ECLI:NL:HR:2004:AI0670
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toerekening en waardering vaste inrichting Zwitserland in vennootschapsbelasting
In deze zaak stond centraal de fiscale behandeling van een aanslag vennootschapsbelasting over 1990 opgelegd aan een ontbonden Nederlandse vennootschap, belanghebbende, die deel uitmaakt van een internationale groep. Belanghebbende had een vaste inrichting in Zwitserland waar zij haar financieringsactiviteiten verrichtte. De discussie betrof de toerekening van vermogensbestanddelen, waaronder een vordering en een swap-overeenkomst, aan deze Zwitserse vaste inrichting.
Het Gerechtshof Amsterdam had de aanslag verminderd, maar de Staatssecretaris stelde cassatieberoep in. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de vermogensbestanddelen, waaronder de swap en de vordering op een groepsmaatschappij, tot het vermogen van de vaste inrichting behoorden. Tevens werd bevestigd dat de waardering van vorderingen in vreemde valuta tegen de koers op de balansdatum niet in strijd is met goed koopmansgebruik.
Het incidentele beroep van belanghebbende dat de aanslag nietig zou zijn wegens ontbinding van de vennootschap werd eveneens ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en wees de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Hiermee werd de uitspraak van het Hof bekrachtigd en is de fiscale behandeling van de vaste inrichting en de waardering van de vorderingen definitief vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep en het incidentele beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van het Hof.