Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 9 november 1984 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap die een horecabedrijf exploiteerde, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd over de jaren 1978 tot en met 1980. De Inspecteur stelde op basis van een boekenonderzoek dat er sprake was van zwart loon, omdat de theoretisch te behalen omzet hoger was dan de verantwoordde omzet. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op met een verhoging van 100%, waarvan geen kwijtschelding werd verleend.
Het Hof Leeuwarden oordeelde dat de Inspecteur aannemelijk moest maken dat er zwarte lonen waren uitbetaald en vond dat de Inspecteur dit niet volledig had bewezen voor 1978 en 1979, behalve voor een bedrag van f 11.596,-- dat belanghebbende had toegegeven. Het Hof matigde de naheffingsaanslag en kende een kwijtschelding van 75% van de verhoging toe.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het middel dat de bewijslast verkeerd was verdeeld, omdat bij het niet doen van vereiste aangiften de bewijslast op belanghebbende rust. De Hoge Raad oordeelde dat het antwoord op deze vraag feitelijke gegevens vereist die niet in cassatie kunnen worden onderzocht en verwierp het beroep. Hiermee blijft het arrest van het Hof in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het Hof waarin de naheffingsaanslag gedeeltelijk wordt gehandhaafd met een kwijtschelding van 75% van de verhoging.