ECLI:NL:HR:2018:1312

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 augustus 2018
Publicatiedatum
25 juli 2018
Zaaknummer
17/04145
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag en vereiste aangifte in inkomstenbelasting 2008

Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote een restaurant in de vorm van een vennootschap onder firma. Over het jaar 2008 diende hij een aangifte inkomstenbelasting in met een verschuldigd bedrag van €509. Na een boekenonderzoek legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op, stellende dat de vereiste aangifte niet was gedaan en dat de bewijslast daarom moest worden omgekeerd en verzwaard.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat een bedrag van €7.420,15 aan omzet niet in de aangifte was opgenomen, wat leidde tot een niet geheven belasting van €715,68. Desondanks vond het hof dat de vereiste aangifte wel was gedaan, omdat het bedrag van de niet geheven belasting op zichzelf niet aanzienlijk was.

In cassatie stelde de Staatssecretaris dat het bedrag wel aanzienlijk was, mede gelet op het jaarinkomen van belanghebbende van ruim €14.000. De Hoge Raad bevestigde echter dat inhoudelijke gebreken in de aangifte alleen leiden tot het niet doen van de vereiste aangifte als het bedrag van de niet geheven belasting op zichzelf aanzienlijk is en de belastingplichtige zich hiervan bewust was. Het oordeel van het hof dat dit niet het geval was, was niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Dit arrest bevestigt de toepassing van de maatstaf voor omkering en verzwaring van de bewijslast bij navorderingsaanslagen en de beoordeling van de vereiste aangifte.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

Uitspraak

17 augustus 2018
nr. 17/04145
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 18 juli 2017, nr. 16/00058, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 14/562) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2008 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 8 maart 2018 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:231).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende exploiteert samen met zijn echtgenote in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof) een restaurant.
2.1.2.
Volgens de door belanghebbende ingediende aangifte in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bedraagt de over het jaar 2008 verschuldigde inkomstenbelasting € 509.
2.1.3.
Op 18 mei 2009 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij de vof. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij het standpunt ingenomen dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de navorderingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Het Hof heeft onderzocht of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Het heeft aannemelijk geacht dat een bedrag van € 7420,15 aan gerealiseerde omzet niet is opgenomen in de aangifte van belanghebbende, en dat daardoor ten onrechte een bedrag van € 715,68 niet is geheven. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de inhoudelijke gebreken in de aangifte in dit geval niet ertoe leiden dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet is geheven op zichzelf beschouwd niet aanzienlijk is.
2.3.1.
Het middel bestrijdt het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel met betrekking tot het doen van de vereiste aangifte met het betoog dat, mede gelet op het jaarinkomen van belanghebbende (ruim € 14.000), het bedrag van € 715,68 op zichzelf beschouwd aanzienlijk is, en dat het Hof dus ten onrechte heeft geoordeeld dat de vereiste aangifte is gedaan.
2.3.2.
Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: belasting) geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083, BNB 2015/176). Bij de beoordeling of aan deze maatstaf is voldaan, dienen alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.
2.3.3.
Het oordeel van het Hof, dat het van belanghebbende niet geheven bedrag aan belasting op zichzelf beschouwd niet aanzienlijk is zodat niet gesteld kan worden dat de vereiste aangifte niet is gedaan, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 17/04146 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1879 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 501.