ECLI:NL:GHDHA:2026:345

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/284
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet IB 2001Art. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbArt. 3.60 Wet IB 2001Art. 67d AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ambtshalve vermindering aanslag en vergrijpboete inkomstenbelasting 2015 wegens hennepteelt

Belanghebbende diende voor het jaar 2015 een aangifte inkomstenbelasting in met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.487. Na een boekenonderzoek en een strafrechtelijke veroordeling wegens hennepteelt, stelde de Inspecteur een aanslag vast op een belastbaar inkomen van € 495.355, inclusief een vergrijpboete van 50%. Belanghebbende maakte bezwaar en verzocht om ambtshalve vermindering, maar dit verzoek werd niet tijdig behandeld.

De Hoge Raad vernietigde het eerdere arrest van het Gerechtshof Amsterdam en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, met name over het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering. Na verwijzing besloot de Inspecteur alsnog gedeeltelijk tegemoet te komen aan het verzoek, waarbij de aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van € 200.957 en de boete tot € 24.428.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, waardoor de bewijslast is omgekeerd en verzwaard. De Inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt van het inkomen uit hennepteelt, gebaseerd op het ontnemingsrapport en het strafrechtelijk ontnemingsarrest. Het Hof wijst het hoger beroep van belanghebbende af en handhaaft de ambtshalve vermindering van de aanslag, de boete en de belastingrente. Tevens wordt belanghebbende in de proceskosten en griffierecht van € 134 veroordeeld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen; de ambtshalve vermindering van de aanslag en boete wordt gehandhaafd en het beroep tegen het uitblijven van een beslissing is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/284
Uitspraak van 3 maart 2026
in het geding tussen:
[X]te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: L.M. Lalji)
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) van 15 oktober 2021, nummer HAA 20/4184.
Procesverloop
1.1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 495.355 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur verliezen van de jaren 2008, 2009, 2012 en 2013 tot een totaalbedrag van € 14.407 verrekend (tezamen: de verliesverrekening). Tevens is bij beschikking € 15.833 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente) en op de voet van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een vergrijpboete opgelegd van € 120.972 (de boetebeschikking) (hierna tezamen ook: de beschikkingen).
1.1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt.
1.1.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag en de beschikkingen ongegrond verklaard.
1.2.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd (de navorderingsaanslag), waarbij de verliesverrekening is teruggenomen.
1.2.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.
1.2.3. Bij brieven van 2 december 2019 en 2 maart 2020 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ingediend respectievelijk aangevuld. Het gestelde in deze brieven moet mede worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen als bedoeld in artikel 9.6, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001; tekst 2015). Bij beschikking van 24 juni 2025 is de Inspecteur – hangende de hogerberoepsprocedure na verwijzing – gedeeltelijk tegemoet gekomen aan dit verzoek (zie 1.7).
1.2.4. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de navorderingsaanslag tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag en dat verzoek afgewezen.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Belanghebbende heeft daarbij tevens rechtsreeks beroep ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag. Er is geen griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar inzake de aanslag niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep dat is gericht tegen de uitspraak op het bezwaar inzake de navorderingsaanslag ongegrond;
- verklaart het rechtstreekse beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag ongegrond.”
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 134. Bij uitspraak van 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3779, heeft het Gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
1.5. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:360 (het verwijzingsarrest) het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het in 1.2.3 vermelde verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente, en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest. De Hoge Raad heeft de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, alsmede tot vergoeding van het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
1.6. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het verwijzingsarrest, van welke gelegenheid zowel belanghebbende als de Inspecteur gebruik heeft gemaakt. De Inspecteur heeft op 24 juni 2025 een nader stuk ingediend, met één bijlage.
1.7. De Inspecteur heeft bij verminderingsbeschikking van 24 juni 2025 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.957, de vergrijpboete nader vastgesteld op € 24.428 en de verschuldigde belastingrente herrekend op € 6.305 (de verminderingsbeschikking).
1.8. Belanghebbende heeft op 16 januari 2026 een nader stuk ingediend, met drie bijlagen.
1.9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep na verwijzing van belang, in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“1. Eiser is geboren in 1973 en is gehuwd geweest met [A] , geboren in 1969 (hierna: D of de voormalige echtgenote). Eiser en D zijn de ouders van [B] , geboren op [geboortedatum] 2011. Het huwelijk is op [datum] 2012 door echtscheiding ontbonden.
2. Op 9 oktober 2017 heeft eiser de aangifte IB voor het jaar 2015 ingediend en daarin een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww), tevens verzamelinkomen, aangegeven van € 20.487. Het aangegeven biww bestaat uit ontvangen alimentatie van € 25.285, inkomsten uit eigen woning van € 20.425 negatief en een fiscale winst uit onderneming van € 25.451, verminderd met een zelfstandigenaftrek van € 7.280 en een MKB-winstvrijstelling van € 2.544.
3. Op 10 april 2017 heeft verweerder aangekondigd dat hij bij eiser een boekenonderzoek zou uitvoeren. Het onderzoek betrof, nadat het tweemaal was uitgebreid, uiteindelijk de aanvaardbaarheid van de door eiser ingediende aangiften IB en omzetbelasting over de jaren 2012 tot en met 2016. Van het onderzoek is op 2 november 2018 een conceptrapport uitgebracht.
4. Met dagtekening 8 februari 2019 heeft verweerder eiser de aanslag IB voor het jaar 2015 opgelegd (hierna aan te duiden als de primitieve aanslag). De primitieve aanslag is berekend naar een biww van € 495.355, bestaande uit de aangegeven fiscale winst uit onderneming, verminderd met de zelfstandigenaftrek van € 7.280 en in aanmerking te nemen zelfstandigenaftrek uit voorgaande jaren van € 18.171, de aangegeven alimentatie van € 25.285, de negatieve inkomsten uit eigen woning van € 20.425 en een netto resultaat uit werkzaamheden van € 490.495. De aanslag is groot € 241.944 en bij de aanslag is bij daartoe strekkende beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 120.972 en € 15.833 belastingrente in rekening gebracht.
5. Het boekenonderzoek is afgerond op 28 februari 2019. Op 14 februari 2019 is een eerste versie van het definitieve rapport uitgebracht en op 28 februari 2019 een tweede versie van het definitieve rapport (hierna: het controlerapport), dat in kopie tot de stukken behoort.
6. In paragraaf 1.3 van het controlerapport is het verloop van het boekenonderzoek weergegeven waaruit blijkt dat tussen de aankondiging van het onderzoek op 10 april 2017 en het definitief maken van het controlerapport op 14 februari 2019, er regelmatig contact was tussen de gemachtigde en verweerder. In de paragrafen 2.1 tot en met 2.3 van het controlerapport is uiteengezet waarom eiser volgens verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, administratieplicht en bewaarplicht en in 2.4 waarom eiser volgens verweerder niet de vereiste aangifte heeft gedaan. In paragraaf 2.5 wordt daaruit geconcludeerd dat dit leidt tot omkering van de bewijslast.
7. In paragraaf 3.3.2 van het controlerapport is vermeld dat eiser gedurende de jaren 2012 tot en met 2017 omzet heeft behaald met zijn eenmanszaak “ [eenmanszaak] ”. In paragraaf 3.3.3 is vermeld dat op 12 december 2017 in de woning van eiser een in bedrijf zijnde hennepkwekerij is aangetroffen en wordt aangenomen dat eiser daarmee voordeel heeft behaald en het door de politie berekende wederrechtelijk verkregen voordeel wordt aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. In paragraaf 3.3.4 is melding gemaakt van onverklaarde inkomsten die eiser vóór en na 1 januari 2015 moet hebben genoten.
8. (…). In paragraaf 3.6 is vermeld dat in 2014 in totaal € 42.040 aan contanten op de bankrekeningen van eiser is gestort. In 2015 zou in totaal € 71.850 zijn gestort en gedurende de jaren 2012 tot en met 2017 in totaal € 340.386. Verder is vermeld dat eiser voor de herkomst van dit geld geen verklaring heeft gegeven en de bedragen ook niet als omzet zijn verantwoord.
9. In paragraaf 3.7 van het controlerapport is vermeld dat een vermogensvergelijking is opgemaakt die voor 2014 heeft geresulteerd in een netto privébedrag van € 83.714 negatief en voor 2015 in een netto privébedrag van € 51.087 negatief. In dezelfde paragraaf wordt geconcludeerd dat eiser in 2014 € 83.714 aan ontvangsten heeft verzwegen en dat voor het jaar 2015 wordt aangesloten bij de bevindingen van de politie dat de contante stortingen afkomstig zijn van inkomsten behaald met de hennepkwekerij.
10. In paragraaf 8.2 is vermeld dat op basis van het rapport “berekening wederechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij” het met de hennepkwekerij behaalde voordeel € 490.495 bedraagt, zijnde de bruto opbrengsten van € 532.570, verminderd met € 42.075 kosten. In paragraaf 9.1.1 is vermeld dat het biww nader moet worden vastgesteld op € 510.982 (€ 490.495 + € 20.487).
(…)”.
2.2. Het Hof vult de hiervoor vermelde feiten als volgt aan.
2.3. De politie heeft in verband met de op 12 december 2017 op het woonadres van belanghebbende aangetroffen hennepkwekerij het – in onderdeel 10 van de uitspraak van de Rechtbank bedoelde – ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)’ opgesteld, ondertekend door […] en […] (het Ontnemingsrapport). Het Ontnemingsrapport betreft een onderzoek naar het door belanghebbende wederrechtelijk verkregen voordeel uit de aangetroffen hennepkwekerij en vermeldt, voor zover van belang:

Ontnemingsperiode
Van 1 januari 2015 tot 12 december 2017. Deze periode beslaat 153 weken.
Dit is vastgesteld aan de hand van onder andere getuigenverhoren en productiedata van
hennep gerelateerde goederen welke in de kwekerij werden aangetroffen.
Zie voor verdere uitleg het apart opgemaakte en bij het dossier gevoegde proces-verbaal
indicatoren eerdere oogsten […] ).
(…)

3.Ter beschikking staande gegevens

Ten behoeve van het onderzoek en het opmaken van dit rapport is gebruik gemaakt van
gegevens die op navolgende wijze zijn verkregen:
- Gegevens uit het proces-verbaal, nummer […] , die zijn opgemaakt door
medewerkers van het onderzoeksteam.
- Het rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt
onder kunstlicht' van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) van 1 juni
2016, waarin standaardberekeningen en normen met betrekking tot het
wederrechtelijk verkregen voordeel van hennepkwekerijen bij binnenteelt onder
kunstlicht zijn vermeld.
Wanneer van de normen uit het rapport van Functioneel Parket Afpakken gebruik is
gemaakt wordt dat vermeld. De overzichten van deze normen zijn als bijlagen bij
dit rapport gevoegd.
(…)

6.Wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt primair uitgegaan
van de situatie, zoals die uit het onderzoek gebleken is. Bij onvoldoende informatie
of in de situatie dat de verdachte een onaannemelijke verklaring heeft afgelegd wordt
uitgegaan van de gegevens uit het rapport van Functioneel Parket Afpakken.
Aantal kweekruimtes : 2
Vaststelling opbrengst per oogst in de 1e kweekruimte
Aangetroffen planten
In de 1e kweekruimte stonden 605 hennepplanten in potten.
Wij stelden dit vast door de hennepplanten te tellen.
De oppervlakte van de beplanting in de 1e kweekruimte was 36 m2.
Per m2 stonden er 17 hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen
met daarin de opbrengst per hennepplant. Deze opbrengst is afhankelijk van de
hoeveelheid hennepplanten op een m2. Hieruit blijkt, dat hoe lager het aantal planten
op een m2, hoe hoger de opbrengst per plant.
De opbrengst aan hennep per plant van de 1e kweekruimte is volgens de tabel minimaal
27,2 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
605 planten x 27,2 gram = 16,456 kilogram
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het
rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal EUR 4.070,00 per
kilogram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 16,456 kilogram x EUR
4.070,00 = EUR 66.975,92.
Vaststelling eerdere oogsten in de 1e kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
uitgegaan van 14 reeds eerder gerealiseerde oogst (en) in de 1e kweekruimte.
Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de 1e kweekruimte
Verdachte [belanghebbende,
Hof] betrok de elektriciteit op illegale wijze en door
[Energiemaatschappij] werd hiervan aangifte gedaan.
Omdat de verdachte de door [Energiemaatschappij] in rekening gebrachte kosten op het moment van
sluiten van dit rapport niet had voldaan, werden geen kosten voor elektriciteit op
het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht.
Uit het onderzoek rijst de verdenking dat verdachte de hennepplanten met behulp van
een cannacutter heeft geknipt. De kosten hiervan worden, gelet op het rapport van
Functioneel Parket Afpakken, op EUR 0,21 per hennepplant gesteld.
Uit het onderzoek rijst het vermoeden dat er ten behoeve van de huisvesting geen
extra kosten gemaakt zijn. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen
voordeel zal er dan ook geen rekening mee worden gehouden.
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken (FPA)
als volgt:
Afschrijvingskosten : EUR 400,00 (Tabel pag. 3 rapport van FPA 1-6-2016)
Hennepstekken : EUR 2.305,05 (EUR 3,81 per stek/plant)
Variabele kosten : EUR 2.347,40 (EUR 3,88 per stek/plant)
Kosten knippers : EUR 127,05 (EUR 0,21 per stek/plant)
Totaal aan kosten : EUR 5.179,50
Vaststelling opbrengst per oogst in de 2e kweekruimte
Aangetroffen planten
In de 2e kweekruimte stonden 378 hennepplanten in potten.
Wij stelden dit vast door de hennepplanten te tellen.
De oppervlakte van de beplanting in de 2e kweekruimte was 19,4 m2.
Per m2 stonden er 20 hennepplanten.
Opbrengst hennep per plant
In het rapport van Functioneel Parket Afpakken van 1 juni 2016 is een tabel opgenomen
met daarin de opbrengst per hennepplant. Deze opbrengst is afhankelijk van de
hoeveelheid hennepplanten op een m2. Hieruit blijkt, dat hoe lager het aantal planten
op een m2, hoe hoger de opbrengst per plant.
De opbrengst aan hennep per plant van de 2e kweekruimte is volgens de tabel minimaal
25,7 gram.
Opbrengst hennep per oogst
De totale bruto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
378 planten x 25,7 gram = 9,7146 kilogram
Financiële opbrengst per oogst
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Volgens het
rapport van Functioneel Parket Afpakken bedraagt dit minimaal EUR 4.070,00 per
kilogram. De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal 9,7146 kilogram x EUR 4.070,00 = EUR 39.538,42.
Vaststelling eerdere oogsten in de 2e kweekruimte
In de hierna vermelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
uitgegaan van 14 reeds eerder gerealiseerde oogst (en) in de 2e kweekruimte.
Uitgangspunt hierbij is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken per oogst.
Kostenberekening in de 2e kweekruimte
Verdachte [belanghebbende,
Hof] betrok de elektriciteit op illegale wijze en door
[Energiemaatschappij] werd hiervan aangifte gedaan.
Omdat de verdachte de door [Energiemaatschappij] in rekening gebrachte kosten op het moment van
sluiten van dit rapport niet had voldaan, werden geen kosten voor elektriciteit op
het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht.
Uit het onderzoek rijst de verdenking dat verdachte de hennepplanten met behulp van
een cannacutter heeft geknipt. De kosten hiervan worden, gelet op het rapport van
Functioneel Parket Afpakken, op EUR 0,21 per hennepplant gesteld.
Uit het onderzoek rijst het vermoeden dat er ten behoeve van de huisvesting geen
extra kosten gemaakt zijn. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen
voordeel zal er dan ook geen rekening mee worden gehouden.
De in mindering te brengen kosten per oogst voor de in dit onderzoek betrokken
hennepkwekerij zijn op basis van het rapport van Functioneel Parket Afpakken (FPA)
als volgt:
Afschrijvingskosten : EUR 250,00 (Tabel pag . 3 rapport van FPA 1-6-2016)
Hennepstekken : EUR 1.440,18 (EUR 3,81 per stek/plant)
Variabele kosten : EUR 1.466,64 (EUR 3,88 per stek/plant)
Kosten knippers : EUR 79,38 (EUR 0,21 per stek/plant)
Totaal aan kosten : EUR 3.236,20
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op:
De 1e kweekruimte
Bruto opbrengst 14 oogst(en) x EUR 66975,92 EUR 937.662,88
Totale kosten 14 oogst(en) x EUR 5179,50 EUR -/- 72.513,00
De 2e kweekruimte
Bruto opbrengst 14 oogst (en) x EUR 39538,42 EUR 553.537,88
Totale kosten 14 oogst(en) x EUR 3236,20 EUR -/- 45.306,80
Wederrechtelijk verkregen voordeel EUR 1.373.380,96
(…)
Proces-verbaal indicatoren eerdere oogsten
Wij, verbalisanten, troffen aanwijzingen en indicatoren aan die er op wijzen dat er
minimaal veertien (14) eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Deze aanwijzingen en
indicatoren zijn apart beschreven in een proces-verbaal indicatoren eerdere oogsten.
Zie voor verdere bijzonderheden het apart opgemaakte en bij het dossier gevoegde proces- verbaal indicatoren eerdere oogsten.
(…)
Verklaring verdachte [belanghebbende,Hof]
De verdachte [belanghebbende, Hof] verklaarde over zijn sociale omstandigheden en maakte zaaks inhoudelijk gebruik van zijn zwijgrecht. De verdachte verklaarde dat zijn vaste lasten ongeveer 3.000,= Euro per maand bedragen. Hij verklaarde verder geen concreet antwoord te kunnen geven op de vraag over zijn maandelijkse inkomsten. De verdachte verklaarde verder dat hij meestal zijn betalingen doet via zijn zakelijke rekeningen.
Zie voor verdere bijzonderheden het apart opgemaakt en bij het dossier gevoegde proces¬
verbaal van verhoor verdachte.
Overige van belang zijnde elementen / draagkracht
Verdachte [belanghebbende,
Hof] verklaarde dat hij een glazenwasserij en schoonmaakbedrijf heeft. Dit zou een eenmanszaak betreffen. Verdachte verklaarde dat hij tot mei 2016 een espresso lounge had maar deze van de hand heeft gedaan. Verdachte [belanghebbende,
Hof] verklaarde dat hij in het bezit is van twee voertuigen en een motor. Dit betreffen een Fiat 500 en een Landrover Discovery. De motor betreft van het merk BMW. Verdachte verklaarde alle voertuigen te leasen. Verdachte [belanghebbende,
Hof] verklaarde tevens dat de hypotheek op zijn woning 800.000,= Euro betrof en deze lasten samen met zijn ex-vrouw betaald werden.
(…)”
2.4.
Het in onderdeel 5 van de uitspraak van de Rechtbank bedoelde controlerapport vermeldt, voor zover van belang:

2.4 Niet doen van de vereiste aangifte
2.4.1
Niet doen van de vereiste aangifte inkomstenbelasting
Uit het onderzoek is gebleken dat:
1. Belastingplichtige voor de inkomstenbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2015 aangifte heeft gedaan maar dat:
- de in de aangifte verstrekte gegevens onvoldoende zijn om het inkomen te
bepalen;
- meerdere inkomstenbestanddelen niet zijn opgenomen;
- de niet aangegeven inkomsten zowel in relatieve als in absolute zin van
meer dan geringe betekenis zijn;
- belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
(…)
Op basis van de feiten en omstandigheden ben ik van mening dat belastingplichtige
voor de jaren 2012 tot en met 2017 in geen enkel jaar voor de inkomstenbelasting
de vereiste aangifte heeft gedaan en daarmee niet heeft voldaan aan de
verplichtingen van artikel 8 AWR Pro.
(…)
2.5
Omkering van de bewijslast
Omdat belastingplichtige niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 8, het
doen van de vereiste aangifte, artikel 47, het verstrekken van gegevens en
inlichtingen, en artikel 52, het voeren van een administratie, geldt de sanctie van de
omkering van de bewijslast volgens artikel 25, lid 3 (in de bezwaarfase) en artikel
27e AWR (in de beroepsfase).
Dat houdt in dat belastingplichtige moet bewijzen dat de opgelegde
belastingaanslagen onjuist zijn. Daarbij kan hij niet volstaan met aannemelijk
maken dat de aanslagen onjuist zijn. Hij zal dit overtuigend moeten aantonen
(bewijzen).
(…)
3.3.2
Inkomsten uit onderneming
Belastingplichtige heeft In de jaren 2012 tot en met 2017 met zijn eenmanszaak
" [eenmanszaak] " omzet gerealiseerd. Dit sluit aan
bij de door belastingplichtige ingediende aangiften IB/PVV.
3.3.3.
Inkomsten uit een hennepkwekerij
Op 12 december 2017 heeft de politie Noord-Holland op het adres (…) (het woonadres van belastingplichtige) een in werking zijnde hennepkwekerij (983 planten) aangetroffen en ontmanteld. Daarmee is een misdrijf, welke door de politie aan belastingplichtige wordt toegerekend, op heterdaad ontdekt.
Naar aanleiding van de aangetroffen en ontmantelde hennepkwekerij is door de politie een berekening van de wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij opgesteld.
Voor wat betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit ik aan bij de door de
politie opgestelde berekening.
De met de hennepkwekerij verkregen inkomsten merk ik aan als resultaat overige
werkzaamheden. Zie punt 8.2.
3.3.4.
Onverklaarde inkomsten
In dit rapport wordt op meerdere punten duidelijk dat het niet anders kan dan dat
belastingplichtige meer inkomsten moet hebben gehad en dat die inkomsten
afkomstig zijn uit of verzwegen omzet of uit een nog onbekende bron (in dit geval
hennep).
Het is niet mogelijk geweest zelf vast te stellen waar het geld vandaan komt.
Belastingplichtige heeft er immers voor gekozen om in het kader van het
belastingonderzoek geen contact meer met de Belastingdienst te hebben.
Ik acht het aannemelijk dat belastingplichtige reeds voor 1 januari 2015 inkomsten
uit hennep realiseerde. Omdat het overtuigend bewijs ontbreekt ga ik uit praktische
overwegingen er daarom vanuit dat onverklaarde inkomsten In de periode voor
1 januari 2015 verzwegen ontvangsten zijn welke door belastingplichtige met zijn
eenmanszaak " [eenmanszaak] " heeft gerealiseerd.
Voor wat betreft de onverklaarde inkomsten in de periode na 1 januari 2015 sluit ik
aan bij de bevindingen van de politie en ga er vanuit dat dit inkomsten zijn behaald
met de hennepkwkerij(en).
(…)
6.1.2
6.1.2
Omzet 2015
De op aangifte IB/PW 2015 verantwoorde omzet bedraagt € 76.198.
Uit praktische overwegingen sluit ik voor 2015 aan bij de op aangifte IB/PVV verantwoorde omzet.
(…)
8 Aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekering (IB/PVV)
(…)
8.2
Resultaat overige werkzaamheden
In conceptrapport voorgenomen standpunt Belastingdienst
Op 12 december 2017 heeft de politie Noord-Holland op het adres (…) (het woonadres van belastingplichtige) een in werking zijnde hennepkwekerij (983 planten) aangetroffen en ontmanteld. Daarmee is een misdrijf, welke door de politie aan belastingplichtige wordt toegerekend, op heterdaad ontdekt.
De hennepkwekerij is in twee uitgegraven verborgen ruimtes in de kelder aangetroffen. Volgens de politie betrof het een zeer goed verstopte en vooral professioneel aangelegde kwekerij. Verder bleek er ook sprake te zijn van diefstal van water, stroom en gas.
Naar aanleiding van de aangetroffen en ontmantelde hennepkwekerij is door de politie een rapport "berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij"
opgesteld.
Uit dat rapport kan worden opgemaakt dat:
- de kwekerij sinds 1 januari 2015 in gebruik is geweest;
- het uitgangspunt een gemiddelde kweekcyclus is van tien weken per oogst;
- er wordt uitgegaan van 14 reeds eerder gerealiseerde oogsten;
- de bruto-opbrengst per oogst € 106.514 (totaal € 1.491.196) bedraagt;
- de totale kosten per oogst € 8.415 (totaal € 117.810) bedragen; en
- de totale kosten netto-opbrengsten € 1.373.386 bedragen.
Voor wat betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel sluit ik aan bij de door de politie opgestelde berekening. Op basis van het rapport "berekening wederrechtelijk
verkregen voordeel hennepkwekerij'’ bereken ik de door belastingplichtige gerealiseerde netto-opbrengsten als volgt:
Omschrijving 2015 (…)
Aantal oogsten 5 (…)
Bruto-opbrengsten € 532.570 (…)
Kosten - € 42.075 (…)
Netto-opbrengsten € 490.495 (…)
De met de hennepkwekerij verkregen netto-opbrengsten merk ik aan als resultaat
overige werkzaamheden.
(…)”
2.5.1.
Bij het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 heeft belanghebbende geen inkomsten uit hennepteelt aangegeven. In afwijking van de aangifte heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV (i) een bedrag van € 18.171 aan zelfstandigenaftrek voorgaande jaren in aanmerking genomen, waardoor de belastbare winst uit onderneming (glazenwasserijbedrijf) op nihil is vastgesteld, alsmede (ii) een bedrag van € 490.495 aan inkomsten uit hennepteelt als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.
De aanslag is aldus opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 495.355, welk bedrag als volgt is opgebouwd:
Saldo fiscale winstberekening € 25.451
Ondernemersaftrek
€ 25.451 -/-
Belastbare winst € 0
Netto resultaat werkzaamheden € 490.495
Aandeel belanghebbende in inkomsten eigen woning € 20.425-/-
Ontvangen alimentatie
€ 25.285
Inkomen box 1 € 495.355
2.5.2.
De Inspecteur heeft wegens het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte op grond van artikel 67d AWR een vergrijpboete van 50 procent opgelegd.
2.6.1.
Belanghebbende heeft tegen de vorenbedoelde aanslag en boetebeschikking, alsmede tegen de beschikking belastingrente bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2019 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de Rechtbank wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerechtshof Amsterdam heeft vastgesteld dat belanghebbende (onder meer) zijn beroepsgronden gericht tegen die niet-ontvankelijkverklaring, ter zitting van dat hof heeft ingetrokken.
2.6.2.
Belanghebbende heeft de Inspecteur tevens verzocht de aanslag en de beschikkingen op de voet van artikel 9.6 Wet IB 2001 ambtshalve te verminderen (zie 1.2.3). De Inspecteur, noch de Rechtbank, noch het Gerechtshof Amsterdam hebben dit verzoek als zodanig onderkend.
2.6.3.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van het verwijzingsarrest en indachtig het bepaalde in artikel 6:20, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hangende het hoger beroep na verwijzing alsnog beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij verminderingsbeschikking van 24 juni 2025 heeft hij de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.957, de vergrijpboete nader vastgesteld op € 24.428 en de verschuldigde belastingrente herrekend op € 6.305 (zie 1.7). De Inspecteur heeft daarbij – mede naar aanleiding van het ontnemingsarrest (zie 2.7.2) – het resultaat uit overige werkzaamheden verlaagd tot een bedrag van € 196.097, waarbij hij ervan is uitgegaan dat in 2015 vier oogsten hebben plaatsgevonden en dat er een tweede betrokkene was, aan wie de opbrengst uit de hennepteelt voor de helft is toegekomen.
2.7.1.
Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:344, is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk telen van 983 hennepplanten (feit 1) en de diefstal van elektriciteit en water (feit 2). Wat betreft de startdatum heeft de strafrechter het volgende overwogen:
“Het hof zal, gelijk de advocaat-generaal, uitgaan van de startdatum van 2 maart 2015. Deze startdatum staat ook vermeld in het opnameformulier Energiefraude.[5] Naar het oordeel van het hof volgt daaruit dat de hennepkwekerij in elk geval in bedrijf was in de periode vanaf 2 maart 2015 tot het moment dat deze werd ontmanteld op 12 december 2017. Om die reden kan ten aanzien van feit 1 de gehele tenlastegelegde periode [29 september 2017 tot en met 12 december 2017,
Hof] en voor feit 2 de periode van 2 maart 2015 tot en met 12 december 2017 bewezen worden verklaard.
(…)
[5] Opnameformulier Energiefraude, als bijlage gehecht bij Aangifteformulier van energieleverancier [Energiemaatschappij] van 20 december 2017.”
2.7.2.
Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van (eveneens) 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:343 (het ontnemingsarrest) is in de ontnemingszaak over het wederrechtelijk verkregen voordeel door hennepteelt onder meer het volgende overwogen:
“De betrokkene is bij arrest van heden onder meer veroordeeld voor hennepteelt in de periode van 29 september 2017 tot en met 12 december 2017. Op grond van artikel 36e lid 2 Sr, kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van dit feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. In het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr)’ ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (hierna: het ontnemingsrapport)[1] zijn aanwijzingen opgenomen op grond waarvan het hof, mede gelet op de inhoud van het strafdossier, concludeert dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit eerdere oogsten van de aangetroffen hennepkwekerij. Zoals in het arrest in de strafzaak is overwogen volgt uit de bewijsmiddelen dat de hennepkwekerij vanaf 2 maart 2015 tot 12 december 2017 in bedrijf is geweest. Uit deze bewijsmiddelen, in het bijzonder het proces-verbaal ‘indicatoren eerdere oogsten’ volgt ook dat er eerder is geoogst, zodat is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene met het opzettelijk telen van hennep in de periode van 2 maart 2015 tot en met 12 december 2017 wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat er ook verklaringen zijn afgelegd waaruit blijkt dat er in 2017 nog geen sprake was van kweekruimtes (in de kelder van) de woning, ondermeer gelet op de verklaring van [naam 1] en [naam 2], wordt dit weerlegd door andere verklaringen in het dossier en past dit ook bij de bevindingen van de politie. Zij relateren immers dat beide kweekruimtes waren verborgen achter dubbele wanden en dat de tweede kweekruimte pas door de zoekende verbalisanten kon worden gelokaliseerd na aanwijzingen van de verdachte[2]. Het is dan ook zeer wel mogelijk dat de kweekruimtes ook door [naam 1] en [naam 2] niet zijn gezien.
In het rapport is de ingangsdatum van de ontnemingsperiode vastgesteld op 1 januari 2015. Het hof zal, gelijk de advocaat-generaal, uitgaan van de start van de ontnemingsperiode vanaf 2 maart 2015. Deze startdatum staat ook vermeld in het opnameformulier Energiefraude. Het standpunt van de verdediging dat er geen eerdere oogsten zijn geweest, wordt weerlegd door de bevindingen van de verbalisanten zoals die eerder zijn weergegeven.
Het ontnemingsrapport gaat uit van 14 eerdere oogsten, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 december 2017.
Hoeveelheid planten en opbrengst
Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het precies behaalde voordeel niet is vast te stellen, wordt een verantwoorde schatting gemaakt van het wederrechtelijk behaalde voordeel.
De schatting van het op na te melden geldbedrag gewaardeerde voordeel wordt ontleend aan de inhoud van het proces-verbaal van aantreffen en het ontnemingsrapport.
Het hof gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de in het ontnemingsrapport gehanteerde berekening, waarbij is verwezen naar het zogenoemde BOOM-rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen onder kunstlicht’ van 1 juni 2016, en de hoeveelheid planten die in de kweekruimten zijn aangetroffen.
Kweekruimte 1
Bruto opbrengst
In de kweekruimten zijn 605 plantenpotten aangetroffen. De oppervlakte van de beplanting in de kweekruimten was 36 m2. Per m2 stonden er dan 17 hennepplanten. Daar hoort een opbrengst bij van minimaal 27,2 gram hennep per plant, zoals opgenomen in het BOOM-rapport.
De totale bruto opbrengst aan hennep bedraagt dan op grond van het BOOM-rapport:
605 planten x 27,2 gram = 16.456 gram = 16,456 kilogram hennep.
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Het hof volgt daarom het BOOM-rapport op dit punt en gaat uit van een geldelijke opbrengst van € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto opbrengst bedraagt dan:
16,456 kilogram x € 4.070,00 = € 66.975,92.
Eerdere oogsten
Het uitgangspunt is een gemiddelde kweekcyclus van 10 weken per oogst. De ontnemingsperiode loopt van 2 maart 2015 tot 12 december 2017. Deze periode beslaat 145 weken (anders dan de 153 weken zoals vermeld in het ontnemingsrapport). Gelet hierop gaat het hof, gelijk de advocaat-generaal, uit van 13 eerdere oogsten, waarbij het hof er rekening mee houdt dat de op 12 december 2017 aangetroffen hennepplanten nog niet waren geoogst.
Kosten
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene ten behoeve van het verkrijgen van het wederrechtelijk verkregen voordeel kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen.
De in mindering te brengen kosten zijn als volgt:
o afschrijvingskosten € 400,00
o hennepstekken (605 x € 3,81) € 2.305,05
o variabele kosten (605 x € 3,88) € 2.347,40
o
kosten knippers (605 x € 0,21) € 127,05
Totaal € 5.179,50
Kweekruimte 2
Bruto opbrengst
In de kweekruimten zijn 378 plantenpotten aangetroffen. De oppervlakte van de beplanting in de kweekruimten was 19,4 m2. Per m2 stonden er dan 20 hennepplanten. Daar hoort een opbrengt bij van minimaal 25,7 gram hennep per plant, zoals opgenomen in het BOOM-rapport.
De totale bruto opbrengst aan hennep bedraagt dan op grond van het BOOM-rapport:
378 planten x 25,7 gram = 9.714,6 gram = 9,7146 kilogram hennep.
De daadwerkelijke verkoopprijs van de hennep kon niet worden vastgesteld. Het hof volgt daarom het BOOM-rapport op dit punt en gaat uit van een geldelijke opbrengst van € 4.070,00 per kilogram.
De totale bruto opbrengst bedraagt dan:
9,7146 kilogram x € 4.070,00 = € 39.538,42.
Eerdere oogsten
Het hof gaat, gelijk hiervoor is overwogen bij kweekruimte 1, uit van 13 eerdere oogsten.
Kosten
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene ten behoeve van het verkrijgen van het wederrechtelijk verkregen voordeel kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen.
De in mindering te brengen kosten zijn als volgt:
o afschrijvingskosten[3] € 300,00
o hennepstekken (378 x € 3,81) € 1.440,18
o variabele kosten (378 x € 3,88) € 1.466,64
o
kosten knippers (378 x € 0,21) € 79,38
Totaal € 3.286,20
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof berekent het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:
De 1e kweekruimte
Bruto opbrengst 13 oogsten x € 66.975,92: € 870.686,96
Aftrek kosten 13 oogsten x € 5.179,50:
€ 67.333,50 -/-
Netto opbrengst € 803.353,46
De 2e kweekruimte
Bruto opbrengst 13 oogsten x € 39.538,42: € 513.999,46
Aftrek kosten 13 oogsten x € 3.286,20:
€ 42.720,60 -/-
Netto opbrengst € 471.278,86
Wederrechtelijk verkregen voordeel (€ 803.353,46 + € 471.278,86 =)
€ 1.274.632,26.
Wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene
Gelet op de professionaliteit van de hennepkwekerij en de grootte ervan is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat er tenminste één ander persoon bij de hennepkwekerij betrokken was, waar de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep ook over heeft verklaard. Bij gebreke van aanwijzingen voor meer dan één andere persoon die bij de hennepkwekerij betrokken was, zal het hof daarvan uitgaan. Aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt echter geen indicatie te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst. De betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de betrokkene en die andere persoon dan op basis van gelijke verdeling. Dit zou slechts anders zijn indien de veroordeelde aannemelijk zou hebben gemaakt dat feitelijk van een andere verdeling moet worden uitgegaan. Het hof zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen.
Met deze omstandigheid houdt het hof rekening in dier voege, dat de overwogen maatregel met 50% zal worden gematigd tot een bedrag van
€ 637.316,13.
(…)
[1] Proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art. 36e lid 2 Sr van 27 maart 2018, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], met bijlagen.
[2] Proces-verbaal van relaas met nummer […] , van 19 januari 2019, opgemaakt op ambtsbelofte door de verbalisant [verbalisant 1].
[3] Conclusie advocaat-generaal van 13 september 2024”
Het verwijzingsarrest
3. In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad, voor zover thans van belang, overwogen:
“4 Beoordeling van de middelen
4.1.
Middel 2 betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte niet de (…) bij het vaststellen van de aanslag aangebrachte correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft beoordeeld. De Hoge Raad vat dit betoog aldus op dat wordt opgekomen tegen het (…) oordeel van het Hof dat het verzoek om ambtshalve vermindering niet is te beschouwen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen, en dat het Hof daarom ten onrechte het beroep niet heeft aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Inspecteur op dat verzoek.
4.2.1.
Het gestelde in de hiervoor in [1.2.3,
Hof] vermelde brieven ter motivering van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag, (…), laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende daarmee te kennen gaf bezwaar te hebben tegen de aanslag en de beschikkingen. Daarom had de Inspecteur, in het licht van de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven feiten, de desbetreffende brieven mede moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen (als bedoeld in artikel 9.6 Wet IB 2001).[1]
4.2.2.
De hiervoor in 3.2.2 weergeven oordelen van het Hof zijn dan ook onbegrijpelijk, evenals de daarop voortbouwende, hiervoor in 3.3 en 3.4 weergegeven oordelen.
Middel 2 slaagt daarom in zoverre.
4.2.3.
Een verzoek om ambtshalve vermindering is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb. Op grond van het tweede lid van artikel 4:13 Awb Pro moet daarop worden beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. Indien het gaat om een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, moet die beslissing op grond van artikel 9.6, lid 5 (in het onderhavige jaar: lid 3), Wet IB 2001 worden genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. In het geval de inspecteur niet binnen acht weken beslist op het verzoek, bestaat met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:12 Awb Pro de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het uitblijven van de beschikking.[2]
4.2.4.
Op het moment van het instellen van het hiervoor in [1.3,
Hof] vermelde beroep was de hiervoor bedoelde termijn van acht weken ruimschoots verstreken. De Rechtbank had naar aanleiding van de klachten van belanghebbende over de door de Inspecteur toegepaste correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning en over de boete dan ook moeten onderzoeken of het beroep van belanghebbende op de voet van artikel 6:12 Awb Pro, mede gelet op het bepaalde in lid 3 van dat artikel, in behandeling moet worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen. Dat heeft de Rechtbank ten onrechte niet gedaan. Het Hof had niet voorbij mogen gaan aan de door belanghebbende in hoger beroep daarover aangevoerde klachten. Middel 2 slaagt daarom ook in zoverre.
4.3.
De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4.
Hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.2.4 is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
(…)
[1] Vgl. HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5166, rechtsoverweging 3.3.
[2] Vgl. HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, rechtsoverweging 3.2.”
Geschil in hoger beroep na verwijzing en conclusies van partijen
4.1.
Na verwijzing is in geschil of de Inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning – meer in het bijzonder: de inkomsten uit hennepteelt – (na ambtshalve vermindering, zie 1.7) op het juiste bedrag heeft vastgesteld en of de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
4.2.
Het hoger beroep van belanghebbende strekt naar het Hof begrijpt tot toewijzing van het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen (als bedoeld in artikel 9.6, lid 3, Wet IB 2001) en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en de beschikking belastingrente, alsmede tot vernietiging van de boetebeschikking, dan wel – subsidiair – tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van € 69.013, dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente en matiging van de vergrijpboete tot € 10.000. Belanghebbende concludeert verder tot toekenning van een forfaitaire vergoeding van de proceskosten van het geding na verwijzing.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot afwijzing van het verzoek tot (nadere) ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen, tot handhaving van de aanslag, zoals deze door de Inspecteur ambtshalve is verminderd (zie 1.7), alsmede tot handhaving van de vergrijpboete en de beschikking belastingrente, zoals deze door de Inspecteur ambtshalve zijn gewijzigd (zie 1.7).
Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing
Vooraf; grenzen van de rechtsstrijd na cassatie
5.1.
Het Hof stelt voorop dat uit het dictum van het verwijzingsarrest blijkt dat de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam uitsluitend heeft vernietigd voor zover daarin een beslissing ontbreekt over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente. Na verwijzing is slechts vorenbedoeld beroep aan de orde (vgl. HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU1988, r.o. 4.4).
5.2.
Belanghebbende heeft na verwijzing aangevoerd dat het verwijzingsarrest ‘doorwerking heeft’ op de inkomsten uit hennepteelt in de jaren 2016 en 2017. De aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 liggen, evenals de verzoeken om ambtshalve vermindering van die aanslagen, evenwel thans niet voor (zie dienaangaande Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1712 en HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:364; artikel 81 RO Pro). Uit het nader stuk van belanghebbende van 16 januari 2026 blijkt dat belanghebbende op grond van artikel 8:119 Awb Pro heeft gevraagd om herziening van de vorenbedoelde uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2024. Ook het verzoek om herziening ligt thans niet voor bij dit Hof; het Gerechtshof Amsterdam zal zich daarover buigen.
5.3.
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat het verwijzingsarrest mede betrekking heeft op de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 (dan wel de verzoeken om ambtshalve vermindering van die aanslagen), berust dat op een onjuiste lezing van het verwijzingsarrest. Voor zover belanghebbende zich na verwijzing op het standpunt heeft gesteld dat de door de Inspecteur verleende vermindering (mutatis mutandis) ook dient te gelden voor de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017, geldt dat die aanslagen (evenals de verzoeken om ambtshalve vermindering van die aanslagen) geen voorwerp van de onderhavige procedure zijn, zodat belanghebbendes klachten ook in zoverre geen doel treffen.
Vooraf; ontvankelijkheid van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen
5.4.
Uit het verwijzingsarrest volgt dat de Inspecteur het gestelde in de motiveringen van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag mede had moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen, alsmede dat de Rechtbank had moeten onderzoeken of het beroep van belanghebbende in behandeling moet worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op vorenbedoeld verzoek en het Gerechtshof Amsterdam niet voorbij had mogen gaan aan de door belanghebbende in hoger beroep daarover aangevoerde klachten (zie r.o. 4.2.1 en 4.2.4 van het verwijzingsarrest). Na verwijzing is daarom in de eerste plaats aan de orde of het beroep van belanghebbende in behandeling moet worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen.
5.5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:12, lid 2, onderdelen a en b, Awb kan een beroepschrift wegens het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra een bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen (onderdeel a) en bovendien twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het in gebreke is (onderdeel b). Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, geldt op de voet van lid 3 van artikel 6:12 Awb Pro alleen de in onderdeel a van deze bepaling neergelegde eis dat het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
5.5.2.
Vast staat dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de eis van een voorafgaande ingebrekestelling, zodat het Hof zich voor de vraag gesteld ziet of dat in dit geval redelijkerwijs niet van belanghebbende kon worden gevergd (artikel 6:12, lid 3, Awb). Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven omdat inmiddels – hangende het hoger beroep na verwijzing – alsnog door de Inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering is beslist (zie 1.7). Daarmee is het belang bij het beroep wegens het niet tijdig nemen van een beslissing komen te vervallen en dient dat beroep reeds op die grond in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.6.
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, lid 3, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro wordt het hoger beroep van belanghebbende mede geacht te zijn gericht tegen het inmiddels genomen besluit van de Inspecteur. Dit betekent dat de verminderingsbeschikking, waarbij het verzoek om ambtshalve vermindering gedeeltelijk is afgewezen, mede onderwerp is van het onderhavige hoger beroep en dat het Hof daarover inhoudelijk zal oordelen. De omstandigheid dat niet in gebreke is gesteld, doet daaraan niet af (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4298, r.o. 3.3). Ter zitting van het Hof hebben partijen ook laten weten prijs te stellen op een inhoudelijk oordeel van het Hof.
Bewijslastverdeling
5.7.
Uit het voorgaande volgt dat na verwijzing tussen partijen in geschil is of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen terecht gedeeltelijk heeft afgewezen.
5.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 9.6 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, vermindert de inspecteur een onjuiste belastingaanslag ambtshalve zodra hem is gebleken dat de belastingaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. In beginsel rust dan op belanghebbende de last om aannemelijk te maken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof werkt voorts de bewijsregel van omkering en verzwaring van de bewijslast (artikel 27h, lid 2, AWR in samenhang met artikel 27e, lid 1, AWR), die het gevolg is van de omstandigheid dat een belastingplichtige over het onderwerpelijke jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan, door in de beoordeling van een verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van artikel 9.6 Wet IB 2001 van een met toepassing van die bewijsregel vastgestelde belastingaanslag. De beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag kan dus, met andere woorden, een beschikking zijn met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voor het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte IB/PVV gedaan en overweegt daartoe als volgt.
5.9.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs (in relatieve zin) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd (in absolute zin) aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen (zie HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312, r.o. 2.3.2).
5.10.
Belanghebbende is met dagtekening 28 februari 2016 uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015. Hij heeft vervolgens voor het jaar 2015 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 20.487. Bij het opleggen van de definitieve aanslag is de Inspecteur uitgegaan van uit hennepteelt genoten (netto) inkomsten van € 490.495, welk bedrag hij als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking heeft genomen. Deze aanslag staat inmiddels onherroepelijk vast (zie 2.6.1). De verminderingsbeschikking ontneemt aan die belastingaanslag niet het definitieve karakter (vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, r.o. 3.5.3). Hierdoor staat tevens vast dat belanghebbende aanzienlijke inkomsten heeft genoten, welke niet zijn aangeven. Ook indien wordt uitgegaan van het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals dat door de Inspecteur ambtshalve is verminderd (€ 200.957), is de daarin begrepen correctie (€ 196.097, waarmee een belastingbedrag is gemoeid van € 87.789 aan box 1-heffing op basis van het schijventarief tot 52%) naar het oordeel van het Hof absoluut en relatief gezien een grote afwijking van het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.487. De volgens de aangifte verschuldigde belasting is dan ook relatief en absoluut aanzienlijk lager dan de werkelijk verschuldigde belasting op basis van de aanslag, zoals deze door de Inspecteur ambtshalve is verminderd. De aard en de relatieve omvang van dit gebrek brengen naar het oordeel van het Hof mee dat belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven.
Redelijke schatting en verzwaarde bewijslast
5.11.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. zodat de sanctie van artikel 27h, lid 2, AWR in samenhang met artikel 27e , lid 1, AWR moet worden toegepast. Dit betekent dat de bewijslast in deze procedure dient te worden omgekeerd en verzwaard, zodat het Hof het hoger beroep ongegrond zal verklaren, tenzij belanghebbende doet blijken dat en hoeverre de aanslag (na ambtshalve vermindering) onjuist is. Dit geldt ook voor geschilpunten ten aanzien waarvan de bewijslast al op belanghebbende rustte (HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:417, r.o. 3.3.1). Voorts dient het Hof te beoordelen of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de Inspecteur.
5.12.
Belanghebbende heeft zich primair – onder verwijzing naar punt 63 van de conclusie van de advocaat van belanghebbende in de ontnemingszaak – op het standpunt gesteld dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de hennepkwekerij al vanaf maart 2015 in bedrijf is geweest, noch dat er sindsdien telkens geslaagde oogsten hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met deze enkele blote verwijzing naar zijn standpunt in de strafzaak niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de door de Inspecteur (nader) vastgestelde inkomsten onjuist zijn. Belanghebbende heeft met name niet overtuigend aangetoond dat de hennepkwekerij in het onderhavige jaar nog niet in bedrijf was, noch dat er oogsten zouden zijn mislukt, nog daargelaten dat het Gerechtshof Amsterdam in het ontnemingsarrest mede aan de hand van het opnameformulier Energiefraude van [Energiemaatschappij] tot het oordeel is gekomen dat de hennepkwekerij vanaf 2 maart 2015 in bedrijf is geweest (zie 2.7.2).
5.13.
Belanghebbende heeft zich subsidiair – onder verwijzing naar een analyse/berekening van [naam] – op het standpunt gesteld dat de door hem uit de hennepteelt verkregen inkomsten in het onderhavige jaar moeten worden gesteld op € 69.013, zijnde de door [naam] becijferde netto opbrengst van één oogst in 2015. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de overgelegde tegencalculatie niet overtuigend aangetoond dat de aanslag, zoals die luidt na ambtshalve vermindering, te hoog is vastgesteld, reeds omdat die calculatie – anders dan de berekening van de Inspecteur, welke (uiteindelijk) is gebaseerd op een standaardberekening en normen volgens het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (het BOOM-rapport) – niet is gebaseerd op controleerbare achterliggende gegevens. De vorenbedoelde tegencalculatie bevat onvoldoende aanwijzing waarop de becijfering van de opbrengst en de daarbij in aanmerking genomen kengetallen zijn gebaseerd.
5.14.
Voor het eerst ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat – overeenkomstig de verminderingsbeschikking – óók de winst uit onderneming (het glazenwasserijbedrijf) dient te worden gehalveerd. Dit standpunt treft geen doel. Belanghebbende, op wie te dezen de verzwaarde bewijslast rust, heeft geen begin van bewijs geleverd dat hij het glazenwasserijbedrijf tezamen met een ander zou hebben uitgeoefend. Bovendien heeft de Inspecteur, zoals de gemachtigde van belanghebbende ter zitting ook heeft erkend, de door belanghebbende voor het jaar 2015 aangegeven winst niet gecorrigeerd. De Inspecteur heeft, uitgaande van de door belanghebbende aangegeven winst (€ 25.451) en zelfstandigenaftrek (€ 7.280), in afwijking van de aangifte een bedrag van € 18.171 aan zelfstandigenaftrek voorgaande jaren in aanmerking genomen, waardoor de belastbare winst uit het glazenwasserijbedrijf uiteindelijk op nihil is vastgesteld. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de door hemzelf aangegeven winst moet worden verminderd.
5.15.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Dit ontslaat de Inspecteur evenwel niet van de plicht de aanslag (na ambtshalve vermindering) vast te stellen op basis van een redelijke schatting.
5.16.1.
Het in de primitieve aanslag in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden van € 490.495 heeft de Inspecteur gebaseerd op het Ontnemingsrapport, waarin gebruik is gemaakt van een standaardberekening en normen volgens het BOOM-rapport. In het Ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een totale (netto) opbrengst van € 1.373.380,96. De berekening van die opbrengst is gebaseerd op het aantal bij de ontmanteling van de hennepkwekerij aanwezige planten van 983 stuks en veertien gerealiseerde oogsten, waarbij ervan is uitgegaan dat de desbetreffende hennepplanten een groeicyclus hebben van tien weken en dat de kwekerij vanaf 1 januari 2015 in gebruik is geweest. Daarvan uitgaande heeft de Inspecteur vijf van de veertien oogsten toegerekend aan het jaar 2015 en de door belanghebbende uit de hennepteelt verkregen inkomsten vastgesteld op € 490.493 ((5/14) * € 1.373.380,96).
5.16.2.
Bij de verminderingsbeschikking is de Inspecteur, in lijn met het oordeel van de strafrechter, ervan uitgegaan dat de hennepkwekerij in bedrijf is geweest in de periode van 2 maart 2015 tot 12 december 2017 (145 weken), alsmede – gelet op een groeicyclus van tien weken en rekening houdend met het feit dat de op de ontmanteling aangetroffen hennepplanten nog niet waren geoogst – van vier oogsten in 2015 en dertien oogsten in totaal. Tevens heeft de Inspecteur zich aangesloten bij het oordeel van de strafrechter dat sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel voor belanghebbende van in totaal € 637.316,13 omdat – gelet op de professionaliteit van de hennepkwekerij en de grootte ervan – aannemelijk is dat er een tweede betrokkene was en dat de opbrengst (€ 1.274.632,26 voor 13 kweekcycli) zowel belanghebbende als die ander ieder voor de helft toekwam. Daarvan uitgaande zijn de door belanghebbende uit de hennepteelt verkregen inkomsten door de Inspecteur bij verminderingsbeschikking nader vastgesteld op € 196.097 ((4/13) * € 637.316,13).
5.17.
Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur hiermee uitgegaan van een redelijke, niet willekeurige schatting. Het Hof acht in de eerste plaats aannemelijk dat belanghebbende in verband met de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij inkomen heeft genoten uit overige werkzaamheden. Belanghebbende betwist zulks ook niet, maar stelt dat moet worden uitgegaan van slechts één oogst (primair: één oogst in 2017, subsidiair: één oogst in 2015). De Inspecteur kon evenwel in redelijkheid uitgaan van de aanwezigheid van (en inkomsten uit) de hennepkwekerij in het onderhavige jaar (2015). In het Ontnemingsrapport wordt in dit verband verwezen naar het proces-verbaal “indicatoren eerdere oogsten” van 21 december 2017, waaraan ook door de strafrechter doorslaggevend belang is gehecht (zie 2.7.2). Naar het oordeel van het Hof kon de Inspecteur in redelijkheid daarbij aanknopen. Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure geen bewijs ingebracht waaruit het tegendeel volgt. De Inspecteur heeft zijn schatting van het inkomen gebaseerd op een standaardberekening en normen volgens het BOOM-rapport, alsmede het ontnemingsarrest van de strafrechter (zie 5.16). Dit acht het Hof niet onredelijk of willekeurig.
5.18.
Voor zover belanghebbende ter onderbouwing van zijn stelling dat de schatting niet redelijk is, heeft verwezen naar de door hem overgelegde producties van [naam] (betreffende: (i) de vermogensvergelijking uit het controlerapport, (ii) een uiteenzetting van de urenbesteding van belanghebbende en (iii) de onder 5.13 bedoelde tegencalculatie), maakt dat het oordeel van het Hof niet anders. Anders dan belanghebbende kennelijk veronderstelt, heeft de Inspecteur de schatting van de hoogte van de correctie niet gebaseerd op de in het controlerapport neergelegde vermogensvergelijking, maar op het Ontnemingsrapport en het ontnemingsarrest van de strafrechter. De vermogensvergelijking vormde slechts grond voor een vermoeden dat er in 2015 méér inkomsten moeten zijn geweest dan door belanghebbende zijn verantwoord. In de uiteenzetting van de urenbesteding (ad ii) wordt geconcludeerd dat in 2015 1.775 uren aan de hennepkwekerij zijn besteed. Het Hof ziet niet in hoe die conclusie de redelijkheid van de schatting kan aantasten. De tegencalculatie (ad iii) tot slot kan evenmin daaraan afdoen gelet op hetgeen dienaangaande is overwogen in 5.13. De tegencalculatie bevat geen enkele aanwijzing waarop de becijfering van de opbrengst en de daarbij in aanmerking genomen kengetallen zijn gebaseerd.
Vergrijpboete
5.19.
De Inspecteur heeft ter zake van het onderhavige jaar een vergrijpboete opgelegd op grond van artikel 67d AWR tot 50% omdat hij van mening is dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste dan wel onvolledige aangifte heeft ingediend.
5.20.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte een vergrijpboete aan hem is opgelegd omdat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Daarnaast stelt belanghebbende dat de boete gematigd dient te worden in verband met zijn medische situatie en omdat hij reeds zwaar is gestraft.
5.21.
Het Hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 67d AWR kan de inspecteur met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag, een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid van deze bepaling omschreven grondslag voor de boete, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.
5.22.
Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond (zie HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Naar het oordeel van het Hof geldt deze maatstaf ook bij de beoordeling van de onderhavige vraag of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de boetebeschikking terecht gedeeltelijk heeft afgewezen. Het feit dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan doet daar, gelet op artikel 27h, lid 2, in samenhang met artikel 27e, lid 3, AWR niet aan af.
5.23.
Toegepast op het onderhavige geval is in de eerste plaats vereist dat alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor het oordeel dat belanghebbende in het onderhavige jaar inkomsten heeft genoten uit hennepteelt, buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voorts is vereist dat de Inspecteur overtuigend aantoont dat (uitgaande van opzet) belanghebbende willens en wetens heeft gehandeld dan wel dat (uitgaande van voorwaardelijk opzet) belanghebbende niet alleen de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat onjuist dan wel onvolledig aangifte is gedaan, maar deze kans bovendien bewust heeft aanvaard.
5.24.
Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur in zijn bewijslast geslaagd dat sprake is van ten minste voorwaardelijk opzet met betrekking tot het doen van een onjuiste aangifte voor het jaar 2015. Het Hof acht, gelet op stukken in het dossier, waaronder de in 2.7 vermelde arresten van de strafrechter, buiten redelijke twijfel dat belanghebbende in het onderhavige jaar aanzienlijke inkomsten uit hennepteelt heeft genoten, en dat hij, door deze inkomsten niet in zijn aangifte over het jaar 2015 op te nemen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een onjuiste aangifte is gedaan. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat genoten inkomsten moeten worden aangegeven. De Inspecteur heeft de boete bij de aanslag dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. Het andersluidende primaire standpunt van belanghebbende faalt.
5.25.
De Inspecteur heeft de boete bij de verminderingsbeschikking verminderd tot € 24.428. Deze boete is gebaseerd op 50% van de over de inkomsten uit hennepteelt (na ambtshalve vermindering) verschuldigde inkomstenbelasting (€ 44.428, te weten 50% van € 88.857). In verband met overschrijding van de redelijke termijn – het verzoek om ambtshalve vermindering is ontvangen op 2 december 2019, terwijl op 1 mei 2025 op dat verzoek is beslist – heeft de Inspecteur de boete verder verminderd met € 20.000.
5.26.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete moet worden gematigd tot € 10.000 omdat hij reeds zwaar is gestraft. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende zich voorts beroepen op de medische situatie van belanghebbende.
5.27.
Bij de beoordeling van de hoogte van een boete moet beoordeeld worden of de boete passend is gelet op de ernst van de gedraging, de omstandigheden waaronder die gedraging heeft plaatsgevonden en de persoon van de beboete. Artikel 5:46, lid 2, Awb schrijft voor dat de boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. De tweede volzin van dat artikellid voegt daaraan toe dat daarbij zo nodig rekening wordt gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Bij de bestraffing moet ook gelet worden op de feiten en omstandigheden ten tijde van de beboeting of de beoordeling daarvan (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:685).
5.28.
Het Hof acht de vastgestelde boete ten bedrage van € 24.428 passend en, uit een oogpunt van normhandhaving, geboden. Het Hof heeft bij dit oordeel rekening gehouden met de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, namelijk dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard. Feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete en het beboetbare feit, zijn niet aannemelijk geworden. In het onderhavige geval is geen sprake van verboden dubbele sanctionering ter zake van hetzelfde feit noch van dubbele vervolging. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting over de medische situatie uiteengezet dat het gaat met ‘ups en downs’, maar dat het niet zo is dat belanghebbende permanent tot niets in staat is. Het Hof ziet in die weinig concrete toelichting en in hetgeen overigens uit de gedingstukken over de medische toestand van belanghebbende naar voren komt, geen aanleiding de boete te matigen.
5.29.
In de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden, ziet het Hof geen aanleiding de boete verder te matigen, nu de Inspecteur in dat verband de boete reeds met de maximale vermindering (€ 20.000) heeft gematigd (vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297, r.o. 5.10).
De beschikking belastingrente
5.30.
Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven tegen de beschikking belastingrente aangevoerd en ook anderszins is het Hof niet gebleken dat de belastingrente (na ambtshalve vermindering) is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur.
Slotsom
5.31.
Het hoger beroep is gegrond voor zover de Rechtbank ten onrechte het beroep niet heeft aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente. Het hoger beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep tegen de inmiddels genomen beslissing op vorenbedoeld verzoek is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.1.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn verzoek om toekenning van een forfaitaire vergoeding van de gemaakte proceskosten voor professionele rechtsbijstand uitdrukkelijk toegespitst op de proceskosten van het geding na verwijzing. De Inspecteur heeft in zijn uitlating naar aanleiding van het verwijzingsarrest eveneens geconcludeerd tot toekenning van een forfaitaire vergoeding van de proceskosten. Het Hof schaart zich achter dit eenstemmige oordeel van partijen (vgl. HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504 en HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4638).
6.1.2.
De proceskosten na verwijzing dienen op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, te worden vastgesteld op: € 1.868 (1 punt voor de uitlating naar aanleiding van het verwijzingsarrest, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, in totaal 2 punten, met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor van 1 wegens het gewicht van de zaak).
6.1.3.
De gemachtigde van belanghebbende heeft zich ter zitting van het Hof op het standpunt gesteld dat de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan hem moet worden uitbetaald. Het is evenwel niet aan het Hof om een oordeel te geven over een verzoek het bedrag aan proceskostenvergoeding over te maken naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag (vgl. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:324 en HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156). Ook is niet gebleken dat aan belanghebbende een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, zodat ook niet op grond van artikel 8:75, lid 2, Awb de proceskostenvergoeding aan de gemachtigde moet worden uitbetaald.
6.2.
Door belanghebbende is in de onderhavige zaak voor het beroep geen griffierecht betaald. Het Hof ziet wel aanleiding de Inspecteur op de voet van het bepaalde van artikel 8:74, lid 1, Awb te gelasten het griffierecht in hoger beroep aan belanghebbende te vergoeden.
Beslissing
Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente;
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
  • verklaart het hoger beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente ongegrond;
  • handhaaft de aanslag zoals deze door de Inspecteur ambtshalve is verminderd;
  • handhaaft de dienovereenkomstig door de Inspecteur vastgestelde beschikking inzake belastingrente;
  • handhaaft de boetebeschikking zoals deze door de Inspecteur ambtshalve is verminderd;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.868; en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 134 aan griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, Chr.Th.P.M. Zandhuis en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.
De griffier, de voorzitter,
A.S.H.M. Strik H.A.J. Kroon
De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.