijke redenen die zij ook in het kader van de tegenbewijsregeling van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, van de Wet heeft aangevoerd (zie onder 5.7.1).
Belanghebbende betwist dat de uit die rechtshandelingen voortspruitende risico’s voor belanghebbende zeer beperkt waren. In dat verband verwijst belanghebbende naar de rechtsoverwegingen 4.10 en 4.11 van de uitspraak van de rechtbank. Uiteindelijk werden de risico’s van de onderliggende obligatieportefeuilles volgens belanghebbende gedragen door [A bank] dan wel [B bank] .
onbegrijpelijk dat de rechtbank het leerstuk fraus legis van toepassing heeft geacht.
Volgens belanghebbende heeft de Hoge Raad als regel geformuleerd dat fraus legis alleen kan worden toegepast om de aftrek van rente op ‘Bosal-leningen’ te beperken indien en alleen voor zover de rente wordt afgezet tegen ‘gekochte winst. De omstandigheid dat de risico’s met betrekking tot het rendement op de obligatieportefeuille beperkt waren (belanghebbende reageert op rechtsoverweging 4.75 van de uitspraak rechtbank) doet er niet aan af dat de met die portefeuille te genereren winsten ‘nieuw’ waren; daarnaast acht belanghebbende de constatering dat evenbedoelde risico’s beperkt waren feitelijk onjuist.
Voorts trekt belanghebbende een parallel met het arrest HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR: 2017:639, BNB 2017/163, omdat in deze zaak fraus legis niet van toepassing werd geacht, terwijl de belanghebbende in deze zaak minder risico liep en minder activiteiten uitoefende dan belanghebbende. Van ‘gekochte winst’ kan bij belanghebbende ook geen sprake zijn, omdat deze pas is gerealiseerd nadat zij was opgericht.
De inspecteur acht het niet aannemelijk dat het omwisselen van het ene voor het andere als investering kan gelden die de league table status verbetert. Dat de mogelijke herhaling van de structuur en de feitelijke herhaling ervan door middel van de tweede tranche werd ingegeven door zakelijke motieven wordt door de inspecteur betwist.
In beide situaties is volgens de inspecteur aan de toepassingsvoorwaarden van fraus legis voldaan. Ook indien rekening wordt gehouden met het vreemde vermogen waarmee de obligaties van belanghebbende ( [X] -portefeuille) worden gefinancierd, is het netto rendement daarop positief. Tegenover dat (eigen) rendement staat de gecreëerde rentelast over de LR Loans, aldus de inspecteur.
Voor het geval fraus legis slechts van toepassing zou zijn op een gecreëerd Bosal-gat dat wordt aangewend voor ‘gekochte winst’ en – aldus de inspecteur – slechts enig civielrechtelijk economisch belang bij dat gat voldoende zou zijn om er fiscaal gebruik van te maken, stelt de inspecteur dat de winst van belanghebbende moet worden aangemerkt als ‘gekochte winst’; noch door een winstvennootschap in de onderhavige structuur, noch door belanghebbende wordt een (materiële) onderneming gedreven.
Dat aan een herhaalbaarheid van de belastingbesparende constructie marktomstandigheden, alsmede reguliere en zakelijke limieten (in betekende mate) in de weg zouden staan, is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden.
Het onderhavige geval wijkt af van de gevallen waarop het arrest BNB 2017/162 betrekking heeft, in zoverre in die gevallen het Bosal-gat werd benut om Bosal-rente af te zetten tegen het gerealiseerde resultaat van daartoe gekochte kasgeldvennootschappen. Het arrest BNB 2017/162 kan derhalve niet zonder meer, één op één, worden toegepast op de onderhavige casus.
De herhaalbaarheid en gekunsteldheid komt tot uiting in het speciaal, met het oog op de in geding zijnde constructie, oprichten van belanghebbende, het daarin onderbrengen van een effectenportefeuille waarvan het rendement, behoudens enkele correcties ten gunste van [A bank] – waaronder een synthetische belastingcorrectie ten gunste van [A bank] –, is gekoppeld aan de B-aandelen van belanghebbende en welke portefeuille ook rechtstreeks, met het eigen vermogen dat [B bank] in belanghebbende heeft gestort, door [B bank] had kunnen worden verworven en gehouden. De gekunsteldheid en herhaalbaarheid komt tevens tot uiting in het verhangen van het belang van [A bank] in [C bedrijf] door de uitgifte van de prefs aan belanghebbende en de financiering van de prefs door middel van LR Loans aan [A bank] , waarvan de rente en aflossing gekoppeld is aan de opbrengst van de prefs en welke rente ten laste komt van het rendement op de [X] -portefeuille (winstdrainage). Aldus wordt de op gekunstelde wijze gecreëerde, over de LR Loans verschuldigde rente afgezet tegen door tussenschakeling van belanghebbende, op gekunstelde wijze bij haar opgekomen voordelen. Ook in een dergelijk geval is de belastingverlichting die het gevolg is van het benutten van het Bosal-gat in strijd met het stelsel van de Wet, zoals dat stelsel na het Bosalarrest moet worden opgevat. Doel en strekking van de Wet verzetten zich immers ertegen dat de heffing van vennootschapsbelasting, door het bij elkaar brengen van enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten, op een willekeurige en voortdurende wijze wordt verijdeld door – voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden – rechtshandelingen te bezigen die voor het bereiken van die doeleinden niet noodzakelijk zijn en enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstelligen van de beoogde fiscale gevolgen (HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021: 1152, r.o. 4.2.8).
In dergelijke gevallen doen zich geen ‘volkomen kunstmatige of fictieve constructie’ voor. Het waarborgen van een evenwichtige verdeling van de heffingsgrondslag en misbruikbestrijding gelden dan niet, ook niet in combinatie met elkaar, als een rechtvaardigingsgrond, zo stelt belanghebbende.
Het ‘Lexel arrest’ gaat een stap verder dan eerder in dit verband door het Hof van Justitie gewezen arresten. De vraag van het Hof of belanghebbende zich niet beroept op het zgn. Groupe Steria-arrest antwoord ik bevestigend. Het beroep op genoemd arrest of de ‘per element’ benadering heeft belanghebbende ondubbelzinnig prijsgegeven.”
Oordeel Hof5.18.1. Met de inspecteur is het Hof van oordeel dat het arrest Lexel voor de onderhavige zaak betekenis mist. Voorop gesteld zij dat artikel 10a van de Wet ongedifferentieerd werkt naar binnenlandse situaties en naar grensoverschrijdende situaties. Zo kan die bepaling in binnenlandse situaties aan de aftrek van rente in de weg staan, indien de crediteur een (feitelijk) niet aan de heffing van vennootschapsbelasting onderworpen lichaam is.
Of een dergelijke situatie in de praktijk (veel) voorkomt acht het Hof daarbij, anders dan belanghebbende heeft betoogd, niet van belang, omdat niet de tenuitvoerlegging, maar de regeling als zodanig het object van beoordeling dient te zijn (vgl. arrest Lexel pt. 66).
Dit betekent dat artikel 10a van de Wet als zodanig niet in strijd is met het EU-recht, meer in het bijzonder niet met de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU Pro). Dit is anders bij de Zweedse regeling waarop het arrest Lexel betrekking heeft.
Vergoeding van immateriële schade5.19. Gezien ook hetgeen belanghebbende daarover ter zitting van het Hof heeft verklaard en de complexiteit van de zaak, doet zich naar het oordeel van het Hof bij het doen van uitspraak niet een overschrijding van de redelijke termijn voor. Er is derhalve geen reden voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.
6.Kosten
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.