In deze zaak heeft de Hoge Raad op 14 augustus 2015 een herstelarrest gewezen ter verbetering van het arrest van 5 juni 2015. Het ging om een geschil tussen twee vennootschappen en de Staatssecretaris van Financiën over de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, specifiek omtrent de beoordeling van in overwegende mate zakelijke overwegingen bij financieringsvormen en de vraag of sprake was van een onzakelijke omleiding.
De Hoge Raad constateerde dat in het oorspronkelijke arrest twee onjuistheden waren geslopen: ten eerste een verkeerde datum en nummer van een eerder arrest dat werd geciteerd, en ten tweede een onterecht toegevoegd woordje 'niet' in een belangrijke overweging over het oordeel van het hof. Na partijen de gelegenheid te hebben gegeven zich hierover uit te laten, wat niet is gedaan, heeft de Hoge Raad deze verbeteringen doorgevoerd.
Het arrest bevestigt dat belastingplichtigen keuzevrijheid hebben in de wijze van financiering van vennootschappen waarin zij deelnemen, en verduidelijkt de juiste interpretatie van het oordeel over de zakelijke motieven achter de geldlening. Dit herstelarrest draagt bij aan de rechtszekerheid en correcte toepassing van de vennootschapsbelastingregels.