ECLI:NL:HR:2009:BH1083
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Vereiste aangifte inkomstenbelasting niet gedaan bij ten onrechte opgevoerde aftrekpost
Belanghebbende deed over 1999 aangifte met een belastbaar inkomen van ƒ 39.806. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op wegens een ten onrechte in aftrek gebrachte rente van ƒ 22.500 op een niet bestaande lening van ƒ 250.000 en wegens niet aangegeven inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag. Het hof verklaarde het hoger beroep van de Inspecteur gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en handhaafde de navorderingsaanslag verminderd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat het ten onrechte opvoeren van een aftrekpost kan leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte als het belastingvoordeel relatief en absoluut aanzienlijk is en de belastingplichtige zich daarvan bewust was. Het hof had onvoldoende vastgesteld dat de belastingplichtige zich hiervan bewust was. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en laat de vergoeding van proceskosten aan het verwijzingshof over.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling.