Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Vrijspraak
heeft voorts verklaard dat op de dag nadat Endstra was vermoord, [verdachte] een groot geldbedrag had, een stapeltje bankbiljetten van € 500,-. Zij vermoedde dat [verdachte] daarvan ongeveer de helft aan [medeverdachte 1] had gegeven, omdat zij een half uur nadat zij het geld bij [verdachte] had gezien, zag dat [medeverdachte 1] ook zo’n stapeltje had.
kernvraag, waarvoor de rechtbank zich geplaatst ziet, luidt of ten aanzien van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] medeplegen van of medeplichtigheid aan de moord op Endstra en medeplegen van het neerschieten van [slachtoffer] kan worden aangenomen. De rechtbank laat bij de beantwoording van deze vraag de verklaringen van de getuige [getuige] vooralsnog buiten beschouwing.
- De fotoseries dienen niet getoond te worden door politieambtenaren die deel uitmaken van het onderzoeksteam en die weten wie de verdachte is.
- Voor de confrontatie dient de vraag gesteld te worden of hij/zij de bij het voorval waargenomen persoon of personen daarna nog heeft gezien.
- Per foto dient een periode van maximaal 4 seconden in acht te worden genomen.
- Foto’s dienen slechts een keer getoond te worden.
- De getuige mag op geen enkele wijze onder druk worden gezet.
- Indien er meerdere getuigen zijn dienen zij voor en tijdens de confrontatie gescheiden te zijn.
- Getuigen mogen niet worden geïnformeerd over het resultaat.
- Van de reacties van getuige dient een proces-verbaal te worden opgemaakt.
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] )hen zou komen ophalen. [getuige 8] heeft die ochtend door het raam gezien dat de zilverkleurige BMW van [bijnaam] langs kwam rijden en stilstond voor het portiek. [getuige 8] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen de woning hebben verlaten.
(de rechtbank begrijpt aldus: 18 mei 2004)zijn gaan winkelen. [verdachte] heeft bij die gelegenheid € 6.000,- uitgegeven. [getuige 8] heeft verklaard dat [verdachte] een pakketje geld had. Dat had hij met [medeverdachte 1] gedeeld. [verdachte] had de iets grotere helft gepakt en weer in zijn broekzak gestopt. Later had [medeverdachte 1] ook geld. [getuige 8] weet zeker dat [verdachte] geld aan [medeverdachte 1] heeft gegeven, al heeft ze het delen niet daadwerkelijk gezien. [getuige 8] heeft verklaard dat zij [verdachte] nooit zoveel geld had zien uitgeven als op die dag. Het was niet normaal. [verdachte] kocht schoenen en kleding.
(de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] , [verdachte] , [getuige 8] en [getuige 9] )naar de stad gingen en dat er dure kleren werden gekocht. Daarbij werd cash betaald. Er werd extreem gekocht.
(de rechtbank begrijpt: uit Amsterdam )ze nieuws gingen kijken.
(de rechtbank neemt voor vaststaand aan dat hierbij op [naam 2] wordt gedoeld)hulzen hebben meegenomen. De rechtbank neemt aan dat hiermee wordt bedoeld dat [naam 2] dit na de aanslag zou hebben gedaan. Uitgaande van deze lezing kan deze informatie niet correct zijn omdat de politie na de aanslag 5 hulzen ter plaatse heeft aangetroffen en heeft veilig gesteld. Gelet op het forensisch onderzoek is het niet aannemelijk dat er meer dan 5 patronen zijn verschoten. Alle hulzen zijn dus ter plaatse achtergebleven. Indien [getuige] hier naar waarheid heeft verklaard, zet dit de betrouwbaarheid van [naam 2] als zegsman verder onder druk.