Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
23 september 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De Hoge Raad beoordeelde of het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van beroepsmatige hennepteelt zoals bedoeld in art. 11, derde lid, Opiumwet.
De bewezenverklaring steunde op gedetailleerde politierapporten, waaronder waarnemingen van hennepkwekerijen met 716 planten, technische installaties ter optimalisering van het teeltproces, en een illegale elektriciteitsaansluiting die leidde tot aanzienlijke energiediefstal. De verdachte erkende de feiten en gaf aan de kwekerijen zelf te hebben aangelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende en juist had gemotiveerd dat de teelt grootschalig en professioneel was, en daarmee viel onder de strafverzwarende bepaling van art. 11, derde lid, Opiumwet. Tevens was het hof bevoegd het vijfde lid van art. 11 toe Pro te passen vanwege de grote hoeveelheid hennepplanten. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat zich tegen deze bewezenverklaring richtte.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor behandeling in cassatie was overschreden, waardoor de straf met vier maanden werd verminderd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest slechts voor wat betreft de strafoplegging en bepaalde dat het hof de zaak opnieuw moet beoordelen over de strafduur. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De straf werd verminderd met vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige cassatiegronden werden verworpen.