ECLI:NL:PHR:2016:954
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring cassatie tegen passeren getuigenbewijs bij beroep op dwaling vaststellingsovereenkomst
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2001-2003. Tijdens de procedure sloten belanghebbende en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst, waarna belanghebbende de beroepen introk. Later verzocht belanghebbende de intrekking ongedaan te maken wegens dwaling bij het sluiten van de overeenkomst.
De Rechtbank oordeelde dat intrekking na beroepstermijn niet ongedaan kan worden gemaakt tenzij sprake is van niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden, wat niet was vastgesteld. Het Hof bevestigde dit oordeel en verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk. Belanghebbende bood getuigenbewijs aan van functionarissen die de vaststellingsovereenkomst hadden ondertekend, maar het Hof passeerde dit aanbod wegens onvoldoende specificatie en omdat belanghebbende ter zitting niet had toegelicht wat de getuigen zouden verklaren.
De Hoge Raad stelt dat het passeren van een getuigenbewijsaanbod niet lichtvaardig mag geschieden en dat het niet nodig is dat de zakelijke inhoud van de verklaringen wordt gespecificeerd. Het Hof had opheldering moeten vragen over het aanbod en had de aanwezige getuigen moeten horen. Het middel van belanghebbende slaagt, en het cassatieberoep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt gegrond verklaard wegens onjuiste passering van het getuigenbewijsaanbod door het Hof.