Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
interest rate swaps: IRSs) gesloten die haar (i) verplichten over een vast bedrag een vast rentepercentage te betalen en (ii) recht geven op ontvangst van een variabel rentepercentage over datzelfde vaste bedrag. De gebruikte variabele rentepercentages zijn 3-maands Euribor, 3-maands Libor en 12-maands Euribor. Zij had in 2010 en 2011 drie soorten
swaps(a, b en c), bepaald door de looptijd die al dan niet gelijk liep met die van een leenschuld, de bedragen waarover rente wordt berekend (‘hoofdsommen’) die al dan niet gelijk waren aan de hoofdsommen van leningen, en de variabele rente die al dan niet gelijk was aan de variabele rente op een lening. De waarde van haar IRS-verplichtingen was ten tijde van het sluiten van de IRSs (nagenoeg) nihil, nu op dat moment de vaste en variabele rentepercentage (nagenoeg) gelijk waren aan de actuele rente.
hedge accountingvolgens
international accounting standard(IAS) 39.
matchingbeginsel van gkg. Er kan dus in 2010 noch 2011 rekening worden gehouden met de negatieve waardeontwikkeling van de IRSs.
BNB2004/214 [1] blijkt dat zolang een valutapositie gedekt is, het afgedekte vermogensbestanddeel en het afdekkende instrument gezamenlijk worden gewaardeerd. Het Hof zag geen reden om daarover anders te denken in belanghebbendes geval, waarin de IRSs een renterisico in plaats van een valutarisico afdekken.
swapcontracten per ultimo 2010 en ultimo 2011 op grond van gkg niet ten laste van de belastbare winst kan worden gebracht. Het Hof heeft ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd:
cash flow hedgegebruikte rente
swapsvergelijkbaar zouden zijn met als
fair value hedgegebruikte valuta
swapszoals aan de orde in het door het Hof genoemde HR
BNB2004/214, hoewel die instrumenten op wezenlijke punten andere effecten hebben;
BNB2004/163 [2] voor de waardering van vastrentende schulden ook toegepast in belanghebbendes geval, er kennelijk maar ten onrechte van uit gaande dat de combinatie van de IRSs en de variabel rentende leningen resulteert in vastrentende schulden;
BNB1957/208.
BNB2003/253, hoewel juist dat arrest haar betoog steunt. Zij beroept zich ook op HR
BNB2017/189 (separate beoordeling van samenhangende IRS en hypothecaire schuld voor de toepassing van de eigenwoningregeling in box 1 van de Wet IB 2001), welk beroep samenhangt met haar beroep op dat genegeerde arrest HR
BNB2003/253 over een vergelijkbare
swap, die autonoom mocht worden gewaardeerd. Hoewel gkg in HR
BNB2017/189 geen rol speelde, volgt uit die zaak volgens de belanghebbende wel dat haar
swapsen haar leningen twee verschillende soorten overeenkomsten zijn.
BNB1958/342), (ii) (vaste) rentedragende schulden worden gewaardeerd op nominale waarde (HR
BNB2004/163 en HR
BNB2010/242) omdat waardering op contante waarde ten onrechte lasten naar het nu zou halen die op toekomstige jaren zien, (iii) langlopende verplichtingen waarbij rente alleen als rekengrootheid fungeert, worden gewaardeerd op contante waarde; opwaardering bij dalende marktrente is toegestaan, evenals afwaardering bij stijgende marktrente, maar de boekwaarde kan niet lager zijn dan bij eerste teboekstelling (HR
BNB2000/275, HR
BNB2001/2, HR
BNB2004/163 en HR
BNB2010/242), en (iv) een verplichting die geen expliciet rentebeding inhoudt, maar strekt tot betaling van een bedrag waarvan de omvang
de factobepaald wordt door inachtneming van rente, als rentedragende verplichting wordt gewaardeerd (HR
BNB2012/93).
fair value hedgede vaste rente worden geruild voor een variabele rente. Bij perfect afgedekte posities komen de waardemutaties van de schuld en de IRS dan per saldo op nihil uit. IAS 39 laat onder stringente voorwaarden toe met dit effect rekening te houden door de winst op de ene post en het verlies op de andere post tegelijk in de resultatenrekening op te nemen. Goed koopmansgebruik gaat volgens uw rechtspraak verder: een vastrentende lening en een daarop afgesloten
fair value hedgemoeten onder omstandigheden gezamenlijk worden gewaardeerd. U heeft de criteria voor deze fiscale
hedginggoeddeels ontleend aan IAS 39, maar uw norm is opener en niet facultatief maar imperatief. Gegeven hun verschil in doelstelling, hoeven de fiscale en commerciële winstbepalingen ook niet synchroon te lopen (HR
BNB1957/208 [4] ). De mogelijkheid om bij een
fair value hedgecommercieel al dan niet voor samenhangende waardering te kiezen laat de ruimte om het gecombineerde effect te laten zien of juist het effect van de individuele instrumenten, zonder dat de ene of de andere keuze het getrouwe beeld van de financiën aantast. Fiscaalrechtelijk daarentegen
moetenelkaar uitdovende waardemutaties gezamenlijk worden bezien omdat anders in strijd met de realiteits- en
matchingbeginselen toekomstige lasten die niet voortvloeien uit het lopende jaar reeds nu worden afgetrokken.
cash flow hedgede variabele rente geruild worden voor een vaste. Zo’n IRS heeft een effect omgekeerd aan dat van een
fair value hedge. Doordat deze IRS de rentestroom constant maakt, beweegt hij in waarde met de rentestand, maar anders dan bij een
fair value hedgestaat daar geen tegengestelde waardebeweging van de schuld tegenover, nu de variabele rente op de schuld met de markt meebeweegt, zodat de schuld niet in waarde beweegt, althans niet als gevolg van rentebewegingen. In zoverre verschillen belanghebbendes IRSs inderdaad van
fair value hedgesen is hun waardeverlies reëel.
mismatchtussen actuele verliesneming op de IRS en latere winst door lagere toekomstige rentekosten op de leenschuld. Ondanks het ontbreken van een rechtstreeks uitdovend verband tussen de waardemutaties van de schuld en de
cash flow hedgeIRS, biedt IAS 39 daarom ook voor
cash flow hedgestoch de mogelijkheid om, onder stringente voorwaarden, waardemutaties buiten beschouwing te laten. Resultaten op het effectieve (afdekkende) deel van de IRS kunnen rechtstreeks in het eigen vermogen worden gemuteerd. Winst of verlies op het speculatieve (niet-afdekkende) deel van de IRS wordt commercieel meteen genomen.
cash flow hedges. Het door de belanghebbende aangeroepen arrest HR
BNB2003/253 lijkt mij geen precedent, want te zeer bepaald door andersoortige feiten en door het gegeven dat gepoogd werd een definitieve valutawinst op een groepslening onder de deelnemingsvrijstelling te friemelen.
cash flow hedgesfiscaalrechtelijk nauwer of minder nauw aan te sluiten bij IFRS/IAS dan voor
fair value hedges. Bij
cash flow hedgesstaat weliswaar geen (directe) waardemutatie van de variabel rentende lening tegenover de waardemutatie van de IRS, maar dat neemt niet weg dat, zoals bleek, die laatste waardemutatie niet reëel, althans niet definitief is. IFRS/IAS-conforme verwerking van waardemutaties van
cash flow hedgesvergelijkbaar met de verwerking van waardemutaties van
fair value hedgesin uw Cacaobonenarrest houdt in dat als sprake is van (i) voldoende samenhang en (ii) hoogstwaar-schijnlijke toekomstige kasstroomwijzigingen die de V&W-rekening beïnvloeden, resultaten op het effectieve (afdekkende; niet-speculatieve) deel van de
hedgeniet worden genomen en resultaten op het niet-afdekkende (speculatieve) deel wel. Voor de hand ligt om het eerste te bereiken door de combinatie van de variabel rentende schuld en de kasstroomrisicoafdekkende IRS op te vatten als per saldo een vastrentende schuld en die te waarderen volgens de in 1.9 weergegeven regels,
i.e.op nominale waarde, dus zonder verliesneming als de marktrente daalt beneden de overeengekomen vaste rente (HR
BNB2004/163 en HR
BNB2010/242).
BNB2017/189 (over een rente
swapop een eigenwoninglening) en HR
BNB2018/78 (over de negatieve waarde van een IRS in box 3) zijn mijns inziens niet relevant voor belanghebbendes geval, dat in het ondernemingswinstregime en dus onder gkg valt.
BNB2004/214 (samenhangende waardering) baseert en anderzijds overweegt dat samenhang niet ter zake zou doen. Onduidelijk is daardoor of het Hof de combinatie van schulden en IRSs als (resulterende in) vastrentende schulden zag en
daaromgeen aftrek toestond bij rentestanddaling (zie 1.9), of rechtstreeks naar het
matchingbeginsel is gestapt omdat hij
alleIRS-waardebewegingen, ook die van niet-afdekkende IRSs, opvat als ziende op toekomstige rentelasten. Of het Hof de prealabele samenhangvraag al dan niet ten onrechte heeft overgeslagen, maakt voor de uitkomst echter niet uit, althans niet voor belanghebbendes (a) en (b) categorieën IRSs, die volgens ’s Hofs vaststellingen zodanig samenhangen met variabel rentende leningen o/g dat geenszins onbegrijpelijk is het (al dan niet impliciete) feitelijke oordeel dat het per saldo om vastrentende leningen gaat. Alleen voor de categorie (c) IRSs, die niet (rechtstreeks) samenhangen met bepaalde leningen, is ’s Hofs – al dan niet impliciete – oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk, zodat verwijzing moet volgen om uit te zoeken of die categorie IRSs al dan niet voldoende samenhing met leningen.
BNB1957/208 mist doel, nu dat arrest juist afwijking voorschrijft van hetgeen de bedrijfseconomie leert als (het doel van) de belastingnorm daartoe noopt.
BNB1994/121 aftrekbaar een voorziening te vormen. Aan de toerekenings- en waarschijnlijkheidscriteria van het
Baksteenarrest [5] wordt immers niet voldaan.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
interest rate swaps: IRSs) gesloten. Zij is op basis daarvan over vaste bedragen (‘hoofdsommen’) een vaste rente aan de bank verschuldigd en ontvangt daartegenover van de bank over diezelfde bedragen een variabele rente. De gebruikte variabele rentepercentages zijn 3-maands Euribor, 3-maands-Libor en 12-maands-Euribor.
swapportefeuille bestond in 2010 en 2011 uit drie categorieën:
swapsportefeuille was in 2010 en 2011 als volgt samengesteld (‘hedge instrument’ is de IRS; ‘hedge item’ de lening):
hedge accountingals bedoeld in IAS 39 (zie 5.3 en 5.4 hieronder).
matchingbeginsel (elk jaar draagt zijn eigen lasten) wordt geschonden als toekomstige rentelasten reeds nu worden afgetrokken.
BNB2004/163 [7] op dat
swapszodanig met elkaar samenhangen dat zij voor fiscale doeleinden gezamenlijk moeten worden gewaardeerd als vastrentende leningen. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel is door de Rechtbank verworpen.
NLF2017/2337) dat, anders dan de Rechtbank kennelijk meende,
hedgingwel degelijk noodzakelijk is om tot het resultaat van de Rechtbank te komen: pas bij samenhangende beschouwing van de
swapsen de variabel rentende lening dringt de vergelijking met vastrentende leningen zich op. Dat leidt volgens hem niet tot een andere uitkomst, omdat samenhangende waardering in casu inderdaad aangewezen is. Hij plaatst wel vraagtekens bij de verwerping van het beroep op het gelijkheidsbeginsel:
BNB2004/214 [10] inhoudt dat zolang een valutapositie gedekt is, het afgedekte vermogens-bestanddeel en het afdekinstrument niet los van elkaar mogen worden gewaardeerd en dat hij geen reden ziet om daarover anders te denken als renterisico’s in plaats van valutarisico’s worden afgedekt. Daaraan doet volgens het Hof niet af dat (i) een deel van de schulden niet even lang loopt als IRSs, (ii) het variabele IRS-rentepercentage en het bedrag waarover het wordt berekend enerzijds en de variabele rente en de hoofdsom van de lening anderzijds niet in alle gevallen gelijk zijn, en (iii) drie IRSs geen verband houden met specifieke leningen maar alleen met (een deel van) de leningportefeuille als geheel.
BNB1957/208 [11] brengt volgens het Hof niet mee dat aftrek strookt met gkg, gegeven de in dat arrest gemaakte uitzonderingen op de hoofdregel dat “een stelsel van jaarwinstberekening als strokende met gkg behoort te worden aanvaard indien dat stelsel is gegrond op hetgeen de bedrijfseconomie omtrent de juiste wijze van jaarwinstbepaling leert”. Om dezelfde reden acht het Hof het niet toegestaan om een voorziening voor mogelijke toekomstige uit de IRSs voortvloeiende verliezen te passiveren.
BNB2017/189 [12] faalt volgens het Hof al omdat die zaak het eigenwoningregime betrof, dat niet door gkg wordt beheerst, en bovendien ging over actuele betalingen uit hoofde van een IRS – waarvan in casu niet in geschil is dat ze aftrekbaar zijn – en niet over mogelijke toekomstige lasten zoals de belanghebbende die nu al in aftrek wil brengen. Met de Rechtbank meent het Hof dat niet meer toegekomen wordt aan de vraag naar gezamenlijke waardering van de IRSs en de leningen. Die conclusie lijkt mij onverenigbaar met zijn in 2.9 weergegeven overweging en beroep op HR
BNB2004/214.
NLF2018/0686. Hij acht de motivering van het Hof ter zake van het verschil tussen gkg en IFRS te summier. Hij hoopt dat u daar in cassatie meer overwegingen aan zult wijden:
3.Het geschil in cassatie
cash flow hedgegebruikte IRS vergelijkbaar geacht met voor
fair value hedgegebruikte valutaswaps zoals in HR
BNB2004/214, hoewel
cash flow hedgesen
fair value hedgesop wezenlijke punten van elkaar afwijkende effecten hebben;
BNB2004/163 [13] ook toegepast in belanghebbendes geval, er kennelijk maar ten onrechte vanuit gaande dat de IRSs tezamen met de variabel rentende leenschulden op één lijn gesteld kunnen worden met vastrentende schulden;
BNB1957/208.
BNB2003/253, terwijl juist dat arrest haar hogere beroep ondersteunt.
BNB2004/214, zich wel degelijk een werkelijke vermogensmutatie voordoet omdat de IRSs bij rentewijziging in waarde veranderen, terwijl de potentiële tegenhanger (de hoofdsom van de variabel rentende lening(en)) juist niet in waarde wijzigt bij een rentewijziging. HR
BNB2004/214 is volgens de belanghebbende mede irrelevant omdat – anders dan bij een
fair valuevaluta
hedge– een verschil in looptijd tussen
cash flowIRSs en de variabel rentende lening diffuse vermogensmutaties produceert. De belanghebbende wijst op een recente uitspraak van het Hof Den Bosch (zie 6.3 hieronder). [14] Dat Hof achtte een verlies op een renteswapcontract in beginsel aftrekbaar. De belanghebbende acht het door haar op de IRSs geleden verlies reëel, anders dan latente verliezen op vastrentende leningen die worden aangehouden tot aflossing. Die laatste verliezen verdwijnen immers weer naarmate de aflossing van de lening nadert, die tegen nominaal zal geschieden. De belanghebbende neemt ook geen ‘toekomstige last’, nu er geen ‘hoofdsom’ ter beschikking is gesteld: er is slechts een rekengrootheid voor de bepaling van de over en weer te betalen
cash flows. Mocht u haar hierin niet volgen, dan meent zij op grond van HR
BNB1994/121 [15] een voorziening voor het verlies te kunnen vormen.
BNB2017/189 [16] in samenhang moet worden bezien met het door het Hof genegeerde arrest HR
BNB2003/253 over een vergelijkbare swap, die (wel) zelfstandig mocht worden gewaardeerd. Hoewel gkg in eerstgenoemde zaak geen rol speelde, volgt uit die zaak volgens de belanghebbende wel dat de litigieuze
swapen de lening twee verschillende contracten zijn. Zij concludeert
verweerdat het door de belanghebbende opgevoerde verlies niets anders is dan de contante waarde van het effect van verwachte toekomstige rentestanden op toekomstige kasstromen. Een schuld in combinatie met een IRS als de onderhavige is zijns inziens inderdaad vergelijkbaar met een vastrentende schuld. Het Hof heeft dan ook terecht een verlies door waardedaling van een IRS, dat niet reëel is, niet aftrekbaar geacht in 2010 en 2011. Ook ‘s Hofs oordeel dat geen voorziening kan worden gevormd, is volgens de Staatssecretaris juist:
4.Fiscale waardering van betalingsverplichtingen bij veranderende marktrente
BNB1958/342 [17] betrof een renteloze schuld die in elf jaarlijkse termijnen werd afgelost. U oordeelde dat zo’n schuld op contante waarde moet worden gewaardeerd:
BNB2000/275 [18] betrof waardering van pensioenverplichtingen door een op 1 januari 1992 vennootschapsbelastingplichtig geworden pensioenlichaam met verplichting tot verstrekking van een levenslang ouderdomspensioen en weduwenpensioen. Op de openingsbalans waren die verplichtingen gewaardeerd tegen de actuele marktrente ad 7,5% in plaats van een rekenrente ad 4%, dus relatief laag. Op de eindbalans van 1992 daarentegen waardeerde zij de verplichtingen – conform uw oude jurisprudentie [19] – tegen 4%, resulterende in een aanzienlijk verlies in 1992. Het Hof meende dat openingswaardering tegen marktrente was toegestaan, maar dat de jaarultimo(af)waardering tegen 4% geen gkg was. U zag geen reden (meer) voor andere behandeling dan die van langlopende leningen. U overwoog:
BNB2000/275) duidde dit arrest als een accentverschuiving van voorzichtigheid naar realiteit.
BNB2001/2 [20] over waardering van de verplichting tot betaling van ruilverkavelingsrente. De belanghebbende waardeerde de toekomstige betalingen op contante waarde. U achtte dat toegestaan met dien verstande dat geen lagere waardering kon ontstaan dan op het moment van passivering:
BNB2004/163 [21] betrof een stamrecht dat ten laste van een BV (de belanghebbende) was bedongen bij de omzetting in die BV van de onderneming van de begunstigde. Het doelvermogen bij pensioeningang werd bepaald door een beschikbaar bedrag (fl. 130.043) te vermeerderen met een rekenrente van 7% per jaar tot aan pensioeningang, resulterende in een ‘koopsom’ bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd in ad fl. 759.611. De belanghebbende waardeerde haar stamrechtverplichting tot en met 1995 door dit in 2014 benodigde bedrag te disconteren tegen dezelfde 7%. Als zij daarmee na 1995 was doorgegaan, zou de verplichting ultimo 1996 fl. 239.079 hebben belopen. Zij wilde echter vanwege een dalende marktrente de verplichting op de eindbalans 1996 waarderen door het in 2014 benodigde bedrag (fl. 759.611) te disconteren tegen 4% in plaats van 7%, waardoor de verplichting niet fl. 239.079, maar fl. 388.664 zou belopen. De Inspecteur verzette zich tegen aftrek van deze in een negatieve waardesprong resulterende ‘herwaardering’. U ‘preciseerde’ (beperkte) het bereik van de boven geciteerde arresten HR
BNB2000/275 en HR
BNB2001/2:
BNB2004/163) meende dat dit arrest onduidelijkheid oproept over de waardering van langlopende verplichtingen. Hij gaat in op uw regel dat bij daling van de marktrente beneden de overeengekomen rente geen hogere verplichting dan nominaal in aanmerking mag worden genomen bij een ‘voorgenomen voortzetting van de schuld’:
BNB2010/242 [22] bevestigde HR
BNB2004/163. Ook deze zaak betrof een bij een BV (in 1982) bedongen lijfrente. De toekomstige uit die lijfrente voortvloeiende verplichtingen op ingangsdatum (2013) werden bepaald door een koopsom ad € 39.055 jaarlijks met 8% op te renten, leidende tot een lijfrenteverplichting per ultimo 2003 ad € 211.012 en per 2013 ad € 454.295. In 2003 wilde de belanghebbende echter oprenten met de toen geldende marktrente ad 3,3%, resulterend in een verplichting per 2003 ad € 328.733, terwijl de Inspecteur oprenting met minimaal 4% voorstond, resulterend in een verplichting ad € 307.755. U overwoog:
BNB2012/93 [23] – net als in HR
BNB2004/163 – discussie over de kwalificatie van een verplichting als rentedragend of renteloos. Het ging om een in 1990 aangegane verplichting om in 2020 fl. 38.200.000 te betalen. De belanghebbende had deze verplichting tot en met de eindbalans 2001/beginbalans 2002 gepassiveerd met inachtneming van een discontovoet ad 7,57%. Ultimo 2002 wenste zij herwaardering naar een discontovoet ad 4%, die tot een negatieve vermogenssprong en daarmee een aftrekbaar verlies van ruim € 3.896.611 zou leiden. Het Hof meende dat de schuld in wezen rente droeg en paste de hoofdregel uit r.o. 3.4 van HR
BNB2004/163 toe: geen verliesaftrek. In cassatie bestreed de belanghebbende dat het om een rentedragende schuld ging. U overwoog echter:
BNB2004/163; PJW] indien in de overeenkomst expliciet een rentebeding is opgenomen, maar ook indien anderszins blijkt dat partijen de na afloop van de overeengekomen termijn te betalen som hebben bepaald met inachtneming van een rente-vergoeding. In het licht hiervan geeft 's Hofs oordeel dat sprake is van een geldschuld tegen een overeengekomen interest in voormelde zin geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige berust dit oordeel op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de (…) koopovereenkomst. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande geeft 's Hofs oordeel dat opwaardering van de schuld in verband met een daling van de marktrente in strijd is met goed koopmansgebruik geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
BNB1958/342);
BNB2004/163 en HR
BNB2010/242) omdat waardering op hogere contante waarde zou neerkomen op ten onrechte nu al nemen van rentelasten van toekomstige jaren;
BNB2000/275, HR
BNB2001/2, HR
BNB2004/163, en HR
BNB2010/242);
BNB2012/93).
5.Interest rate swaps; cash flow hedges enfairvaluehedges
fair value hedges, nu het in haar geval gaat om
cash flow hedges. In de conclusie voor het eigenwoning-renteswap-arrest [25] ben ik ook ingegaan op de behandeling van IRSs in de winstsfeer, met name op het onderscheid in de literatuur tussen
fair value hedgesen
cash flow hedges:
7 De behandeling van renteswaps in de winstsfeer
swapzoals de litigieuze kan tijdens de looptijd een waarde krijgen. Stijgt de rente na het afsluiten van het contract, dan ontvangt de klant een hogere variabele rente van de bank; daalt de marktrente, dan ontvangt de klant een lagere variabele rente; de klant betaalt daartegenover de gelijk blijvende vaste rente. In het eerste geval krijgt de
swapdus een positieve en in het tweede geval een negatieve waarde in het economische verkeer.
swapzodanig samenhangen dat goed koopmansgebruik gezamenlijke waardering vereist. [27] Maar in de literatuur wordt ook opgemerkt dat uw jurisprudentie ziet op
fair value hedges(afdekking van het risico van wijzigingen in de reële waarde van een balanspost) en dat onzeker is of samenhangende waardering ook verplicht is bij
cash flow hedges(afdekking van het risico van wijzigingen in toekomstige kasstromen). [28]
swapverdedigd kan worden dat zolang de lening en het swapcontract voor gelijke hoofdsommen gelijk lopen
de factosprake is van een vastrentende lening, zodat HR BNB 2010/242 [30] alsdan uitsluit dat een marktrentebeweging de fiscale jaarwinst raakt en bijgevolg ook dat de negatieve waardeontwikkeling (bij een rentedaling) van de
swapde fiscale jaarwinst niet raakt. Ook de auteurs van de Cursus Belastingrecht menen op basis van uw jurisprudentie over de waardering van vastrentende leningen dat tussentijdse waarde-verminderingen van een rente
swapin beginsel niet als verlies mogen worden genomen. [31] ”
BNB2004/214 [32] aan zijn uitspraak ten grondslag gelegd. Die zaak betrof een dollarschuld waartegenover een dollarvordering met een andere looptijd stond. U oordeelde dat zij in samenhang moesten worden gewaardeerd zolang zij samenliepen:
BNB2004/214 beoordeelde
fair value hedgeniet vergelijkbaar is met haar
cash flow hedgesen dat onverkorte toepassing van HR
BNB2004/214 in haar geval daarom niet is aangewezen.
cash flow hedge). Een vastrentende leenschuld resulteert:
cash flowIRS ook een tweede effect. De
fair valuevan een variabel rentende schuld blijft gelijk (aangenomen dat de variabele rente de marktrente is), terwijl de
fair valuevan een vastrentende schuld tegengesteld beweegt aan de marktrente. Een cijfervoorbeeld uitgaande van een leenschuld van € 1.000:
cash flow hedge(IRS) die deze variabele rente omzet in een vaste rente van 4% verloopt als volgt:
cash flow hedgewisselt dus. Is de te ontvangen variabele rente hoger dan de te betalen rente, dan stijgt de waarde, en
vice versa. De kasstromen staan vast, maar de reële waarde van leenschuld + IRS wisselt, anders dan bij
fair value hedges, waarbij de waardebeweging van de schuld die van de
hedgeuitdooft. De belanghebbende wil de negatieve waardebeweging van de IRS als verlies nemen.
hedge(zie 5.10 tot en met 5.12); PJW] during the period, it shall be accounted for as follows:
- a) the portion of the gain or loss on the hedging instrument that is determined to be an effective hedge (see paragraph 88) shall be recognised in other comprehensive income; and
- b) the ineffective portion of the gain or loss on the hedging instrument shall be recognised in profit or loss.
- i) the cumulative gain or loss on the hedging instrument from inception of the hedge; and
- ii) the cumulative change in fair value (present value) of the expected future cash flows on the hedged item from inception of the hedge;
- b) any remaining gain or loss on the hedging instrument or designated component of it (that is not an effective hedge) is recognised in profit or loss; and
- c) if an entity’s documented risk management strategy for a particular hedging relationship excludes from the assessment of hedge effectiveness a specific component of the gain or loss or related cash flows on the hedging instrument (see paragraphs 74, 75 and 88(a)), that excluded component of gain or loss is recognised in accordance with paragraph 5.7.1 of IFRS 9.”
accounting mismatch” te voorkomen rechtstreeks verwerkt (“
geparkeerd”) in een afzonderlijk vermelde reserve binnen het eigen vermogen, de kasstroomhedge-reserve. In de winst- en verliesrekening komt bij deze verwerkingsmethode alleen de betaalde vaste rentelast ten laste van het resultaat, te weten de variabele rente op de lening alsmede de gesaldeerde afrekening op basis van het IRS-contract.”
hedge accounting, dat de waardeveranderingen voor zover zij effectief zijn, als rechtstreekse mutatie in het eigen vermogen worden opgenomen en voor het niet-effectieve deel in het resultaat (IAS 39.95). Het deel dat in de rubriek overige rechtstreekse vermogensmutaties danwel in het overzicht van rechtstreekse vermogensmutaties is opgenomen, wordt aangepast tot de laagste van het cumulatieve bedrag aan waardeveranderingen op het dekkingsinstrument sedert de aanvang van de dekking en het cumulatieve bedrag aan veranderingen in de marktwaarde van de verwachte toekomstige kasstromen uit de gedekte post sedert de aanvang van de dekking. Een resterend saldo aan waardeveranderingen op het dekkingsinstrument wordt opgenomen in het resultaat. Indien een dekking van een verwachte transactie nadien resulteert in activering van een financieel actief of passivering van een financiële schuld, moet het cumulatieve bedrag aan waardeveranderingen dat in het eigen vermogen is opgenomen, worden overgeboekt naar het resultaat in hetzelfde tijdvak of dezelfde tijdvakken gedurende welke het verworven actief of de aangegane schuld het resultaat beïnvloedt, bijvoorbeeld door rentebaten of -lasten. Het deel van de cumulatieve bedragen in het eigen vermogen waarvan verwacht wordt dat dit niet in de toekomst gedekt gaat worden, moet in het resultaat worden opgenomen (IAS 39.97). Indien een dekking van een verwachte transactie nadien resulteert in het activeren van een niet-financieel actief of het passiveren van een niet-financiële schuld danwel een verwachte transactie betreffende dergelijke activa of passiva een vaststaande verplichting wordt waarvoor ‘marktwaardehedge accounting’ wordt toegepast, moet de rechtspersoon de daarmee verband houdende waardeveranderingen die zijn opgenomen in het eigen vermogen opnemen in de verkrijgingsprijs of andere boekwaarde van het actief of de verplichting (IAS 39.98 (b)). Gedacht kan worden aan een betaling in vreemde geldeenheden voor aankoop van een fabriek die was afgedekt. De rechtspersoon mag de betrokken waardeveranderingen ook overboeken naar het resultaat in dezelfde periode gedurende welke het verworven actief of de aangegane verplichting het resultaat beïnvloedt (bijvoorbeeld afschrijvings-last, kostprijs van de omzet), behoudens het deel waarvan verwacht wordt dat dit niet in toekomstige perioden zal worden gedekt. Dit deel moet terstond worden opgenomen in het resultaat (IAS 39.98 (a)). Beide gedragslijnen zijn aanvaardbaar, maar voor alle hier bedoelde dekkingen moet eenzelfde gedragslijn worden toegepast (IAS 39.99). Voor de overige kasstroomdekkingen geldt dat de cumulatieve waardeveranderingen die zijn opgenomen in het eigen vermogen moeten worden overgeboekt naar het resultaat in hetzelfde tijdvak of dezelfde tijdvakken gedurende welke de gedekte verwachte transacties het resultaat beïnvloeden, bijvoorbeeld wanneer een verwachte verkoop plaats vindt (IAS 39.100). Indien het dekkingsinstrument afloopt, wordt verkocht, beëindigd of uitgeoefend (zonder vervanging) danwel de aanwijzing tot dekking wordt herroepen, blijven de in het eigen vermogen opgenomen bedragen daarin totdat de verwachte transactie plaats vindt. Hetzelfde geldt indien niet langer aan de criteria voor hedge accounting wordt voldaan. Gaat de verwachte transactie niet door, dan worden de betrokken cumulatieve bedragen van het eigen vermogen overgeboekt naar het resultaat.”
fair value hedgeter zake van een rentedragende schuld is omgekeerd aan dat van de boven beschreven
cash flow hedgeter zake van de rente op die schuld. Een
fair value hedgewisselt bijvoorbeeld vaste rente in voor variabele rente en een bewegende hoofdsomwaarde voor een vaste contante waarde:
fair value hedgeen die van de
hedged item(in casu de leenschuld)
kanvolgens IAS 39, § 89, als volgt worden verantwoord:
BNB2009/171 (
Cacaobonen) [35] overwoog u:
futuresdan wel technische voorraad:
eist(zie r.o. 5.3.2: (a) samenhang tussen balansposten en (b) een hoge mate van risicobeperking), komen op hoofdlijnen overeen met de voorwaarden waaronder IAS 39 hedge accounting
toestaat.IAS 39, § 88, stelt vijf cumulatieve voorwaarden, waarvan de derde alleen geldt voor
cash flow hedges. De eerste voorwaarde lijkt op uw voorwaarde (a), nu bij zowel uw gkg-variant als de IAS-39-variant eisen worden gesteld aan de samenhang, met name aan de aard van de
swapcontracten en de vraag of samenhang is beoogd, waarbij de risicostrategie van het bedrijf van belang kan zijn. Verschillen bestaan vooral in de vereiste mate van gedetailleerdheid. Uw norm lijkt opener dan die van de IASB. [36] Paragraaf 88(a) IAS 39 luidt: [37]
hedgewordt op balansdatum verwacht zeer effectief te zijn; zie § 88(b) IAS 39) [38] en daarbij zijn gegevens over “het waardeverloop van de posten” van belang (zie § 88(e) IAS 39). Opnieuw lijkt het belangrijkste verschil tussen uw rechtspraak en IAS 39 te liggen in de door IAS geëiste gedetailleerdheid:
A hedge is regarded as highly effective only if both of the following conditions are met:
At the inception of the hedge and in subsequent periods, the hedge is expected to be highly effective in achieving offsetting changes in fair value or cash flows attributable to the hedged risk during the period for which the hedge is designated. Such an expectation can be demonstrated in various ways, including a comparison of past changes in the fair value or cash flows of the hedged item that are attributable to the hedged risk with past changes in the fair value or cash flows of the hedging instrument, or by demonstrating a high statistical correlation between the fair value or cash flows of the hedged item and those of the hedging instrument. The entity may choose a hedge ratio of other than one to one in order to improve the effectiveness of the hedge as described in paragraph AG100.
The actual results of the hedge are within a range of 80-125 per cent. For example, if actual results are such that the loss on the hedging instrument is CU120 and the gain on the cash instrument is CU100, offset can be measured by 120/100, which is 120 per cent, or by 100/120, which is 83 per cent. In this example, assuming the hedge meets the condition in (a), the entity would conclude that the hedge has been highly effective.
fair value hedges(zie met name HR
BNB2009/171 (
Cacaobonen) in 5.9 hierboven,) heeft u nog geen regels gegeven voor de fiscale verwerking van
cash flow hedges, al dan niet in samenhang met variabel rentende leningen. De literatuur ontleent daarvoor wel aanwijzingen aan uw arrest in de zaak HR
BNB2003/253, [39] waarop de belanghebbende zich beroept. De zaak betrof een vennootschap waarin bij de reorganisatie van de Engelse tak van het concern waartoe zij behoorde een groot bedrag in Britse ponden werd gestort om een deelneming in Engelse ponden te kopen als onderdeel van die reorganisatie. De belanghebbende leende dat bedrag twee dagen uit alvorens de deelneming te kopen, met als resultaat een grote valutawinst in die twee dagen. Zij betoogde dat het geheel van ontvangen kapitaalstorting, daaruit uitgegeven lening en verwerving van de deelneming twee dagen later gelijk moest worden gesteld met rechtstreekse inbreng van de verworven deelneming in de belanghebbende en dat de valutawinst dus onder de deelnemings-vrijstelling viel. Het Hof had geoordeeld dat de storting van de ponden, de uitlening voor twee dagen en de verwerving van de deelneming elk zelfstandige betekenis hadden, zodat zij niet in combinatie gelijk konden worden gesteld met een rechtstreekse verwerving van de deelneming. U liet dat oordeel in stand en verbond er de volgende consequentie aan:
cash flow hedges:
cash flow hedges:
cash flow hedgeop zijn eigen merites moet worden beoordeeld in het kader van de fiscale jaarwinstbepaling.”
BNB2003/253 lijkt mij in hoge mate bepaald door de feiten, terwijl bovendien de belanghebbende kennelijk probeerde een definitieve valutawinst te doen vrijstellen onder de deelnemingsvrijstelling. Niet duidelijk is of u de tweedaagse groepslening als (vergelijkbaar met een)
cash flow hedgeopvatte, maar zelfs daarvan uitgaande is niet duidelijk of uw oordeel berustte op (het realiteitsbeginsel van) gkg, doel en strekking van de deelnemingsvrijstelling, een combinatie van beide, of een
tertium.
fair valuerisico (mits de variabele rente de actuele marktrente is)
.
eistdat een vastrentende schuld en een daarop afgestemde
fair value hedgein samenhang worden gewaardeerd. De voorwaarden voor deze fiscale
hedgingheeft u, zoals boven bleek, goeddeels ontleend aan IAS 39, maar uw norm is opener, minder gedetailleerd en dwingend. Dat strookt met HR
BNB1957/208, [43] waarin u overwoog dat:
hedge accountingte kiezen bij een
fair value hedgelaat rapportageplichtigen de ruimte om te kiezen voor ofwel een samengesteld beeld (
hedging), ofwel het tonen van de separate effecten van de instrumenten (geen hedging). Voor het te verschaffen getrouwe beeld maakt het kennelijk – mits voldaan is aan de stringente IAS 39-voorwaarden – niet uit, mits de keuze wordt toegelicht.
In fiscalibusligt dat anders. Zoals Russo bij de Rechtbankuitspraak noteerde in
NLF2017/2337 (zie 2.8):
matchingbeginselen fiscale winst naar de toekomst verschoven c.q. niet gerealiseerd en speculatief toekomstig verlies genomen. De fiscale jaarrekening lijkt meer geënt op
hedge accountingdan IFRS.
fair value hedge.
mismatchtussen verliesneming op de IRS en latere ‘winst’ (lagere toekomstige rentekosten) vanwege toekomstige lagere rentebetalingen op de schuld aan de uitlener. Verliezen en winsten op de IRS komen wel tussentijds tot uitdrukking als daadwerkelijk rentestromen heen en weer gaan, of bij tussentijdse afkoop van de IRS door
cash settlementof als de IRS geen verband (meer) houdt met een schuld (niet effectief is als
hedge, maar speculatief is; conform IAS 38).
cash flow hedgesde mogelijkheid om, opnieuw onder strenge voorwaarden, IRS-waardemutaties buiten beschouwing te laten in de commerciële W/V-rekening. Ter zake van het effectieve (afdekkende) deel van de
hedgeworden winsten en verliezen direct in het eigen vermogen gemuteerd. Winst of verlies op het speculatieve (bovenmatige) deel van de
hedgewordt ook bij commerciële
hedgingdirect genomen. IAS 39, § 88(c), stelt een extra voorwaarde ten opzichte van
fair value hedges:
cash flow hedgesnauwer of minder nauw aan te sluiten bij IFRS/IAS dan voor
fair value hedges. Bij effectieve
cash flow hedgesstaat weliswaar geen rechtstreeks uitdovende waardebeweging van de variabel rentende lening tegenover de waardebeweging van de IRS, maar zoals bleek, is het waardeverlies op een afdekkende IRS definitief noch reëel. Als
cash flow hedgesfiscaal op een vergelijkbare IFRS/IAS-achtige manier worden verwerkt als
fair value hedges, dus zoals in het cacaobonenarrest (zie 5.9), moeten winsten en verliezen op het effectieve deel van de
hedgeworden geparkeerd, mits (i) de
hedgingvoldoet aan de criteria van uw cacaobonenarrest en (ii) zich hoogstwaarschijnlijk toekomstige kasstroomwijzigingen voordoen met invloed op de W/V-rekening (rentemutaties bij een variabele rente). Voor de hand ligt dan om de combinatie van de leenschuld en de
cash flow hedge(als de
hedgevoldoende effectief is) te zien als vastrentende schuld en die te behandelen volgens de daarvoor door u ontwikkelde waarderingsregels zoals weergegeven in onderdeel 4 hierboven en samengevat in onderdeel 4.7. Steun voor die benadering biedt uw in 4.6 geciteerde arrest HR
BNB2012/93, waaruit volgt dat ook een verplichting die niet expliciet een rentebeding omvat, maar strekt tot betaling van een bedrag na afloop van de looptijd dat bepaald is met inachtneming van rente, fiscaal als rentedragende schuld wordt behandeld.
6.Feitenrechtspraak over cash flow hedges
swap-arrest [45] heb ik uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland en het Gerechtshof Amsterdam opgenomen over de behandeling van
cash flow hedgesin enerzijds de winstsfeer en anderzijds box 3. Tegen die uitspraken is cassatieberoep ingesteld, maar alleen voor zover zij box 3 betroffen. Uw arresten in die zaken [46] (zie 7.1 hieronder) geven dan ook geen uitsluitsel over de behandeling van IRSs in de winstsfeer. Ik herhaal daarom de passages over de winstsfeer uit de genoemde conclusie:
swapgekoppeld aan een lening die deels het bedrijf en deels privévermogen van de belanghebbende financierde. Over het deel dat het bedrijf financierde, oordeelde zij dat de lening en de
swapzodanig met elkaar samenhingen dat zij in onderlinge samenhang moesten worden gewaardeerd; afzonderlijke in aanmerkingneming van de negatieve waarde van de
swapzou, gezien HR BNB 2004/163 en HR BNB 2010/242, [49] de regels van goed koopmansgebruik schenden. Bruins Slot (NTFR 2016/594) meent dat de Rechtbank een verkeerde conclusie trekt omdat zij uw
fair value hedgejurisprudentie toepast op een
cash flow hedgeen zij de schaarse
cash flow hedgejurisprudentie juist buiten beschouwing laat. Volgens hem heeft u in HR BNB 2003/253 [50] geoordeeld dat een
cash flow hedgecontract zelfstandig moet worden gewaardeerd. Een ongerealiseerd verlies op een
swapcontract mag zijns inziens daarom fiscaalrechtelijk worden genomen. In die zaak was een £-lening als afdekinstrument gebruikt voor de £-koopsom voor een deelneming. Asma en Storm van ’s Gravesande vinden het te ver gaan om die situatie gelijk te stellen met een
cash flow hedge. [51]
swapen de lening niet van belang omdat die verschillen bij aanvang van de
swapen de lening niet waren beoogd. Ook stelde de Inspecteur onder meer dat de
swapgeen zelfstandig vermogensrecht is dat rendabel ter beschikking van een werkzaamheid kan worden gesteld. Het Hof Amsterdam [52] heeft de uitspraken van de Rechtbank bevestigd, daartoe overwegende: [53]
cash flow hedge. De belanghebbende had een voorziening gepassiveerd ter grootte van die waardebeweging, hetgeen de inspecteur niet zinde. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant kwam tot dezelfde conclusie als de Rechtbank Noord-Holland en het Hof Amsterdam:
NLF2016/0239 (ook) op deze uitspraak kritisch. De negatieve waarde van de IRS is volgens hem geen toekomstige rente op een ook in de toekomst ter beschikking gestelde hoofdsom, maar de negatieve waarde van een contract met een fictieve hoofdsom. Hij ziet niet in waarom daarvoor niet mag worden voorzien:
NLF2018/0806) onderschrijft niet onverwacht ’s Hofs oordeel dat in beginsel verlies mag worden genomen op een rente
swap. Anders dan het Hof Den Bosch ziet hij echter geen samenhangend tegengesteld in waarde bewegende vermogensbestanddelen:
cash flow hedgeop een leenschuld als gevolg van daling van de te ontvangen variabele rente beneden de te betalen vaste rente. Alleen het resultaat op de daadwerkelijke uitwisseling van de overeengekomen vaste en variabele renten raakt de fiscale winst. De feitenrechtspraak lijkt wel twee verschillende wegen naar dat resultaat te volgen.
matchingbeginsel: de negatieve waarde van de renteswap wordt veroorzaakt door het effect van actuele rentedaling op de contante-waardeberekening van toekomstige rentestromen en hoort daarom niet in het nu maar in de toekomst thuis.
hedge accountingals uitgangspunt nemen: als de IRS feitelijk het kasstroomrisico op een variabel rentende leenschuld (voldoende) afdekt, is door die samenhang
de factosprake van een vastrentende leenschuld, en de waardemutaties van vastrentende leningen als gevolg van rentestandbewegingen raken de huidige fiscale winst niet volgens HR
BNB2004/214 (zie 5.2 hierboven). Een voldoende verband tussen leenschuld en IRS werd door het Hof Amsterdam afgeleid uit de combinatie van (i) gelijkheid van de hoofdsom van de lening en de fictieve hoofdsom van de IRS en (ii) een subjectief historisch-causaal verband tussen de leenschuld en de IRS (de belanghebbende had de intentie kasstroomrisico af te dekken) en door het Hof Den Bosch uit (i) het getalsmatige verband tussen de ‘hoofdsommen’ van de IRS en de rente
capenerzijds en de hoofdsom van de schuld anderzijds, en (ii) de intentie van de belanghebbende om het kasstroomrisico op de leenschuld af te dekken, die onder meer bleek uit een ter zitting door de gemachtigde afgelegde verklaring.
hedge), is er mijns inziens geen wezenlijk onderscheid tussen de twee wegen, maar is de eerste een
short cutop de tweede. De volgers van de eerste weg vóóronderstellen dan voldoende verband tussen de leenschuld en de IRS en slaan dus een stap over, terwijl de volgers van de tweede weg dat verband expliciteren. Als de IRS niet afdekt maar speculatief is, staan de volgers van de tweede weg verliesaftrek toe omdat de IRS dan zelfstandig voor speculatieve doeleinden (verkoopwaarde) wordt aangehouden. Het Hof Den Bosch expliciteerde dan ook dat als de IRS geen effectieve
hedgeis, maar op zichzelf staat, het verlies op het IRS-contract wél reëel en actueel is. Dat strookt met IFRS/IAS 39(95)(b):
nietafdekt maar speculatief op zichzelf staat. Want, aldus de Rechtbank in casu: “(e)en dergelijke waardering zou (…) tot gevolg hebben dat bij de jaarwinst toerekening lasten in aanmerking worden genomen die betrekking hebben op toekomstige jaren”. Deze opvatting is mijns inziens onjuist. Met het Hof Den Bosch meen ik dat speculatief resultaat, anders dan afdekkend resultaat, fiscaal genomen mag c.q. moet worden. Omdat een speculatieve IRS aangehouden wordt vanwege zijn marktwaarde, moet hij mijns inziens op marktprijs worden gewaardeerd. De belanghebbende kan dus toegegeven worden dat ’s Hofs uitspraak in zoverre niet begrijpelijk is dat hij enerzijds belanghebbendes beroep afwijst op grond van HR BNB 2004/214 (dus op grond van samenhang) en anderzijds overweegt dat mogelijke samenhang niet relevant is omdat het (hoe dan ook) om toekomstige rentelasten zou gaan. Dat laatste is niet het geval bij speculatief aangehouden IRSs.
cash flow hedgein aftrek toe te laten – nl. dat de variabel rentende leenschuld niet in waarde beweegt, laat staan tegengesteld aan de IRS – niet ter zake doet als de leenschuld en de IRS zodanig samenhangen dat in feite (economisch) een vastrentende schuld resulteert. Zou aftrek in die omstandigheden wél worden toegelaten, dan zou daarmee uw in onderdeel 4 behandelde rechtspraak, met name uw arresten HR
BNB2004/163 en HR
BNB2010/242, effectief de prullenbak in gaan. Ik zie geen aanleiding voor zo’n rechtsonzekerheid veroorzakende doorbreking van
stare decisis.
7.IRSs in de eigenwoningregeling en in box 3
BNB2017/189, [56] volgend op de in 6.1 deels geciteerde conclusie, achtte u niet aftrekbaar van het inkomen uit eigen woning de vaste rente betaald op een IRS tot afdekking van het variabele-renterisico op hypothecaire eigenwoningleningen, maar alleen de variabele rente. Het Hof Den Haag had wel aftrek van de hogere vaste rente toegestaan omdat de leningen en de gelijktijdig gesloten IRSs in onderling verband stonden en de partijen zo’n verband ook bedoelden en er uitvoering aan hadden gegeven. Fiscaalrechtelijk zou het aldus om een vastrentende lening gaan en de vaste rente zou dan in plaats van de variabele als kosten van de eigen woning aftrekbaar zijn. De Staatssecretaris betoogde in cassatie dat “onvoldoende samenhang bestaat om van één product te spreken’ en dat ‘de swap (…) een zelfstandig vermogensrecht (is), afgesloten om een eventueel renterisico af te dekken, dat ook los (van een lening) kan worden afgesloten.” U ging daar niet zichtbaar op in, maar stond toch niet meer aftrek toe dan de variabele rente omdat u de tekst en de strekking van het eigen-woningregime onvoldoende steun vond bieden aan ‘s Hofs economisch realistischer benadering van de door hem feitelijk vastgestelde samenhang tussen de IRS en de hypothecaire leningen. Over het winstregime liet u u niet uit:
NTFR2017/1783) verbaasde zich erover dat de Staatssecretaris in deze eigenwoningzaak samenhang ontkende, terwijl in ‘een nog lopende procedure’ over volgens hem dezelfde
swapsin de winstsfeer (wellicht die van de belanghebbende) het diametraal tegenovergestelde werd betoogd:
BNB2018/78 [58] betrof de vragen of en zo ja, hoe in box 3 rekening te houden met de negatieve waarde van een met een box-3-schuld samenhangende en als
cash flow hedgeaan te merken IRS (artikel 5.3(2)(f) Wet IB 2001). De fiscus betoogde dat die negatieve waarde geen schuld of negatieve bezitting zou zijn voor de toepassing van box 3 (hoewel hij een positieve waarde kennelijke wel degelijk zou belasten als bezitting). U oordeelde dat recht en plicht ex de IRS in samenhang moeten worden gewaardeerd in box 3, ongeacht of het saldo daarvan positief of negatief is:
8.Beoordeling van het middel
BNB2004/163 (zie 4.4) en HR
BNB2010/242 (zie 4.5), die verliesneming op vastrentende leenschulden wegens dalende variabele rente verbieden, opgedoekt kunnen worden. Uw verbod zou betekenisloos worden, hetgeen niet voor gegrondbevinding van het middel pleit.
hedging, zoals door u toegepast bij
fair value hedges, ten onrechte ook heeft toegepast bij de litigieuze
cash flow hedgesen dat hij daarom de waardedaling van de IRSs ten onrechte niet in aftrek heeft toegelaten. Uit onderdeel 5 volgt dat zij terecht betoogt dat
fair value hedgesen
cash flow hedgesverschillende effecten hebben. Dat leidt mijns inziens echter niet tot cassatie omdat, zoals betoogd in onderdeel 5.22 t/m 5.24, ook bij effectieve
cash flow hedgesde realiteits- en
matchingbeginselen in beginsel in de weg staan aan fiscale verliesneming ineens.
BNB2004/163 (zie 4.4) en HR
BNB2010/242 (zie 4.5) fiscaalrechtelijk geen waardemutaties door rentestand-bewegingen in aanmerking mogen worden genomen. De belanghebbende kan toegegeven worden dat uit ’s Hofs uitspraak niet duidelijk wordt of hij de combinatie van de schulden en IRSs daadwerkelijk heeft opgevat als (resulterende in) vastrentende schulden en om die reden geen aftrek van waardedaling door rentestanddaling heeft toegestaan, of rechtstreeks naar het
matchingbeginsel is gestapt, maar of het Hof nu wel of niet ten onrechte de prealabele
hedging-vraag heeft overgeslagen, maakt voor de uitkomst niet uit, althans niet voor belanghebbendes (a) en (b) categorieën IRSs (zie onderdeel 2.2), die volgens ’s Hofs vaststellingen zodanig samenhangen met variabel rentende leningen o/g dat geenszins onbegrijpelijk is ’s Hofs kennelijke doch impliciete oordeel dat het feitelijk om vastrentende leningen gaat (zie ook 6.9). Alleen voor de categorie (c) IRSs, die niet (rechtstreeks) samenhangen met bepaalde leningen, is ’s Hofs – al dan niet impliciete – oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Die IRSs zijn immers niet gekoppeld aan bepaalde schulden, zodat onduidelijk is of zij in combinatie met bepaalde schulden economisch resulteren in vastrentende schulden. Weliswaar suggereert de door het Hof opgenomen tabel (zie 2.4) samenhang, zijn daaronder opgenomen IRS-omschrijving (zie 2.4) suggereert anders. [59] Mijns inziens moet de zaak verwezen worden naar de feitenrechter om te onderzoeken of (c)-categorie IRSs al dan niet voldoende samenhingen met leenschulden.
BNB1957/208 kan haar mijns inziens niet baten om de redenen vermeld in 5.22 t/m 5.24 en omdat u in dat arrest (ook) overwoog dat de hoofdregel van het fiscaalrechtelijk aansluiten bij hetgeen de bedrijfseconomie leert (hetgeen overigens niet hetzelfde is als het volgen van IFRS/IAS):
BNB2003/253 (zie 5.13) de belanghebbende evenmin soelaas biedt, om de redenen vermeld in 5.17. Het eigenwoningschuld-IRS-arrest HR
BNB2017/189 (zie 7.1) is mijns inziens op de in 7.2 vermelde gronden niet relevant voor belanghebbendes geval.
BNB1994/121 een voorziening ten laste van haar fiscale winst te vormen voor ..., ja voor wat? Met de Staatssecretaris meen ik dat het gaat om mogelijke, maar geenszins zekere toekomstige rentelasten in verband met een langlopende lening, die niet worden veroorzaakt door ontwikkelingen in het lopende jaar, alleen al niet omdat nu volstrekt onzeker is welke marktrenten toekomstige jaren ons zullen brengen. De huidige rentestand zegt hoegenaamd niets over die over vijf of tien jaar. Met Asma en Storm van ’s Gravesande meen ik daarom dat ook niet voldaan wordt aan de in uw
Baksteenarrest [60] gestelde voorzieningscriteria: [61]
hedgezou zijn, maar speculatief op zichzelf zou staan.
V‑N2018/38.9 [62] oordeelde u over een beroep op een bepaalde behandeling van branchegenoten op grond van een met hen, doch niet met de belanghebbende gesloten vaststellingsovereenkomst. Dat beroep kon volgens u om de volgende reden niet slagen:
niet-speculatieve (maar afdekkende) swaps, laat staan dat zij dat geïsoleerd (los van de rest van de inhoud van de vso) hebben mogen of kunnen doen. Ook voor zover de belanghebbende betoogt dat een volgens haar uit de vso voortvloeiende mogelijkheid tot verliesneming strookt met gkg, kan haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, nu de door haar gewenste verliesaftrek, zoals bleek, volgens mij
nietconform gkg is.
9.Conclusie
swapsgaat, ’s Hofs uitspraak in zoverre te vernietigen en de zaak te verwijzen voor onderzoek naar de mate van samenhang tussen haar leenschulden en haar categorie (c) IRSs.