Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Feiten
Consent to an Adoption Order in respect of child’) vermeldt onder meer dat [betrokkene 5] als (biologische) moeder afstand doet van haar kind, genaamd [verweerster] , ten behoeve van de adoptieouders.
.”
Inzet cassatieberoepen; structuur onrechtmatigheidsoordeel hof; verdere inhoud van deze conclusie
4.Interlandelijke adoptie en de daarvoor geldende regels; de Wobp en het Bobp
Adoptie
nietals richtsnoer in de Wobp opgenomen. De Raad van State had daarop wel aangedrongen, maar de regering achtte dat niet op zijn plaats, met de volgende motivering:
voor zover dit in hun vermogen ligterop zullen toezien dat de overkomst van een kind naar Nederland met het oog op adoptie alleen wordt bevorderd, wanneer vaststaat dat dit in het belang van het kind is en in het land van herkomst geen andere vorm van hulp kan worden geboden. Daarnaast is het wenselijk dat aan bemiddelaars kwaliteitseisen worden gesteld, niet alleen met het oog op de belangen van kinderen en ouders, doch ook in verband met de presentatie van het beleid in het buitenland.” [54]
Er zijn echter ook landen waar geen enkele vorm van overheidsbemoeienis bestaat en waar men op mededelingen van particuliere instanties moet afgaan.” [55]
Zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt, kan de opneming van het buitenlandse pleegkind niet plaatsvinden wanneer de afstand door de ouder of de ouders niet aan de hand van deugdelijke bescheiden kan worden aangetoond.
De vergunninghouder heeft, zowel vóór als na de overdracht van het kind, niet meer dan een bemiddelende taak. Alleen bij nalatigheid bij de vervulling van die taak kan hij jegens de aspirant-pleegouders aansprakelijk worden gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade. De door de aan het woord zijnde leden gedane suggestie dat de vergunninghouder in voorkomend geval zou moeten afzien van de bemiddeling, komt mij onjuist voor. De bemiddeling omvat mede de noodzakelijke assistentie bij het organiseren van de overkomst van het kind. In het individuele bemiddelingscontract zal de vorm van die assistentie nader zijn gespecificeerd. Daar echter de verantwoordelijkheid voor het kind op de aspirant-pleegouders rust, acht ik het alleszins aan te bevelen dat de aspirant-pleegouders een verzekering voor de overtocht aangaan, opdat in geval van nood medische of andere hulp kan worden geboden.” [57]
kan worden geacht”(dus niet: ‘in het belang van de betrokken kinderen is’, zoals men zou verwachten als bepaling; cursivering toegevoegd). Dat de wetgever geen grote rol voor de bemiddelaars zag weggelegd bij het erop toezien dat de afstand van het kind en het opnemen als pleegkind ter adoptie door de aspirant-adoptieouders in het buitenland daadwerkelijk in het belang van het kind was, volgt ook uit het feit dat de Wobp het fenomeen van de zelfdoener niet in de ban deed, terwijl zich juist bij het ‘zelf doen’ gemakkelijk misstanden kunnen voordoen en zich ook daadwerkelijk voordeden, doordat de zelfdoeners zich niet aan regels hielden (zie hiervoor in 4.3). De Wobp bevatte aanvankelijk geen verbod op het ‘zelf doen’. [58] Verwachting was wel dat dit fenomeen zou afnemen door de eisen van art. 8 Wobp Pro [59] en het gegeven dat het aan de beginseltoestemming ten grondslag liggende originele gezinsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming alleen aan een vergunninghouder werd gegeven en dat rapport door de buitenlandse instanties vaak werd gevraagd bij een beslissing over adoptie (art. 5 lid 4 Wobp Pro). [60] Het verbod op ‘zelf doen’ is er pas in 1995 gekomen, toen gebleken was dat de problemen met zelfdoeners zich nog steeds voordeden. [61]
5.Bespreking oordeel hof
Uitleg Wobp door het hof
bescheidenbedoeld in art. 8 onder Pro d Wobp, zoals het hof zelf ook tot uitdrukking brengt. De als tweede door het hof genoemde passage in de memorie van toelichting bevat met de clausulering ‘voor zover dit in hun vermogen ligt’ juist een uitdrukkelijke verwijzing naar de voor bemiddelaars slechts bestaande inspanningsplicht. Er bestaat niet meer dan die plicht, zoals hiervoor bleek, in verband met de beperkte mogelijkheden die de bemiddelaars in het buitenland hebben. Uit genoemde passages kan dus niet de vergaande onderzoeksplicht worden afgeleid die het hof aanneemt.
dezeconcrete signalen (duidelijk) bevatten of inhouden. Overigens valt ook niet zo goed in te zien dat zich bij deze reguliere interlandelijke adopties misstanden voordeden. Waarom zou dat immers het geval zijn? Misstanden betroffen enerzijds adoptieouders die buiten de bestaande procedures kinderen naar Nederland haalden, de Nederlandse autoriteiten daarmee voor een voldongen feit plaatsend (wat de art. 2 en Pro 8 Wobp beoogden tegen te gaan) en anderzijds ‘aanbieders’ van te adopteren kinderen die zich schuldig maakten aan babyroof of het onder druk zetten van moeders om hun kind af te staan, waarbij het hen uiteraard ging om het daarmee te verdienen geld (wat mogelijk in enkele gevallen ook heeft geleid tot omkoping van de autoriteiten). Als uitsluitend een redelijke en (dus) gebruikelijke vergoeding wordt betaald aan bemiddelaars in het land van herkomst – zoals de Wobp, de Wobka en het Haags Adoptieverdrag alle uitdrukkelijk toestaan –, kan laatstgenoemd motief niet spelen, zo zou men menen (en ook aan omkoping van autoriteiten valt dan niet te denken) (zie echter hierna in 5.14).
inspanningsplichtheeft opgenomen, die bovendien blijkens de gegeven toelichting niet ver gaat, volgt echter al dat dit belang destijds niet van
zodaniggroot gewicht werd gedacht dat het ontbreken van deze informatie een misstand werd gevonden
die aan een adoptie in de weg stond. Ook de huidige regelgeving brengt laatstgenoemd gevolg trouwens nog steeds niet mee, zij het dat deze, zoals hiervoor bleek, wel meer en betere waarborgen bevat dat betrouwbare en volledige informatie wordt vastgelegd, maar dan dus door het land van herkomst (zie hiervoor in 4.22). Overigens zou ik menen dat er veel voor te zeggen is, mede gelet op de ervaring van genoemde groep, om de behoorlijke vastlegging van deze informatie wel een condicio sine qua non te doen zijn voor een adoptie, gelet op genoemd belang.
naar de toen bestaande maatstaven, die
destijdstot een andere gedragslijn had moet leiden.
door de Nederlandse bemiddelaarsin het buitenland ingeschakelde bemiddelaars (bij reguliere interlandelijke adopties). Dat is wat mij betreft ook de indruk die als geheel bij lezing van de wetsgeschiedenis achterblijft. Dat is uiteraard nogal veelzeggend in het onderhavige verband.
Bespreking van de cassatiemiddelen in het principale beroep (onderdelen 2 en 3 van de Stichting en onderdelen 1, 3 en 4 en subonderdeel 2.3 van de Staat)
onzekerheidover de vraag of de adoptie in het belang van het kind was en van onzekerheid over de afkomst van het kind. Daaronder verstaat het hof vooral dat met zekerheid is vastgesteld (of ‘vaststaat’) dat in Sri Lanka op naar Nederlandse maatstaven aanvaardbare wijze afstand is gedaan van het kind, wie de ouders van het kind waren, dat het kind echt niet bij de familie kon worden opgevangen, en of het antwoord op deze vragen (of de redenen waarom die antwoorden, ondanks kritisch doorvragen, niet kunnen worden verkregen) voldoende zijn vastgelegd. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar diverse rechtsoverwegingen van het hof vanaf rov. 6.17.
onzekerwas of aan de vereisten voor overkomst van het kind naar Nederland werd voldaan, en dat aan de verplichting tot het vergaren van afstammingsgegevens niet werd voldaan als men wist of kon vermoeden dat deze gegevens niet juist of onvolledig waren, blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel wijst erop dat de wetgever heeft onderkend dat de vergunninghouder voor de verkrijging van afstammingsgegevens geheel of grotendeels afhankelijk is van instanties in het buitenland, waarbij die afstammingsgegevens soms niet verkrijgbaar zijn, en dat ook niet steeds volledige zekerheid kon worden verkregen over de volledigheid of juistheid van de gegevens. Voor zover afstammingsgegevens zouden zijn verzameld waarvan men wist of kon vermoeden dat deze gegevens niet volledig waren, of waarvan men kon vermoeden dat deze gegevens niet juist waren, maakt dan ook niet (en zeker niet zonder meer) dat de vergunninghouder niet heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichting.
subonderdeel 2.6 van de Stichtinggetuigt het oordeel van het hof in rov. 6.24 en 6.26 dat de Stichting, naar de kern genomen, geen genoegen had mogen nemen met de verschafte summiere (afstammings)informatie, van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee miskend dat ook kernverplichting 3 een inspanningsverplichting betreft. Voor zover het hof van oordeel is dat de Stichting ook afstammingsgegevens had moeten verzamelen waarvan zij er in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden dat zij deze zou kunnen verkrijgen, miskent het hof daarmee evenzeer die inspanningsverplichting.
onder 1.4.1.
onder 1.4.2aan dat op grond van de Wobp en het Bobp er (in beginsel) géén twijfel was over het antwoord op de vraag of de afstand door de biologische ouder(s) naar behoren was geregeld in het geval waarin er bescheiden waren met daarin uitdrukkelijke verklaringen van de biologische ouders, of andere bescheiden waaruit rechtstreeks kon worden afgeleid dat de afstand naar behoren was geregeld, zoals een rechterlijke uitspraak uit het buitenland of verklaringen van particuliere organisaties in het buitenland – zeker niet als die afstandsverklaring in de in het buitenland gevolgde (gerechtelijke procedure) al was overgelegd en in orde was bevonden. Het uitgangspunt was dat daarop mocht worden vertrouwd en als vaststaand kon worden aangemerkt dat de adoptie in het belang van het kind was. De vergunninghouder had in zo’n geval (in beginsel) voldaan aan zijn (inspannings)verplichting. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat het uitgangspunt van de wetgever was dat de vergunninghouder in – bijvoorbeeld – het geval waarin men voor de afstandsverklaring genoodzaakt was om alleen af te gaan op verklaringen van particuliere organisaties in het buitenland, niet hoefde af te zien van bemiddeling.
onder 1.4.3, dat het oordeel van het hof dat onvoldoende is weersproken dat bemiddelaars verplicht waren om de betrouwbaarheid van hun buitenlandse samenwerkingspartners en/of de zorgvuldigheid van de procedure te controleren, onjuist is dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Die plicht volgt niet uit de Wobp. De wetgever is er blijkens de op de Wobp gegeven toelichting vanuit gegaan dat een gerichte controle op buitenlandse contacten van vergunninghouders niet nodig was, omdat de bestaande praktijk daartoe geen aanleiding gaf. Ook heeft de Staat erop gewezen dat uit het uitgeoefende toezicht bleek dat de Stichting goede contacten onderhield met de Probation en het Sri Lankaanse consulaat te Brussel, wat werd gezien als een indicatie dat de Stichting de procedures volgde die in Sri Lanka golden, en dat uit het uitgeoefende toezicht bleek dat de Stichting, na een incident met een eerdere buitenlandse samenwerkingspartner van de Stichting, die samenwerking heeft gestaakt.
onder 1.4.4, maakt het belang dat het hof heeft gehecht aan signalen over misstanden bij interlandelijke adopties vanuit Sri Lanka, het voorgaande niet anders. Zoals het hof zelf overweegt in rov. 6.24, zijn de door hem bedoelde signalen en ontwikkelingen nu juist aanleiding geweest voor (i) een (tijdelijke) adoptiestop in Sri Lanka in 1987 en (ii) invoering van de Wobp en het Bobp. Over de (tijdelijke) adoptiestop in Sri Lanka heeft de Staat gesteld – en die stelling is door het hof niet verworpen – dat daaruit kon worden afgeleid dat Sri Lanka bij vermeende onregelmatigheden zelf optrad, zodat, gelet op de latere heropening van de grenzen kennelijk van dergelijke onregelmatigheden niet (langer) sprake was. Het stelsel van de Wobp en het Bobp was bovendien juist vormgegeven in reactie op eerdere signalen van misstanden, en maakt dat – in elk geval in beginsel, behoudens concrete, op interlandelijke adoptie vanuit Sri Lanka betrekking hebbende (nieuwe) voldoende ernstige signalen – vergunninghouders konden volstaan met het voldoen aan hun verplichtingen uit de Wobp en het Bobp (en dat niet op grond van de eerdere, van vóór de Wobp en het Bobp daterende, signalen van misstanden aan die verplichtingen een verdergaande invulling moest worden gegeven dan de wetgever heeft bedoeld). Voor zover het hof heeft aangenomen dat de vergunninghouders, vanwege de door het hof bedoelde signalen van misstanden, verdergaande verplichtingen hadden dan op grond van de Wobp en het Bobp golden, en in het bijzonder dat zij gehouden waren tot verdergaand onderzoek en een vergaande controle van gegevens van buitenlandse rechterlijke en andere autoriteiten, is het hof dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
Onder 2.3.1klaagt het subonderdeel dat voor zover het hof andere signalen bedoelt dan het in zijn arrest noemt, zijn oordeel onvoldoende is gemotiveerd omdat dan niet duidelijk is op welke signalen zijn oordeel betrekking heeft.
onder 2.3.2aan dat voor de beoordeling van het handelen van de Staat alleen signalen relevant zijn waarmee de Staat redelijkerwijs bekend moest zijn en waaruit bleek van (structurele) misstanden rond adopties vanuit Sri Lanka die eruit bestonden dat de Stichting – of op zijn minst: Nederlandse vergunninghouders – wettelijke (‘kern’)verplichtingen op grond van de Wobp en het Bobp niet nakwam(en).
Onder 2.3.7klaagt het subonderdeel dat het hof het COIA-rapport niet zonder meer ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn oordeel, nu dat rapport, kort gezegd, een zeer ruime definitie van ‘misstanden’ hanteert en in het rapport de voorbeelden van die misstanden niet worden gekoppeld aan Nederlandse vergunningshouders.
Onder 2.3.8bevat het subonderdeel de klacht dat het hof niet vaststelt op welke signalen uit het rapport het bij zijn oordeel het oog heeft en evenmin dat die signalen betrekking hadden op Nederlandse vergunninghouders die hun wettelijke verplichtingen niet nakwamen. En
onder 2.3.9klaagt het subonderdeel tot slot dat de signalen met betrekking tot Sri Lanka die in het rapport worden genoemd, geen betrekking hebben op Nederlandse vergunninghouders die hun verplichtingen niet nakwamen.
subonderdeel 2.4 van de Stichtingzijn diverse overwegingen in rov. 6.24-6.26 onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van het betoog van de Stichting dat (i) voor de adoptieprocedure van [verweerster] de gehele, gebruikelijke procedure in Sri Lanka is doorlopen, (ii) de omstandigheden met betrekking tot de termijn waarop [verweerster] beschikbaar kwam toentertijd evenmin als ongebruikelijk golden, (iii) de Stichting zich heeft gehouden aan de destijds geldende regelgeving, (iv) in het geval van [verweerster] een deugdelijke afstandsverklaring aanwezig was, en (v) onduidelijk is hoe de Stichting aanvullend onderzoek had kunnen uitvoeren en juist de Sri Lankaanse rechter bij uitstek degene is die kan verklaren (en beoordelen) of sprake is van een deugdelijke afstandsverklaring (het subonderdeel verwijst bij een en ander naar vindplaatsen in de stukken, waarin deze stellingen verspreid, maar ook meer uitvoerig omschreven staan). Voor zover het hof een ‘diepgaande controle’ van de Stichting heeft geëist, heeft het hof miskend dat de toepasselijke regelgeving dat ‘als uitgangspunt’ niet van een adoptiebemiddelaar vergt, aldus het subonderdeel. Indien het hof meende dat genoemde stellingen van de Stichting niet relevant (kunnen) zijn voor hetgeen van de Stichting kon worden gevergd, is ook dat onjuist. Zonder nadere motivering is het oordeel van het hof in ieder geval onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de door de Stichting aangevoerde stelling dat het verloop van de adoptie van [verweerster] , inclusief de wijze en termijn waarop zij beschikbaar kwam, gebruikelijk was. Bij juistheid van dit betoog valt immers niet in te zien dat de Stichting in afwijking van voornoemd uitgangspunt bij afwezigheid van (nieuwe, ernstige) signalen van misstanden gehouden was om de betrouwbaarheid van de lokale bemiddelaars en de zorgvuldigheid van de (gerechtelijke) procedure in Sri Lanka te controleren. Ook dit subonderdeel doet een beroep op de stelling dat na de invoering van de Wobp en het Bobp en na de opheffing van de tijdelijke stop op interlandelijke adopties door Sri Lanka in 1987 geen grond meer bestond om voor misstanden te vrezen.
fair balancete treffen tussen de in het geding zijnde belangen, waarbij het EHRM de aangesloten staten een
margin of appreciationlaat. [98] Deze afweging kan verschillend uitpakken, al naar gelang de context. Illustratief zijn de genoemde uitspraken in de zaken Odièvre/Frankijk en Godelli/Italië, waarin een vrouw die was geadopteerd de identiteit van haar moeder wilde weten, die tot dan toe geheim was gehouden op grond van de in de Franse respectievelijk Italiaanse wetgeving bestaande mogelijkheid om anoniem te bevallen en afstand te doen van het kind. Bij het EHRM werd geklaagd dat Frankrijk en Italië art. 8 EVRM Pro hadden geschonden, nu het voor de vrouwen onmogelijk was om de gevraagde informatie over hun moeder te verkrijgen. In Odièvre/Frankrijk overwoog het EHRM:
margin of appreciationblijft die de verdragsstaten toekomt. In Odièvre/Frankrijk was dat het geval, in Godelli/Italië niet, omdat het Italiaanse recht het belang van de moeder om anoniem te blijven steeds zonder meer liet voorgaan (het EHRM spreekt van een “blind preference”; zie rov. 57 van de uitspraak).
Toezichthoudersaansprakelijkheid (subonderdelen 2.1, 2.2 en 2.4-2.7 van de Staat)
ruimteen, als overkoepelend begrip, van
beslissingsruimte (die dus bestaat als beleidsruimte of beoordelingsruimte aanwezig is). Dat doet de Afdeling omdat zij de term ‘vrijheid’ verwarrend acht, nu gebruik van een publiekrechtelijke bevoegdheid steeds is gebonden aan het recht en dus nooit geheel vrij is. Ook de term ‘marginale toetsing’ – die ziet op de toetsing van het gebruik van een bestaande vrijheid door een bestuursorgaan (heeft het orgaan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van die vrijheid gebruik kunnen maken op de wijze zoals zij heeft gedaan?) – wordt niet langer door de Afdeling gebruikt, omdat deze term haars inziens een te vrijblijvende opstelling van de rechter suggereert. [102]
onder 2.2.1 en 2.2.2 van subonderdeel 2.2betogen dat de toezichthoudende taak van de Staat niet zag op wat het hof in rov. 6.17 aanduidt als kernverplichtingen 1 en 3 van de bemiddelaar.
Onder 2.2.3klaagt het subonderdeel dat het hof in rov. 6.30 heeft miskend dat ook de verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf geen deel uitmaakte van de toezichthoudende taken van de Staat op grond van de Wobp en het Bobp.
onder 2.5.1dat het hof niet de bij de beoordeling van de toezichthoudersaansprakelijkheid vereiste terughoudendheid in acht heeft genomen. Daarbij wordt onder meer erop gewezen (a) dat het hof in rov. 6.32 (zeer) indringend heeft voorgeschreven waartoe de Staat als toezichthouder gehouden was en welke precieze vragen de Staat als toezichthouder op welk moment aan de Stichting had moeten stellen en (b) dat de door het hof genoemde verplichtingen ‘slechts’ inspanningsverplichtingen waren.
Onder 2.5.2voert het subonderdeel aan, naar ik begrijp, dat voor terughoudendheid reden temeer bestond in het licht hetgeen in onder 1.5.1-1.5.3 van subonderdeel 1.5 is aangevoerd.
Onder 2.5.3voert het subonderdeel aan dat het oordeel van hof in elk geval niet voldoende is gemotiveerd gelet op (a) het feit dat de Stichting over een vergunning beschikte, (b) het hof niet heeft vastgesteld dat de Stichting in de periode tussen de – terechte – vergunningverlening in 1989 en 1991 haar werkwijze heeft aangepast, (c) hetgeen de wetgever zich bij het toezicht in het kader van de Wobp heeft voorgesteld en (d) het ontbreken van concrete aanwijzingen dat de Stichting in strijd met haar wettelijke verplichtingen handelde.
onder 2.6.1dat als geen (concrete en voldoende ernstige) aanwijzingen bestaan dat in strijd met wettelijke verplichtingen werd gehandeld, slechts in uitzonderlijke gevallen wegens algemeen toezichtsfalen tot aansprakelijkheid van de toezichthouder kan worden gekomen. Voor het geval het hof dat niet heeft miskend, klaagt het subonderdeel
onder 2.6.2dat als het hof van oordeel is geweest dat hier van een dergelijk uitzonderlijk geval sprake is, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende gemotiveerd is. Het subonderdeel noemt een aantal omstandigheden die erop neerkomen dat de Staat voldoende controle op de naleving van de Wobp heeft uitgevoerd.
Beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? (onderdeel 1 van de Stichting)
in de gegeven contexten niet om categorisering van de schade als zodanig (als schadesoort). [129]
omdathet te beschermen belang zwaarwichtig is.
Onder 1.3.1voert het subonderdeel daartoe aan dat het hof ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat de adoptie, nu (i) de afstandsverklaring is ondertekend door de vrouw die zich voorstelde als de biologische moeder van [verweerster] , en (ii) de Sri Lankaanse rechtbank de adoptie van [verweerster] heeft uitgesproken, kan worden geacht te zijn geschied in het belang van het kind. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de Wobp, aldus de klacht, waarvan het twee passages aanhaalt die ook hiervoor in deze conclusie zijn geciteerd.
onder 1.8.1dat het hof bij zijn oordeel heeft miskend dat, mede gelet op de omstandigheden van het geval, geen andere conclusie mogelijk is dan dat de termijn van tweeënhalf jaar onredelijk lang is en dat [verweerster] dus onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Een termijn van tweeënhalf jaar is namelijk in beginsel onredelijk lang, hetgeen ook geldt indien de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een langere periode tussen ontdekking van de schade en de aansprakelijkheidsstelling ligt, niet onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft bovendien onvoldoende gewicht toegekend aan het zwaarwegende belang van de Stichting bij een voortvarende aansprakelijkstelling.
9.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
Onderdeel 1bevat klachten voor het geval de vaststelling van het hof in rov. 6.14.1 en 6.24 dat de Stichting meende daadwerkelijk in het belang van elk betrokken kind te handelen, aldus moet worden begrepen dat het hof daarmee het betoog van [verweerster] heeft verworpen dat de Stichting niet handelde in het belang van de kinderen en niet mocht menen dat zij dat deed, of de juistheid van dat betoog in het midden heeft gelaten.
10.Slotsom en afsluiting
destijdsom alle informatie had moeten vragen – in dat verband ‘al het mogelijke’ had moeten doen – waarvan we
nuvinden dat geadopteerden daarvan kennis moeten kunnen nemen, welke mening we
nuhebben omdat we
nuweten hoe groot het belang daarvan voor hen is, door de ervaringen van de grote groep van volwassen geadopteerden die inmiddels in ons land bestaat.