Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote een restaurant in de vorm van een vennootschap onder firma. Over het jaar 2008 diende hij een aangifte inkomstenbelasting in met een verschuldigd bedrag van €509. Na een boekenonderzoek legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op, stellende dat de vereiste aangifte niet was gedaan en dat de bewijslast daarom moest worden omgekeerd en verzwaard.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat een bedrag van €7.420,15 aan omzet niet in de aangifte was opgenomen, wat leidde tot een niet geheven belasting van €715,68. Desondanks vond het hof dat de vereiste aangifte wel was gedaan, omdat het bedrag van de niet geheven belasting op zichzelf niet aanzienlijk was.
In cassatie stelde de Staatssecretaris dat het bedrag wel aanzienlijk was, mede gelet op het jaarinkomen van belanghebbende van ruim €14.000. De Hoge Raad bevestigde echter dat inhoudelijke gebreken in de aangifte alleen leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte als het bedrag van de niet geheven belasting op zichzelf aanzienlijk is en de belastingplichtige zich hiervan bewust was. Het oordeel van het hof dat dit niet het geval was, was niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Dit arrest bevestigt de toepassing van de maatstaf voor omkering en verzwaring van de bewijslast bij navorderingsaanslagen en de beoordeling van de vereiste aangifte.