In deze zaak stonden vijf belanghebbenden, vennootschappen binnen een concern actief in de banksector, centraal die leningen hadden opgenomen bij een verbonden entiteit ([C]) die zelf externe financiering aantrok. Het geschil betrof de aftrekbaarheid van rente op deze interne leningen onder artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De rechtbanken hadden geoordeeld dat de interne leningen niet in wezen van een derde waren geleend omdat belanghebbenden niet hadden voldaan aan de tegenbewijsregeling, mede omdat onvoldoende parallellie bestond tussen de interne leningen en de externe financiering. Dit oordeel werd bevestigd door het Hof Den Haag, dat het beroep van belanghebbenden in cassatie aanvoerde.
De Hoge Raad overwoog dat de toetsing van parallellie tussen interne en externe leningen een beoordeling van feitelijke aard betreft die niet in cassatie kan worden herzien, en dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. Ook het verschil met een eerdere zaak ([H] B.V.) werd verklaard door de feitelijke verschillen in betwisting van verklaringen.
De Hoge Raad verklaarde de cassatieberoepen ongegrond en liet het oordeel van het Hof in stand. De voorwaardelijke incidentele beroepen van de Staatssecretaris vervielen omdat de principale beroepen faalden.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.