Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
(…)
2.271.732 2.873.422”
2010 2010
Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde
I.) [X2] wordt verweten dat hij in een aantal gevallen, na afronding van de inkoop en het vertrek van de klant, het bedrag op de inkoopbon heeft verhoogd. Het betreft dan steeds (bij de tenlastegelegde bonnen) een inkoop bij een bonafide klant (die niet bij justitie bekend is, geen antecedenten heeft). Deze inkoop wordt (cijfermatig) verhoogd met het bedrag van een andere inkoop van een niet-bonafide klant.
bedragvan de niet-bonafide klant buiten de administratie gehouden, maar (alleen) zijn persoonsgegevens. Het bedrag van deze inkoop staat niet op enige bon (omdat die niet is opgemaakt) maar is cijfermatig verwerkt in de wel opgemaakte bon van een bonafide klant. Aldus blijft de niet-bonafide klant buiten beeld, maar wordt het aan hem betaalde bedrag wel (cijfermatig) in de financiële administratie verwerkt. Door het verhogen van het inkoopbedrag van de bonafide inkoop met het bedrag van de te maskeren inkoop (die voor het overige dus niet is vastgelegd) wordt op jaarbasis het bedrag van de inkopen (en de inkoopwaarde omzet, en daarmee de winst) correct vastgelegd. Het doel daarvan is, dat daarmee de (omvang van de) leveringen aan [D] kunnen worden verklaard en onderbouwd (Relaas financieel onderzoek valsheid in geschrifte en witwassen in de bedrijfsvoering [A] V.O.F.] , (…)).
(III.)het een automatische verschrijving was die hij achteraf niet meer goed kan verklaren.
(VI.)Ten aanzien van [X1] blijkt niet van gedragingen die hem tot medepleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen maken.1B) Kasjournalen met valse posten ‘leningen’ en ‘familie’
IVen onder de bewezenverklaring). Tevens staat in het arrest dat [X2] door het opnemen van gegevens van vervalste bonnen in het inkoopregister in de periode 1 januari 201 1 tot en met 20 september 2011 dit register in zoverre valselijk heeft opgemaakt (zie 2.25.1 onder
Ven onder de bewezenverklaring). Naar het oordeel van het Hof kan reeds op grond hiervan de conclusie worden getrokken dat de Administratie - die immers in de periode waarop de litigieuze navorderingsaanslagen, naheffingsaanslagen, primitieve aanslagen en Boeten betrekking hebben is vervalst - niet kan dienen als grondslag voor de winstberekening. (Correct opgemaakte) inkoopbonnen vormen in de Administratie immers een onderdeel dat van essentiële betekenis is om de jaarwinst vast te kunnen stellen.
VI), ten aanzien van belanghebbende niet blijkt van gedragingen die hem tot (mede)pleger van het valselijk opmaken van inkoopbonnen, dan wel tot feitelijk leidinggever van het valselijk opmaken van het registerboek in 2011 maken - doet aan de in de vorige rechtsoverweging getrokken conclusie niet af. Zoals uit de feiten blijkt werkte [X2] tot eind 2009 in de eenmanszaak als medewerker van belanghebbende en vanaf eind 2009 als firmant in de VOF. Dat belanghebbende de feitelijke vervalsingen niet (zelf) verrichtte neemt geenszins weg dat de Administratie in de betreffende jaren onbetrouwbaar was.
I).
III). Tot de gedingstukken behoort ook geen verklaring van één van ander firmanten die het standpunt van belanghebbende onderschrijven. Noch behoort tot de gedingstukken een overzicht van alle verhogingen en alle te maskeren inkopen. Voorts is voor het oordeel over de betrouwbaarheid van een administratie niet relevant of in geval van vele ernstige gebreken alle foute boekingen opgeteld uiteindelijk per saldo tot een juiste jaarwinst leiden. Bij de vraag of een boekhouding betrouwbaar is dient beoordeeld te worden of iedere mutatie op zichzelf juist geadministreerd is. Overigens heeft belanghebbende geenszins aannemelijk gemaakt dat er ‘per saldo’ juist geadministreerd is geworden.
Brutowinst 100%
(zie controlerapport onder 5.6)
(zie tabel hierna onder 5.9.2)
Aangegeven winst
Geschatte belastbare winst
I(en begint met “ [X2] wordt verweten (...)”), is het naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar voor de inspecteur om bij diens ‘gemotiveerde schatting’ van de ‘inkopen zoals die uit de Administratie blijken’, uit te gaan. Hierbij neemt het Hof in beschouwing dat de inkopen - bij het volgen van belanghebbendes standpunt - in ieder geval niet voor een te hoog bedrag in aanmerking worden genomen (zodat bijgevolg het ophogen van de inkopen met een aanvaardbaar brutowinstpercentage in ieder geval niet tot een te hoge schatting van de winst leidt).
waardevan.de
omzetaanzienlijk lager moet zijn’. Het Hof verstaat, gelet op de bij dit citaat gegeven toelichting, de inspecteur aldus dat deze meent dat de ‘inkoopwaarde van de omzet’ (onderstreping door Hof) voor een te hoog bedrag in de Administratie voorkomt (als van de hypothese zou worden uitgegaan dat de omzet voor een juist bedrag in de Administratie zou zijn verwerkt), maar dat de winst nog steeds op basis van de kostprijs van de ‘inkopen’ - conform de tabel onder 5.3.2 (rij 1) - kan worden geschat. De inspecteur - zo begrijpt het Hof - gebruikt evenvermeld citaat als een extra argument voor de conclusie dat de Administratie onbetrouwbaar is.
VI) op de hoogte was van de veelheid aan en de ernst van de gebreken in de Administratie. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vervolgens op basis van die Administratie aangiften IB doet is het Hof van oordeel dat belanghebbende - minst genomen - zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond - en hij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen; vgl. HR 29 februari 2008, nr. 43274, ECLI:NL:HR:2008:BC5346) - dat de aangiften IB over de in geschil zijnde jaren voor wat betreft de aangegeven belastbare winsten onjuist waren, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden de aangiften te doen zoals hij heeft gedaan, en zich aldus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans onjuiste aangiften te doen (vgl. HR 3 1 januari 2003, nr. 37511, ECLI:NL:HR:2003:AE8092)
Totaal(zie ook 5.3.2 controlerapport)
Belaste omzet
Na te heffen OB bij [X1]
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie
Wetgeving
3.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen(…)
4.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.3. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen.