ECLI:NL:HR:2006:AW2077
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Verzekeringskamer wegens tekortschieten toezicht op levensverzekeraar Vie d'Or
De zaak betreft een geschil tussen de Verzekeringskamer (thans De Nederlandsche Bank) en een stichting die de belangen behartigt van voormalige polishouders van de failliete levensverzekeringsmaatschappij Vie d'Or. De stichting vordert onder meer een verklaring voor recht dat de Verzekeringskamer onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig een stille bewindvoerder te benoemen, wat zou hebben geleid tot schade bij de polishouders.
De rechtbank wees de meeste vorderingen af, maar verklaarde de accountants onrechtmatig jegens bepaalde polishouders. Het hof oordeelde dat de Verzekeringskamer tekort was geschoten door niet tijdig in te grijpen, met name door het niet benoemen van een stille bewindvoerder in 1991, en achtte dit onrechtmatig jegens de polishouders. De Verzekeringskamer stelde cassatieberoep in.
De Hoge Raad stelt vast dat het toezicht van de Verzekeringskamer normatief en repressief is, met een grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid. De toetsing aan het handelen van de toezichthouder dient terughoudend te zijn, waarbij wordt beoordeeld of de Verzekeringskamer in redelijkheid tot haar besluiten heeft kunnen komen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij onder meer de beoordeling van het handelen van de Verzekeringskamer en het causale verband met de schade nader moet worden onderzocht.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdig en adequaat toezicht, maar erkent ook de beleidsvrijheid en de complexiteit van het toezichtsregime. De zaak betreft tevens de uitleg van wettelijke bepalingen omtrent aansprakelijkheid, relativiteit en de rol van de stichting als belangenbehartiger van polishouders.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.