Conclusie
4. Beoordeling
5.Beslissing
2.Beantwoording prejudiciële vragen
eerste vraagstaat op zichzelf, in die zin dat deze betrekking heeft op de invloed op de hiervoor bedoelde waardering van het naleven van de verplichting tot het beschikbaar stellen aan een huurder van het energieprestatiecertificaat op grond van art. 2.1 lid 3 van het Besluit energieprestatie gebouwen (hierna: Beg). Ik zal eerst de (Unierechtelijke) achtergrond van deze verplichting schetsen (2.7 e.v.) en vervolgens deze vraag eerst beantwoorden.
beschikbaarstellingvan het certificaat/-index/-label aan de huurder heeft volgens mij geen gevolgen voor het toetsingsverzoek ingediend bij de Huurcommissie van de
redelijkheid van de aanvangshuurprijs. De verplichting tot het beschikbaar stellen van een energielabel is een publiekrechtelijke verplichting van de eigenaar jegens de overheid. Zij rust niet op de verhuurder als zodanig (die geen eigenaar behoeft te zijn) [31] . De verplichting tot het
beschikbaar stellenvan het energieprestatiecertificaat/-index/-label aan de huurder staat los van het
beschikbaar zijnvan het certificaat (althans de energie-index of het energielabel)
voor de toetsing van de aanvangshuurprijs door de Huurcommissie. Dat lijkt mij een belangrijk hier te hanteren onderscheid. Registratie van een energieprestatiecertificaat/-index/-label betekent niet per definitie dat de huurder ook een afschrift ontvangt [32] . Er is een eigen, op zichzelf staand sanctieregime gecreëerd voor de terbeschikkingstellingsverplichting aan de huurder ter implementatie van de (herschikte) Richtlijn energieprestaties van gebouwen (zie 2.9). De sanctie voor dit niet beschikbaar stellen in de zin van art. 2.1 lid 3 Beg is dan ook in het licht van dit stelsel volgens mij
nietdat de waardering van de energieprestatie in het woningwaarderingsstelsel dan maar aan de hand van het bouwjaar moet gebeuren. Dat lijkt mij uitdrukkelijk niet de bedoeling. Dit sluit ook aan bij een aantal recente rechterlijke uitspraken [33] en, voor zover van belang, bij de visie van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening [34] .
kanworden gemaakt tussen woonruimte waarvoor de eigenaar een voor die woonruimte, overeenkomstig de op grond van artikel 120 van Pro de Woningwet gegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen, afgegeven energieprestatiecertificaat aan de huurder heeft verstrekt of indien dat niet het geval is daartoe op grond van die regels wel verplicht was, en overige woonruimte.” (Onderstreping toegevoegd, A-G)
voor de aanvangshuurprijstoetsingvan een zelfstandige woonruimte vervolgens
nietgebeurd (art. 5 aanhef Pro en onder a en bijlage I onder A).
nietvan belang is dat het energieprestatiecertificaat/-index/-label uiterlijk bij aanvang van de huurovereenkomst aan de huurder is
overhandigd of beschikbaar gesteld. Dat staat dus los van de vraag of er voorafgaand aan de aanvangshuurdatum een
opnameis gedaan voor de energieprestatie en of die prestatie vervolgens al dan niet tijdig in de vorm van een certificaat/index/label is
geregistreerd, aan welke kwesties we nu toekomen.
opnamevan de benodigde gegevens voor, en
registratievan, het energieprestatiecertificaat/-index/-label. Kort gezegd: kan zo’n certificaat/index/label nog meewegen in het woningwaarderingsstelsel indien deze opname en registratie geschieden ná de datum van ingang van de huurovereenkomst? Hier kan worden onderscheiden tussen opname enerzijds en registratie anderzijds, zoals ik zal uitwerken.
niette gebruiken voor het bepalen van de huurpunten voor het woningwaarderingsstelsel.
nietautomatisch werd geregistreerd bij het RVO. De registratie van de energie-index was bovendien
geen verplichting [46] . Dit is anders in het huidige systeem, waarin een energielabel wordt afgegeven na registratie in de officiële database ep-online.nl (art. 2 lid 2 Reg Pro) [47] .
werkelijke energieprestatievan de woning meetelt. Op die manier wordt recht gedaan aan de functie van de energieprestatie als onderdeel van het woningwaarderingsstelsel [48] .
beschikbaar isbij de toetsing van de aanvangshuurprijs, moet worden bezien of het certificaat een weergave vormt van de energieprestatie ten tijde van de ingangsdatum van de huurovereenkomst. Dat zal doorgaans het geval zijn indien de opnamedatum
vóór de ingangsdatumligt [49] . Dateert de opnamedatum van
ná de ingangsdatumvan de huur, dan zijn er twee smaken: de gemeten energieprestatie komt wel overeen met die op de ingangsdatum van de huur, of dat is niet het geval (omdat er na aanvang van de huur energieprestatieverbeterende maatregelen zijn getroffen aan verhuurderskant). Er zou dan kunnen worden uitgezocht of de gemeten energieprestatie hetzelfde was op de ingangsdatum van de huurovereenkomst (dat is een lijn in de lagere rechtspraak, die in 2.31 aan de orde komt). De vraag is of de regelgeving deze benadering toestaat. Die lijkt immers in zo’n situatie te dwingen tot een waardering van de energieprestatie op grond van het bouwjaar. Mogelijk werpt een onderzoek naar de ratio van de alternatieve waardering op grond van het bouwjaar hier licht op de zaak.
een pragmatische methodiekopnemen voor de bepaling van de energieprestatie gebaseerd op het bouwjaar van de woning.
Het bouwjaar wordt daarmee een gegeven dat voor een huurder en een verhuurder eenvoudig is op te vragen.
een pragmatische waarderingop basis van de onderstaande tabel.
Ik acht dit echter verdedigbaar omdat het puntenverschil in beginsel alleen leidt tot een lagere maximale huurprijs, en niet per definitie tot een huurprijsverlaging. Daarbij kan een verhuurder hierin voorts eenvoudig voorzien door de woning alsnog van een energielabel te laten voorzien.
Woonbond en Aedes hebben zich voor die gevallen kunnen vinden in een pragmatische waardering van energieprestatie op basis van het bouwjaar van de betrokken woning.De bouwregelgeving van een gegeven jaar bevatte immers al diverse eisen met een effect op de energieprestatie van een woning. De daaruit voortvloeiende waardering treft u aan in de bijlage1 bij deze brief.
3.1 Gevolgen voor verhuurders
Daar waar een verhuurder geen energieprestatiecertificaat heeft aangevraagd, omdat dat niet verplicht is op grond van het BEG, leiden de overgangsmaatregelen ertoe, dat een verhuurder tot 1 januari 2014 zijn huidige woningwaardering kan handhaven bij de bestaande huurovereenkomsten.
Daarbij geldt, dat de huurcommissie in een groot aantal gevallen op eenvoudige wijze de energieprestatie kan vaststellen, ofwel op grond van het afgegeven energieprestatiecertificaat, ofwel door deze te bepalen aan de hand van het bouwjaar.
Dat betekent dat indienbij aanvang van de huurovereenkomst geen WOZ-waarde beschikbaar is voor de verhuurde woning en
de hiervoor in 3.3.2 bedoelde nadere regels niet van toepassing zijn, op andere wijze de bij toepassing van het waarderingsstelsel te betrekken relevante waarde van de verhuurde woning moet worden bepaald. De relevante waarde van het gehuurde moet dan op objectieve en transparante wijze worden vastgesteld. Daarvoor bestaan verschillende mogelijkheden. […]
op de wijze als hiervoor in 3.3.4 weergegeven.”
niet geregelde gevallen. Dat is dus een
anderuitgangspunt dan in de onderhavige energieprestatieproblematiek, omdat daar
alle gevallenworden gevangen door de nadere bouwjaarregel die het waarderingsstelsel geeft bij gebreke van een tijdig energielabel. Dat bouwjaar is er
in alle gevallen, en niet
in bepaalde gevallen, zoals in de verwante WOZ-waardeproblematiek. Analoge toepassing van het geclausuleerde redelijkheidsoordeel uit de prejudiciële WOZ-waardezaak ligt dan volgens mij hier
nietzo voor de hand, omdat dat zag op een andere, zich in de energieprestatiekwestie niet voordoende situatie, waarin een hiaat in de regelgeving werd gerepareerd. Zo’n hiaat doet zich bij de energielabelproblematiek niet voor. In lijn met NJ-annotator Huydecoper [58] meen ik dat nu de bedoeling van de regelgever in het voorgelegde geval duidelijk blijkt, de nu voorliggende zaak van de energielabels
nieteenzelfde kant op zou moeten gaan als in de prejudiciële WOZ-waarde zaak, maar tot een ander oordeel op basis van (de tekst van) de regeling zou moeten leiden – maar daarover is natuurlijk verschil van inzicht mogelijk. Ik citeer de laatste alinea van punt 9 van Huydecopers annotatie:
wanneer de regelgever duidelijk blijk heeft gegeven van een andere bedoeling, ook als die bedoeling slecht spoort met wat de regeling overigens lijkt te beogen en/of met de redelijkheid, sla ik dan ook bepaald niet als denkbeeldig aan. […]” (onderstreping toegevoegd, A-G)
nuanceringsmogelijkheid, die in mijn analyse binnen de grenzen van het binaire systeem blijft en de kernpunten daarvan geen geweld aan doet. Ik zie ruimte voor nuancering van de harde regel uit het binaire systeem ‘geen tijdig label, dan bouwjaar’, als sprake is van een combinatie van de volgende twee situaties: (1) vóór of uiterlijk op de ingangsdatum van de huurovereenkomst zijn de
gegevensvoor de energieprestatie van de woning
opgenomenén (2) een daarop gebaseerd(e) certificaat/index/label is
ten tijde van de toetsing door de Huurcommissie of de kantonrechteral beschikbaar (hetgeen dus, zoals bij de beantwoording van vraag 1 is besproken, iets anders is dan: aan de huurder overhandigd of beschikbaar gesteld uiterlijk per ingangsdatum huurovereenkomst). Voor die gevallen kan mijns inziens toch worden aangeknoopt bij het energiecertificaat/-index/-label en behoeft niet te worden uitgegaan van de bouwjaarregel.
aan de hand van de toestand op de datum van ingang van de huurovereenkomst. Die materiële toestand van de energieprestatie wordt in beginsel weergegeven door een energiecertificaat/-index/-label dat is gebaseerd op een gegevensopname uiterlijk op de datum van ingang van de huurovereenkomst. In de huidige regelgeving is dit bevestigd door de wijziging van het zevende lid van art. 2.1 Beg per 1 januari 2021: een energielabel is geldig gedurende tien jaar na de datum van
opname van de gegevens voor de afgifte ervan. [59] Bij CvA/CvE rec 17 [60] suggereert [verweerster] overigens dat de opnamedatum een arbitraire datum zou zijn die niet altijd zou overeenkomen met de feitelijke opnamedatum. Als dat in een bepaald geval aan de orde mocht zijn, dan staat het partijen uiteraard vrij om dat bij de toetsingsinstantie aan te kaarten.
op het moment van toetsingvan de huurprijs door de aangezochte instantie. Het pragmatische oogmerk van de regeling wordt bij toepassing van bedoelde nuancering geen geweld aangedaan, omdat de toetser gelet op de opnamedatum eenvoudig kan uitgaan van een energiecertificaat/-index/-label dat in beginsel de energieprestatie op de ingangsdatum van de huurovereenkomst weergeeft.
energie-index(van ná 1 januari 2015 tot 1 januari 2021, de relevante periode uit de onderhavige zaak) geldt dat deze niet verplicht geregistreerd hoefde te zijn, zoals we hebben gezien in 2.22. Dat vormt een complicatie.
Registratiekan in zo’n stelsel dunkt mij dan ook geen vereiste zijn voor - althans niet gelijk gesteld worden aan - het
beschikbaar zijnvan die index voor de aanvangshuurprijstoetsing. De index kan in dat niet verplichte registratiestelsel ook op andere wijze beschikbaar zijn dan via registratie op ep-online.nl (bijv. door afgifte van een energie-index rapport door de ingeschakelde expert, zie hiervoor in 2.19 en het citaat in 1.6 waaruit blijkt dat in onze zaak een dergelijk rapport is overgelegd bij de Huurcommissie – hoewel dat in het door mij bepleite systeem hier niet zou helpen, omdat de opname door de expert dateert van na aanvang van de ingang van de huur). De Huurcommissie houdt echter voor zover ik heb kunnen nagaan tot op heden vast aan de waardering op grond van het bouwjaar in gevallen waarin de energie-index niet is geregistreerd op de ingangsdatum van de huurovereenkomst [61] , [62] .
huidige systeem van verplichte registratievoor een energielabel van de RVO ligt dit lijkt mij
anders. Dan is naar voorkomt wel te rechtvaardigen dat de toetsende instantie naar de registratie kijkt voor wat betreft het beschikbaar zijn van het label. Registratie zal dan moeten zijn gebeurd vóórdat de toetsende instantie de behandeling van de zaak over de aanvangshuurprijs afrondt (dat wil zeggen: vóór het moment dat nog feitelijkheden kunnen worden bijgebracht).
tijdig voorafgaandaan de ingangsdatum van de huur
verricht zijn van de opnameformaliteitenvoor het energielabel, eerder dan op het dan ook
daadwerkelijk voorhanden zijnvan het certificaat/index/label, voorkomt ook dat de verhuurder de dupe wordt van niet in diens invloedssfeer liggende factoren voor het later ter beschikbaar komen van de registratie van het certificaat/index/label, bijvoorbeeld door vertraging aan de zijde van de ingeschakelde deskundige. Ter illustratie van zo’n eventualiteit wijs ik op de feiten in de onderliggende zaak: tussen opname en registratie (overigens hier beide ná aanvang van de huur, maar dat terzijde) zit ongeveer een maand.
opnamedatum ligt ná de ingangsdatum van de huurovereenkomstzie ik de hiervoor bepleite nuanceringsruimte voor de aanvangshuurprijstoetsing zodoende niet. De beoogde eenvoud van de regeling is daar niet mee te rijmen, omdat een dergelijk label niet direct een voldoende mate van zekerheid kan bieden over de energieprestatietoestand op de ingangsdatum van de huurovereenkomst. Het lijkt bovendien niet onredelijk om de (tijdige)
opnamedatumin de risicosfeer van de verhuurder te leggen als deze beloond wil worden voor gedane investeringen ter verbetering van de energieprestatie van het verhuurde in de vorm van een hoger puntenaantal. Een waardering op basis van het bouwjaar, waar dan op wordt teruggevallen, is dan een voorzienbaar gevolg voor de verhuurder [63] . Dit kan inderdaad tot materieel onbillijke resultaten leiden [64] , maar dat is de consequentie van het door de regelgever beoogde praktisch eenvoudig hanteerbare systeem.
uitzonderlijke gevallen door de Huurcommissie van dit stelsel kan worden afgeweken(art. 5 lid 2 Bhw Pro). Die noodrem is niet van tafel, maar moet gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van het stelsel lijkt mij een uitzondering blijven. Het is aan de toepassingspraktijk om die uitzonderingsgevallen te ontwikkelen.
de tweede tot en met de vijfde vraagluidt met inachtneming van het voorgaande, dus met inbegrip van de bepleite nuanceringen, wat mij betreft dan als volgt:
energie-indexmoet worden meegenomen in de beoordeling, zodat dan niet wordt teruggevallen op de bouwjaarregel. Registratie van de energie-index is geen vereiste. Naar huidig recht geldt dat een
energielabelpas wordt afgegeven ná registratie. Die registratie zal dan in de praktijk uiterlijk moeten geschieden vóór het moment dat geen feiten meer mogen worden aangevuld bij de instantie die de aanvangshuurprijstoets uitvoert. Ook dan wordt voor de puntentelling uitgegaan van het energielabel en wordt niet teruggevallen op de bouwjaarregel.
toetsing van de aanvangshuurprijs(art. 11 Uhw Pro) en
nietom
toetsing van een huurprijsverhoging(art. 13 Uhw Pro) of
huurprijsverlaging(art. 14 Uhw Pro). Deze zesde vraag is, net als overigens de andere vragen, één-op-één overgenomen van het voorstel tot het stellen van prejudiciële vragen van [verweerster]. De kantonrechter heeft hierover overwogen:
geen eigen oordeelvormt over de energieprestatie van de woonruimte, indien de eigenaar een voor die woonruimte conform art. 120 Woningwet Pro afgegeven ‘energieprestatiecertificaat’ aan de huurder heeft verstrekt [69] . Dus de eerste vraag moet in art. 13 Uhw Pro kwesties sowieso al anders worden beantwoord dan hiervoor voorgesteld bij art. 11 Uhw Pro toetsing. Zonder nadere gevalsgegevens van concrete art. 13/14 Uhw zaken valt niet goed te overzien wat de consequenties zijn van al dan niet analoge beantwoording van de onderhavige in de sleutel van art. 11 Uhw Pro gestelde vragen. Hooguit zou nog kunnen worden volstaan met het niet erg bevredigende antwoord op vraag 6 dat de voorgaande antwoorden
nietonverkort gelden voor procedures op grond van art. 13/14 Uhw, maar dat bepleit ik als gezegd niet; het lijkt mij prudenter die vraag niet in deze zaak te beantwoorden.