ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Staat voor onrechtmatige executies in Rawagedeh en verjaring
In deze zaak vorderen eisers een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de executies van mannen in Rawagedeh op 9 december 1947 en het niet-instellen van een gedegen strafrechtelijk onderzoek en vervolging. De rechtbank stelt vast dat de executies onrechtmatig zijn en erkend door de Staat, maar dat de vorderingen op grond van de executies strikt genomen verjaard zijn.
De rechtbank oordeelt echter dat het beroep op verjaring jegens de direct betrokkenen, namelijk de weduwen van de geëxecuteerde mannen en de gewonde eiser, onaanvaardbaar is op grond van redelijkheid en billijkheid gezien de ernst van de feiten en de erkenning daarvan. Voor nabestaanden van volgende generaties en andere vorderingen wordt het beroep op verjaring wel gehonoreerd.
De rechtbank wijst de vorderingen van de Stichting af wegens onvoldoende duidelijkheid over haar vertegenwoordigingsbevoegdheid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens afgewezen. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van de direct betrokken eisers, terwijl eiseres sub 8 en de Stichting worden veroordeeld in de proceskosten van de Staat.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de Staat aansprakelijk voor de executies jegens de direct betrokken eisers en wijst hun schadevorderingen toe, terwijl het beroep op verjaring jegens andere eisers wordt gehonoreerd.