Conclusie
Ter voorkoming van verdere verzwaring van de bestaande werklast van de overheid en rechterlijke macht is ervoor gekozen in dit besluit geen expliciete bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingssancties op te nemen. (...)”. Door de Staat is aan (de rechtsvoorganger van) EnergyClaim te kennen gegeven dat voor het niet-opnemen van een sanctioneringssysteem ook is gekozen om de administratieve lasten voor burgers en bedrijven in verband met het verplicht hebben van een energielabel te beperken.
2.Procesverloop
3.Het cassatiemiddel
4.Juridisch kader
Peter Paul). [25]
Danske Slagterier [26] en
Jutta Leth. [27]
Danske Slagteriervordert een brancheorganisatie van Deense slachthuizen en varkenshouders schadevergoeding omdat Duitsland in strijd met de richtlijn betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in handel brengen van vlees [28] en de richtlijn inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt [29] had gehandeld door de import van Deense niet-gecastreerde mannelijke varkens te verbieden. [30] Daaromtrent overwoog het HvJEU als volgt:
Jutta Lethbetreft de aansprakelijkheid van Oostenrijk voor de waardevermindering van een woning door lawaai van een nabijgelegen vliegveld, dat was uitgebreid zonder de door de MEB-richtlijn [32] voorgeschreven milieueffectbeoordeling. [33] Het HvJEU overwoog:
Peter Paul). Een voorbeeld hiervan is het arrest
Duwbak Linda, waarin is geoordeeld dat enige regelingen op het gebied van het bevorderen van de veiligheid van het scheepvaartverkeer niet strekken tot bescherming van dergelijke individuele vermogensbelangen. [39]
Jutta Leth). Zo is de zaak
Gemeente Barneveld/Gasuniegeoordeeld dat Gasunie een afgeleid belang had van een planvoorschrift dat strekte tot bescherming van de belangen van omwonenden en gebruikers van gebouwen en terreinen rond een aardgastransportleiding. [40]
5.Onderdeel 1 (rechten aan particulieren toekennen)
subonderdelen 1.1 en 1.2(de subonderdelen 1.3 en 1.4 klagen over een afzonderlijke overweging in rov. 30). Ik bespreek de klachten van deze subonderdelen na een weergave van de relevante delen van de (herziene) EPB-richtlijn en van de bestreden rechtsoverwegingen
de eisen inzake milieubeschermingmoeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Gemeenschap.
natuurlijke hulpbronnenwaarvan het behoedzame en rationele gebruik in artikel 174 van Pro het Verdrag is vermeld, omvatten aardolieproducten, aardgas en vaste brandstoffen die essentiële energiebronnen, maar tevens de belangrijkste
emissiebronnen van kooldioxide zijn
Verbetering van de energie-efficiëntievormt een belangrijk onderdeel van het beleid en de maatregelen die nodig zijn ter naleving van het Protocol van Kyoto, en moet deel uitmaken van elk geheel van maatregelen om aan verdere verbintenissen te voldoen.
hoger energieverbruiken derhalve tot meer
uitstoot van kooldioxidedoor deze sector zal leiden.
Er is echter een aanvullend wettelijk instrument nodig om concretere acties vast te stellen teneinde het aanzienlijke, nog niet gerealiseerde potentieel voor energiebesparingen te benutten en de grote verschillen tussen de resultaten van de lidstaten in deze sector te verminderen.
gering energieverbruik voldoendeis om het thermische comfort van de bewoners te verzekeren.
uit te voeren door gekwalificeerd personeel en/of erkende deskundigen, wier onafhankelijkheid op basis van objectieve criteria wordt gegarandeerd, zal bijdragen tot gelijke voorwaarden wat betreft de inspanningen die in de lidstaten worden gedaan om energie in de gebouwensector te besparen
en zal toekomstige eigenaars of gebruikers duidelijkheid verschaffen over de energieprestaties op de communautaire onroerendgoedmarkt.
certificeringkan ondersteund worden door programma's ter vergemakkelijking van een gelijke toegang tot verbeterde energieprestaties, gebaseerd worden op overeenkomsten tussen organisaties van belanghebbenden en een door de lidstaat aangewezen instantie, of
uitgevoerd worden door energieservicefirma's die bereid zijn zich ertoe te verbinden de vastgestelde investeringen te doen. De controle en follow-up van de regelingen dient te worden uitgevoerd door de lidstaten. Deze moeten tevens de toepassing van stimuleringsmaatregelen vergemakkelijken. Het certificaat zou zoveel mogelijk de bestaande energieprestatiesituatie van het gebouw moeten beschrijven en kan dienovereenkomstig herzien worden. (…)”
aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of huurder, naar gelang van het geval, een energieprestatiecertificaat wordt verstrekt. Het certificaat is niet langer dan tien jaar geldig. (…)
consumentende energieprestatie van gebouwen kunnen vergelijken en beoordelen. Het certificaat gaat vergezeld van aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie. (…)
op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigendie hetzij zelfstandig hetzij in dienst van een openbaar of particulier orgaan optreden.
. Samen met een groter gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen zullen maatregelen ter vermindering van het energieverbruik in de Unie de Unie in staat stellen om te voldoen aan het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), alsmede om zowel haar toezegging om de aardopwarming op lange termijn onder de 2 °C te houden, na te komen als haar toezegging om de totale broeikasgasemissies in 2020 ten opzichte van 1990 te verlagen met ten minste 20 %, en met 30 % in geval een internationale overeenkomst tot stand komt. Een vermindering van het energieverbruik en een groter gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen spelen ook een belangrijke rol bij het versterken van de energievoorzieningszekerheid, het bevorderen van technologische ontwikkelingen en
het scheppen van werkgelegenheid en kansen voor regionale ontwikkeling, met name in plattelandsgebieden.
energiebesparingen in gebouwente benutten en de grote verschillen tussen de resultaten van de lidstaten in deze sector te verminderen.
het energieverbruik op lange termijn. (…)
energie-efficiënteris en zodoende zowel
het energieverbruik als de kooldioxide-uitstoot omlaag brengt. Daartoe dienen de lidstaten nationale plannen op te stellen, om te zorgen voor een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen ende Commissie regelmatig verslag uit te brengen over die plannen.
uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigen, wier onafhankelijkheid op basis van objectieve criteria wordt gegarandeerd, zal bijdragen tot gelijke voorwaarden wat betreft de inspanningen die in de lidstaten worden gedaan om energie in de bouwsector te besparen en zal toekomstige eigenaars of gebruikers duidelijkheid verschaffen over energieprestatie op de uniale vastgoedmarkt. Om de kwaliteit van de energieprestatiecertificaten en van de controle van verwarmings- en airconditioningsystemen in de gehele Unie te garanderen, dient in iedere lidstaat een onafhankelijk controlemechanisme te worden opgezet.
de energiecertificering van gebouwen of gebouwunits;
de eigenaars of huurdersvan het gebouw of van een gebouwunit de energieprestatie ervan kunnen vergelijken en beoordelen. (…)
op onafhankelijke wijze worden uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigendie hetzij zelfstandig hetzij in dienst van een openbaar orgaan of particuliere onderneming optreden.
Danske Slagterier(ECLI:EU:C:2009:178) en
Jutta Leth(ECLI:EU:C:2013:166) meebrengt dat ook de gestelde omzetderving van de EPA adviseurs binnen de beschermingsdoelstelling van de EPB-richtlijnen valt. In dat verband heeft Energyclaim c.s. aangevoerd dat de schade geleden door de EPA adviseurs een “rechtstreeks economisch gevolg” is van de niet tijdige en onjuiste toepassing van de richtlijnen.
Danske Slagterierals in het arrest
Jutta Lethwas er een zodanige nauwe samenhang tussen de doelstelling van de geschonden norm (bevordering van de intracommunautaire handel in vers vlees, respectievelijk bescherming van het milieu en de kwaliteit van het bestaan), enerzijds, en de belangen van eisers (invoer van vers vlees, respectievelijk behoud van de waarde van een woning), anderzijds, dat de beschermingsdoelstelling van de norm zich mede tot die belangen kon uitstrekken. In het onderhavige geval ontbreekt die nauwe samenhang. Weliswaar kan de niet tijdige of onjuiste invoering van de EPB-richtlijnen leiden tot een omzetderving van EPA-adviseurs, maar er is geen nauwe samenhang tussen de belangen van deze bedrijven en de doelstelling van de EPB-richtlijnen om het energieverbruik terug te dringen door de energieprestatie van gebouwen te verbeteren. Het gaat hier veeleer om indirecte economische gevolgen, die op één lijn kunnen worden gesteld met de concurrentienadelen genoemd door het HvJ EU in het arrest
Jutta Leth.”
subonderdeel 1.1van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de ontstaansgeschiedenis en de bepalingen van de EPB-richtlijnen (zoals nader genoemd in het subonderdeel) moet worden afgeleid dat deze richtlijnen mede tot doel hebben een markt voor gekwalificeerde, onafhankelijke energiebesparingsexperts te creëren en stimuleren, zodat het beschermingsbereik van de richtlijn zich tevens uitstrekt tot de belangen van deze deskundigen, zoals de participanten van EnergyClaim.
subonderdeel 1.2is onjuist het oordeel in rov. 29 [43] dat de schade van EnergyClaim c.s. niet als een rechtstreeks gevolg van de niet tijdige en onjuiste toepassing van de richtlijnen kan gelden, nu er geen nauwe samenhang is tussen de belangen van EnergyClaim c.s. en de doelstelling van de EPB-richtlijnen. Het subonderdeel beroept zich daarbij op de arresten
Danske Slagterieren
Jutta Lethvan het HvJEU. Voorts is het oordeel dat er geen nauwe samenhang is tussen de belangen van EnergyClaim c.s. en de doelstelling van de EPB-richtlijnen onbegrijpelijk, aldus subonderdeel 1.2.
doelis van de EPB-richtlijnen (subonderdeel 1.1) of althans, indien dat geen doel is, een
belangdat mede wordt beschermd door de doelen van deze richtlijnen (subonderdelen 1.1 (slot) en 1.2). Aldus zouden de EPA-adviseurs direct of indirect door de EPB-richtlijnen worden beschermd.
middelom de doelstellingen van de richtlijnen te bereiken. Weliswaar kan te late of onjuiste invoering van de richtlijnen leiden tot omzetderving van de EPA-adviseurs, maar dat is niet een ‘rechtstreeks economisch gevolg’ als bedoeld in het arrest
Jutta Leth(rov. 29).
subonderdeel 1.1aanvoert, dat de EPB-richtlijnen niet mede tot doel hebben om een markt voor gekwalificeerde, onafhankelijke adviseurs te creëren en te stimuleren. De grondslagen van beide richtlijnen in de Verdragen, de bewoordingen van de richtlijnen en daarin tot uitdrukking gebrachte doelstelling geven geen grond voor de veronderstelling dat deze richtlijnen tot doel hebben deze markt in het leven te roepen.
subonderdeel 1.2is onjuist het oordeel in rov. 29 dat er geen nauwe samenhang is tussen de belangen van EnergyClaim c.s. en de doelstelling van de EPB-richtlijnen en miskent het hof dat het (soepel toe te passen) Unierechtelijke relativiteitsvereiste op grond van
Danske Slagterieren
Jutta Lethmet zich brengt dat ook schade die wordt geleden door benadeelden wier belangen zo nauw samenhangen met de hoofddoelstelling van de geschonden Unierechtelijke norm dat zij daar ook rechten aan kunnen ontlenen, voor vergoeding in aanmerking komt.
Danske Slagterieren
Jutta Lethonderzocht. Subonderdeel 1.2 stelt de rechtsvraag aan de orde of het belang van de EPA-adviseurs om een bepaalde omzet te kunnen behalen zo nauw samenhangt met de doelstelling van de EPB-richtlijnen dat dit belang mede door die richtlijnen wordt beschermd. De motiveringsklacht behoeft daarbij geen afzonderlijke behandeling, omdat het hof in rov. 29 alleen een rechtsoordeel geeft.
Danske Slagteriermijns inziens niet behulpzaam. In die zaak werd immers het beschermingsbereik van de toepasselijke richtlijn bepaald in samenhang met een Verdragsbepaling die rechten aan particulieren toekent (art. 28 VEG Pro, thans art. 34 VWEU Pro). In het licht van deze Verdragsbepaling – die, zoals de Staat (s.t. nr. 7.2.13) terecht opmerkt, onmiskenbaar ziet op economische belangen van marktdeelnemers – werd het in de richtlijn vervatte verbod aan de lidstaat om de invoer van vers vlees te verbieden op andere dan in de richtlijn genoemde gronden, gelezen als een bepaling die aan handelaren juist het recht toekende vlees te importeren indien die gronden zich niet voordeden. In het onderhavige geval bieden de grondslag waarop de EPB-richtlijnen berusten noch deze richtlijn zelf aanknopingspunten voor de gedachte dat zij mede de economische belangen van de EPA-adviseurs zouden dienen. EnergyClaim c.s. (repliek nr. 12) verwijzen in dit verband naar hun opvatting dat de EPB-richtlijnen mede ertoe strekken om een markt voor energieprestatiecertificaten te creëren, maar die opvatting is n.m.m. niet juist (zie de bespreking van subonderdeel 1.1).
Jutta Lethstelt het HvJ in rov. 34-36 (i) het doel van de richtlijn voorop (o.m. de milieueffecten van een project moeten worden beoordeeld teneinde rekening te houden met het streven via een beter milieu bij te dragen tot de kwaliteit van het bestaan); (ii) legt het een verband tussen de blootstelling aan lawaai en deze doelstelling (dat een door dit lawaai getroffen woning haar functie minder goed kan vervullen en dat het milieu van de mens, de kwaliteit van zijn bestaan en eventueel zijn gezondheid worden aangetast); (iii) verbindt het aan dit verband de gevolgtrekking dat een vermindering van de waarde van het huis een rechtstreeks economisch gevolg van dergelijke milieueffecten kan zijn; en (iv) concludeert het dat de voorkoming van vermogensschade onder de beschermingsdoelstelling van richtlijn 85/337 valt voor zover deze schade het rechtstreekse economische gevolg van de milieueffecten van een openbaar of particulier project.
Jutta Lethstond de geleden schade (de waardevermindering van het huis) in rechtstreeks verband met één van milieueffecten van het project waarop de MEB-richtlijn ziet (lawaai) en daarmee in nauw verband met de doelstelling van die richtlijn. Het aangetaste economische belang van mevrouw Leth (waardevermindering door lawaai) was een financiële verschijningsvorm van het door de richtlijn beschermde belang (lawaai). Dit economische belang lag in het verlengde van de milieubelangen die deze richtlijn beoogt te beschermen, zodat de bescherming ervan nog voortvloeide uit de doelstelling van de richtlijn.
Jutta Lethbedoelde concurrentienadelen. Duijkersloot, Widdershoven en Jans schrijven: [50]
Leth, omdat – anders dan in
Leth– die certificeringsdeskundigen uitdrukkelijk in de richtlijnen zijn voorzien en hun activiteiten toch bedoeld lijken te zijn om een bijdrage te leveren aan de door die richtlijnen beoogde energiebesparing.”
Jutta Leth, zich meer laat vergelijken met de positie van de partijen die concurrentienadelen (omzetschade) leiden, dan met de positie van degene wiens economisch belang nog door de richtlijn wordt beschermd.
Jutta Lethbedoelde concurrentienadelen, maar om de betekenis van de rol van de certificeringsdeskundigenadviseurs (de EPA-adviseurs) in de EPB-richtlijnen.
Danske Slagterieren)
Jutta Lethdat de rol van de certificeringsdeskundigenadviseurs (de EPA-adviseurs) in de EPB-richtlijnen meebrengt, dat er een dusdanige samenhang bestaat tussen hun economische belangen en de doelstelling van de EPB-richtlijnen, dat moet worden aangenomen dat deze richtlijnen mede die belangen dienen?
parallelkunnen lopen met de uitvoering van de EPB-richtlijnen.
beogende economische belangen van de EPA-adviseurs te beschermen of dat de bescherming van die belangen
voortvloeit uitof
in het verlengde ligtvan de doelstelling van de EPB-richtlijnen. Het enkele
parallelkunnen lopen van de omzetbelangen van de EPA-adviseurs en de uitvoering van de EPB-richtlijnen legt geen verband tussen het belang van de deskundigen bij het behalen van een bepaalde omzet en de belangen die de EPB-richtlijnen gezien hun doelstelling beogen te beschermen (vgl. ook de s.t. Staat nr. 7.2.16). Een dergelijk verband moet er echter wel zijn, om te kunnen verklaren waarom het belang van de EPA-adviseurs om een bepaalde omzet te behalen zou voortvloeien uit of in het verlengde zou liggen van het belang van een verbeterde energieprestatie van gebouwen. [52] Het beroep op (
Danske Slagterieren)
Jutta Lethgaat naar mijn mening dan ook niet op.
subonderdeel 1.2faalt.
subonderdeel 1.3miskent het hof dat het criterium voor een voldoende afgebakende groep tot het Nederlandsrechtelijke relativiteitsvereiste behoort en niet tot het Unierechtelijke vereiste om rechten aan particulieren te verlenen. Volgens
subonderdeel 1.4is het oordeel dat de groep bedrijven waarvoor EnergyClaim c.s. opkomt niet goed kan worden afgebakend onbegrijpelijk gemotiveerd.
Duwbak Linda(een geval van toezichthouderaansprakelijkheid) zijn oordeel dat bepaalde regelgeving niet strekte tot bescherming van het individuele vermogensbelang van derden die schade lijden doordat een onvoldoende zorgvuldig gekeurd schip een ongeval veroorzaakt, mede met de overweging dat deze regelgeving niet de strekking heeft een in beginsel onbeperkte groep van derden te beschermen tegen de vermogensschade die op een vooraf veelal niet te voorziene wijze kan ontstaan. [55] Dit impliceert naar mijn mening niet dat, omgekeerd, voor aansprakelijkheid in het algemeen vereist is dat de geschonden norm ertoe zou moeten strekken een ‘beperkte groep van derden’ te beschermen.
Francovichop bepaalde werknemers, [56] die in de zaak
Dillenkoferop gestrande reizigers, [57] en die in de zaak
Jutta Lethop bepaalde omwonenden van bepaalde projecten. In zoverre onderschrijf ik het standpunt van de Staat (s.t. nr. 7.2.22). En ook in het Unierecht zijn voorbeelden te vinden (zoals de zaken
Peter Paulen
Schmitt/TÜV) waarin de beschermingsstrekking van een norm voor toezichthouders niet geacht werd mede individuele vermogensbelangen te omvatten.
subonderdelen 1.3 en 1.4kunnen echter niet tot cassatie leiden, omdat zij zich richten tegen overwegingen die het hof, gezien zijn overweging “Daar komt het volgende bij”, ten overvloede heeft gegeven.
6.Onderdeel 2 (het relativiteitsvereiste)
Gemeente/Barneveld/Gasuniebestaat tussen het door de EPB-richtlijnen nagestreefde algemene belang van het terugdringen van het energieverbruik en de belangen van EnergyClaim c.s. geen nauwe samenhang. De belangen van EnergyClaim c.s. kunnen ook niet worden vereenzelvigd met de belangen van de eigenaars en gebruikers van gebouwen, die mede door de EPB-richtlijnen worden gediend (rov. 35).
Fabricom IIgaat evenmin op. Anders dan door EnergyClaim c.s. wordt bepleit, zijn certificeringsdeskundigen niet te beschouwen als materieel begunstigden van de EPB-richtlijnen. Zij kunnen wel profiteren van de uitvoering van die richtlijnen, maar dat is slechts een neveneffect en niet het doel van die richtlijnen (rov. 36).
Hangmat [58] en
Imagine [59] heeft gehanteerd om de reikwijdte van kwalitatieve aansprakelijkheden te bepalen. Reeds op grond van de tekst van de EPB-richtlijnen kan worden vastgesteld dat met deze richtlijnen niet wordt beoogd de belangen te dienen van de bedrijven waarvoor EnergyClaim c.s. opkomt (rov. 37).
subonderdeel 2.1onjuist, voor zover het hof de maatstaf uit het arrest
Barneveld/Gasuniemiskent.
subonderdeel 2.2aanvoert, onbegrijpelijk in het licht van de rov. 27 en 29 waarnaar het hof (kennelijk) verwijst.
Gemeente Barneveld/Gasunie, reeds omdat het daarbij gaat om het eventuele bestaan van een zorgvuldigheidsnorm en niet om het geschonden planvoorschrift. In rov. 35 onderzoekt het hof de strekking van de gestelde gebrekkige omzetting van de EPB-richtlijnen. In rov. 38 e.v. onderzoekt het hof de door EnergyClaim c.s. gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm. Ook deze klacht dient te falen.
subonderdeel 2.3dat het oordeel van het hof – mede in het licht van hetgeen is aangevoerd in subonderdeel 1.1 – uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens de klacht worden de EPA-adviseurs als onontbeerlijk voor de uitvoering van de richtlijnen gezien in zowel de richtlijn zelf, als in de
travaux préparatoiresdaarvan. Daarom valt niet in te zien waarom de door EnergyClaim c.s. geopperde analogie met het arrest
Fabricom II [60] niet opgaat, aldus de klacht.
Fabricom IIbetrof een geval waarin de Staat onrechtmatig had gehandeld door op 28 oktober 2005 via zijn website mee te delen dat het na 9.00 uur zinloos was een aanvraag voor een ESF-subsidie in te dienen, en door zowel telefonisch als per e-mail aan OTIB en SBK mee te delen dat het niet meer mogelijk en zelfs niet meer was toegestaan om na dit tijdstip nog een subsidieaanvraag in te dienen. Volgens de geldende regels was het Fabricom niet toegestaan zelf de subsidie aan te vragen, maar diende OTIB dit voor haar te doen. De subsidie zou echter ten goede komen aan Fabricom en zij was derhalve als begunstigde en materiële aanvrager aan te merken. De Hoge Raad oordeelde (i) dat het hof Fabricom als de “materiële aanvrager” of “begunstigde” kon aanduiden en (ii) dat het hof kon oordelen dat de Staat door het doen van die mededelingen jegens (ook) Fabricom een zorgvuldigheidsnorm heeft kunnen schenden, ook indien de voorschriften van art. 4:27 en Pro 4:42 Awb uitsluitend betrekking hebben op de belangen van degenen die de aanvraag mochten indienen.
Fabricom IIvolgt dat sprake kan zijn van uit een norm afgeleide belangen, faalt het om dezelfde redenen als de subonderdelen 2.1 en 2.2. Daarbij merk ik op dat het hof in deze overweging nog niet de door EnergyClaim c.s. gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm bespreekt (vgl. de repliek nr. 18).
subonderdeel 2.4is onjuist het oordeel in rov. 37 dat uit de tekst van de richtlijnen, kort gezegd, niet volgt dat wordt beoogd de belangen te dienen van de bedrijven waarvoor EnergyClaim c.s. opkomt.
subonderdeel 2.5) en (ii) dat door EnergyClaim c.s. onvoldoende gemotiveerd is gesteld waarom de maatschappelijke opvattingen meebrengen dat het beschermingsbereik van de richtlijnen zich uitbreiden tot de belangen van de partijen waarvoor EnergyClaim opkomt (
subonderdeel 2.6).
7.Onderdeel 3 (zorgvuldigheidsnorm, correctie Langemeijer)
subonderdeel 3.1geven de rov. 40-44 blijk van een onjuiste toepassing van de correctie Langemeijer omdat het hof zich ten onrechte beperkt tot een oordeel over de vraag of het handelen en nalaten van de Staat een schending van het vertrouwens- en/of zorgvuldigheidsbeginsel oplevert, terwijl het hof een veel bredere maatstaf had moeten aanleggen namelijk of de Staat jegens EnergyClaim c.s. met de schending van de wettelijke (Unierechtelijke) norm gelet op alle omstandigheden van het geval tevens een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden die wel strekt tot bescherming van het belang van EnergyClaim c.s. Althans verzuimt het hof te beoordelen of al dan niet (doorslaggevend) gewicht toekomt aan het feit dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de EPB-richtlijnen niet en/of onjuist te implementeren. Althans heeft het hof op deze wijze zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd aldus, samengevat,
subonderdeel 3.2.
Tandartsen-arrest biedt hiervan een voorbeeld. [63] De wettelijk vereiste beroepskwalificatie beschermt niet het belang van gekwalificeerde tandartsen om geen concurrentie te ondervinden van een niet-gekwalificeerde ‘tandarts’. Deze laatste handelt echter jegens de wel gekwalificeerde tandartsen in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die oneerlijke concurrentie verbiedt, omdat hij zich niet de moeite en opoffering heeft getroost om de wettelijk vereiste beroepskwalificatie te behalen en zich zo een oneerlijk voordeel verschaft.
subonderdelen 3.3, 3.7, 3.10 en 3.12betreffen de beleidsvrijheid van de Staat.
Subonderdeel3.3 berust daarom op een onjuiste lezing van het arrest en dient te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdelen 3.7 en 3.10.
subonderdeel 3.12dat klaagt dat rov. 45 berust op een onbegrijpelijke lezing van de gedingstukken, omdat EnergyClaim c.s. ook hebben gewezen op Aanwijzing voor de regelgeving 26, waaruit blijkt dat de Staat bij de implementatie van richtlijnen, behoudens op ondergeschikte punten, geen beleidsvrijheid heeft. EnergyClaim c.s. hebben inderdaad op deze aanwijzing gewezen, maar daaruit volgt niet − anders dan het subonderdeel betoogt − dat miskenning van die aanwijzing het hof heeft gebracht tot het onjuiste uitgangspunt dat de Staat bij de implementatie van de EPB-richtlijnen de vrijheid heeft wet- en regelgeving te wijzigen. Het oordeel van het hof over de gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm (c.q. de correctie Langemeijer) berust immers niet op een dergelijk uitgangspunt, maar op zijn overwegingen over de gestelde schendingen van het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
subonderdelen 3.4, 3.5 en 3.6bestrijden het oordeel in rov. 42 dat geen gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt bij de EPA-adviseurs.
subonderdeel 3.5heeft het hof in rov. 42 zijn beoordelingskader ten aanzien van de vraag of de Staat bepaalde gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt op onbegrijpelijke wijze versmalt, door zich te beperken tot beantwoording van de vraag of de Staat gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt dat een bepaalde omzet zou kunnen worden behaald met de energieprestatiecertificering en aldus aan bepaalde essentiële stellingen van EnergyClaim c.s. voorbij te gaan.
subonderdelen 3.8 en 3.9zien op rov. 43. Hierin herhaalt het hof de m.i. onjuiste gedachte dat de EPA-adviseurs geen afgebakende groep vormen (zie bij de bespreking van de subonderdelen 1.3. en 1.4).
subonderdelen 3.8 en 3.9kunnen echter niet tot cassatie leiden, omdat zij zich richten tegen overwegingen die het hof, gezien zijn overweging “Daar komt het volgende bij”, ten overvloede heeft gegeven.
subonderdeel 3.11maakt rov. 44 onvoldoende inzichtelijk waarom dat het oordeel van de Nationale Ombudsman onvoldoende is om een schending van het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel aan te nemen.
subonderdeel 3.13eveneens.