Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:2

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
5 januari 2024
Zaaknummer
22/02447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 287 SrArt. 302.1 SrArt. 140.1 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid en betrouwbaarheid kroongetuigen in zaak medeplegen moord en doodslag

In deze zaak stond de vraag centraal of de afspraken met kroongetuigen en hun verklaringen rechtmatig tot stand waren gekomen en of deze betrouwbaar waren, zodat ze als bewijs konden dienen. De verdachte was door het hof Amsterdam veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens medeplegen van uitlokking van moord, doodslag, zware mishandeling en deelneming aan een criminele organisatie in de periode 2002-2006.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte verworpen. Het hof had uitvoerig onderzocht of de kroongetuigenverklaringen betrouwbaar waren en of het recht op een eerlijk proces was gewaarborgd. Daarbij is rekening gehouden met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en is de verdediging in staat gesteld om de verklaringen kritisch te onderzoeken.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de afspraken in het kader van het getuigenbeschermingstraject geen vormverzuim opleveren en dat het gebruik van de verklaringen geen schending van het recht op een eerlijk proces inhoudt. Ook het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de kroongetuigen is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde levenslange gevangenisstraf. Het beroep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de levenslange gevangenisstraf en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02447
Datum9 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 juni 2022, nummer 23-002697-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de afspraken met de kroongetuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] en hun daaruit voortkomende verklaringen, rechtmatig tot stand zijn gekomen en zonder schending van het recht op een eerlijk proces voor het bewijs konden worden gebruikt.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.5.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verklaringen van de kroongetuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] betrouwbaar zijn en voor het bewijs konden worden gebruikt.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.5.

4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Omdat de opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet voor vermindering leent, volstaat de Hoge Raad met dat oordeel.

6.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 januari 2024.