Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de bij de politie afgelegde verklaringen van de getuigen [betrokkene 9], [betrokkene 11] en [betrokkene 10] niet kunnen leiden tot de vaststelling dat de verdachte direct bij het delict betrokken is geweest.
[slachtoffer] ,geboren op [geboortedatum] 1929:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :
[betrokkene 4]en
[betrokkene 5] :
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 6] :
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 7] :
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 8]:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 9]:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 9]:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 10]:
als de op genoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 11]:
Betrokkenheid cliënt?
CONCLUSIE
NJ2007/119 behoefde het hof de bestrijding van de juistheid en/of betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan te merken. [3] Ook in HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3864 behoefde het hof in hetgeen door de raadsvrouw was aangevoerd inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van drie getuigen geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te zien. [4] De bestrijding van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster leverde wel een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op; de motivering van de afwijking van dat standpunt lag evenwel besloten in de gebezigde bewijsmiddelen. [5] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarin de betrouwbaarheid van een getuige werd aangevochten was wel sprake in het door het middel genoemde HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1094,
NJ2014/391 m.nt. Schalken. De raadsman had onder andere gewezen op tegenstrijdigheden in de verklaring van de getuige en op tegenstrijdigheden tussen deze verklaring en die van aangeefster. [6] En in het door de steller van het middel genoemde HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4275 was sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en drie getuigen waarop het hof had dienen te responderen. [7]
de verdachteiets tegen hem gezegd heeft. [betrokkene 9] verklaart immers dat ‘[betrokkene 1], [verdachte] en [betrokkene 3] de woonkamer binnen (kwamen). Ik hoorde dat een van hen zei dat ze iemand hadden geslagen.’ Hier doet zich dus niet het geval voor waarin een getuige terugkomt op een tot het bewijs gebezigde verklaring.
tweedemiddel behelst de klacht dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55 lid 1 of Pro art. 56 Sr Pro, nu het om dezelfde materiële feiten gaat en de strekking van de bewezen verklaarde strafbare feiten niet wezenlijk verschilt.
NJ2017/169 m.nt. Mevis, waarin eerder al is aangegeven dat bij witwassen en heling sprake kan zijn van eendaadse samenloop. Ook al strekt de strafbaarstelling van witwassen in sterkere mate dan bij de strafbaarstelling van heling het geval is ter bescherming van de integriteit van het financiële en economische verkeer. In HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 waren een poging tot doodslag en zware mishandeling jegens dezelfde persoon bewezen verklaard. Uw Raad overwoog dat ‘s hofs oordeel dat van meerdaadse samenloop (en niet van voortgezette handeling) sprake was niet zonder meer begrijpelijk was. Uw Raad nam daarbij in aanmerking dat in de bewijsvoering als ’s hofs vaststelling besloten lag ‘dat sprake is geweest van één geweldsuitbarsting waarbinnen de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden en dat de strekking van de toepasselijke bepalingen - kort gezegd - doodslag respectievelijk zware mishandeling, niet dusdanig uiteenloopt dat reeds hierom geen sprake kan zijn van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling.’ In HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113 waren zowel het medeplegen van het, in de uitoefening van beroep of bedrijf, opzettelijk telen van hennepplanten als het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, Opiumwet bewezen verklaard. ’s Hofs oordeel dat van meerdaadse samenloop sprake was hield in cassatie stand ‘in aanmerking genomen de mate waarin de strekking van art. 3, onder B, Opiumwet (feit 1) en art. 11b Opiumwet (feit 2) uiteenlopen’.
NJ2018/62. Doodslag is een misdrijf tegen het leven gericht, en als zodanig in een andere titel van het Wetboek van Strafrecht ondergebracht. Ter vergelijking: heling en witwassen zijn in achtereenvolgende titels ondergebracht; de titel betreffende mishandeling zat in het wetboek aanvankelijk vlak achter de titel met levensdelicten. Toch brengt dat wat andere rechtskarakter mijns inziens niet mee dat meerdaadse samenloop dient te worden aangenomen. Dat wat andere rechtskarakter staat er namelijk niet aan in de weg dat ‘de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt’. Beide strafbepalingen zien op geweld tegen personen. [11] De rubricering van art. 141 Sr Pro als een misdrijf tegen de openbare orde doet er naar het mij voorkomt niet aan af dat de strafbaarstelling van openlijk geweld tegen personen mede strekt tot bescherming van het recht op lichamelijke integriteit van degene tegen wie dat geweld wordt gepleegd. [12] Het gaat bij de ten laste gelegde strafbare feiten om exact hetzelfde feitencomplex: dezelfde geweldshandelingen tegen hetzelfde slachtoffer op hetzelfde moment en op dezelfde plaats. Daarin verschilt deze strafzaak bijvoorbeeld van HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113. De samenhang wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat de bewijsmiddelen niet zijn uitgesplitst over feit 1 en 2. [13]
NJ2015/29. Daarin leverde het onder 1 bewezenverklaarde het ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’ op en het onder 2 bewezenverklaarde het ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’. Het hof had meerdaadse samenloop aangenomen. Uw Raad overwoog:
NJ2015/29 illustreert dat. Het ging om het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van exact dezelfde hoeveelheden heroïne en cocaïne. [14] Mogelijk heeft Uw Raad destijds tegen die achtergrond aangenomen dat ook in het geval het hof ten onrechte meerdaadse samenloop aanwezig acht, het lichtere feit bij de strafoplegging niet als een afzonderlijk feit zal zijn meegewogen en daarom niet tot een hogere straf zal hebben geleid. Dat ligt in de nieuwe situatie evenwel anders. Het hof kan, in HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, in de poging tot doodslag en de zware mishandeling twee verwijten hebben gezien die afzonderlijk aan de opgelegde straf hebben bijgedragen. Dat is naar het mij voorkomt wat Uw Raad met de nieuwe rechtspraak poogt tegen te gaan; de aanscherping staat in het teken van het bieden van waarborgen tegen dubbele bestraffing. [15]