ECLI:NL:HR:2001:AB3112
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over navorderingsaanslag en bewijslastverdeling in inkomstenbelastingzaak 1990
Belanghebbende, samen met zijn echtgenote eigenaar van een vennootschap onder firma die een horecabedrijf dreef, kreeg voor het jaar 1990 een navorderingsaanslag opgelegd na een boekenonderzoek. De Inspecteur verhoogde de winst met een bedrag van ƒ 118.157, waarvan de helft aan belanghebbende werd toegerekend, en legde een navorderingsaanslag met een verhoging van 100% op. Het hof vernietigde deze aanslag en het kwijtscheldingsbesluit, maar de Hoge Raad vernietigt het hofarrest vanwege een onjuiste verdeling van de bewijslast.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de bewijslast volledig bij de Inspecteur heeft gelegd, terwijl bij een verworpen boekhouding de Inspecteur kan volstaan met een gemotiveerde schatting en de belanghebbende moet aantonen waarom zijn winst lager is. Daarnaast was de motivering van het hof over de berekening van de niet aangegeven winst onvoldoende en onbegrijpelijk, met name het gebruik van de kassaldi ondanks het oordeel dat niet alle ontvangsten waren geboekt.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van belanghebbende, vernietigt het hofarrest behoudens het griffierecht en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling. Tevens wordt bepaald dat de Staatssecretaris het griffierecht van belanghebbende vergoedt. De Hoge Raad bevestigt dat het nieuwe feit dat navordering rechtvaardigt is de vaststelling van negatieve kassen in de boekhouding die niet bij de primitieve aanslag bekend waren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest wegens onjuiste bewijslastverdeling en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Arnhem.