ECLI:NL:HR:2015:2167

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 augustus 2015
Publicatiedatum
30 juli 2015
Zaaknummer
14/00343
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a lid 1 letter c Wet Vpb 1969Art. 10a lid 3 letter a Wet Vpb 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelarrest over zakelijke overwegingen bij vennootschapsbelasting en onzakelijke omleiding

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 14 augustus 2015 een herstelarrest gewezen ter verbetering van het arrest van 5 juni 2015. Het ging om een geschil tussen twee vennootschappen en de Staatssecretaris van Financiën over de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, specifiek omtrent de beoordeling van in overwegende mate zakelijke overwegingen bij financieringsvormen en de vraag of sprake was van een onzakelijke omleiding.

De Hoge Raad constateerde dat in het oorspronkelijke arrest twee onjuistheden waren geslopen: ten eerste een verkeerde datum en nummer van een eerder arrest dat werd geciteerd, en ten tweede een onterecht toegevoegd woordje 'niet' in een belangrijke overweging over het oordeel van het hof. Na partijen de gelegenheid te hebben gegeven zich hierover uit te laten, wat niet is gedaan, heeft de Hoge Raad deze verbeteringen doorgevoerd.

Het arrest bevestigt dat belastingplichtigen keuzevrijheid hebben in de wijze van financiering van vennootschappen waarin zij deelnemen, en verduidelijkt de juiste interpretatie van het oordeel over de zakelijke motieven achter de geldlening. Dit herstelarrest draagt bij aan de rechtszekerheid en correcte toepassing van de vennootschapsbelastingregels.

Uitkomst: De Hoge Raad verbeterde het arrest van 5 juni 2015 door correcties in verwijzingen en formuleringen.

Uitspraak

14 augustus 2015
nr. 14/00343
Herstelarrest
gewezen ter verbetering van het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2015, nr. 14/00343, ECLI:NL:HR:2015:1460, gewezen op het beroep in cassatie van
[X1] B.V. en [X2] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbenden), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 5 december 2013, nrs. 12/01171 en 12/01172.

1.Het arrest in het geding

1.1.
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 5 juni 2015 arrest gewezen. Nadien is het de Hoge Raad gebleken dat het arrest op een tweetal punten verbetering behoeft.
1.2.
In het arrest is in onderdeel 3.1.3 overwogen:
“3.1.3. Bij het onderzoek naar de beweegredenen is van belang dat in het systeem van de Wet besloten ligt dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de vorm van financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt (vgl. HR 2 februari 2014, nr. 12/04640, ECLI:NL:HR:2014:224, BNB 2014/79).”
De datum en het nummer van het arrest waarnaar wordt verwezen is niet – zoals vermeld – 2 februari 2014, nr. 12/04640, maar 7 februari 2014, nr. 12/03540.
1.3.
In onderdeel 3.4 van het arrest is voorts overwogen:
“3.4. Middel III in het beroepschrift van belanghebbenden richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de onderhavige geldlening
nietis ingegeven door in overwegende mate zakelijke overwegingen…”.
Het hiervoor gemerkte woordje ‘niet’ is ten onrechte in de zin opgenomen en dient te vervallen.
1.4.
Bij brieven van 15 juni 2015 heeft de Hoge Raad partijen in de gelegenheid gesteld zich over beide misslagen uit te laten. Partijen hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De Hoge Raad zal derhalve de verbeteringen doorvoeren zoals hiervoor in de onderdelen 1.2 en 1.3 vermeld.

2.Beslissing

De Hoge Raad:
verbetert de hierboven vermelde fouten in het arrest van 5 juni 2014, nr. 14/00343, en stelt de verbeteringen op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.