ECLI:NL:RVS:2024:4037
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over interstatelijk vertrouwensbeginsel bij Dublinprocedure Kroatië
De vreemdeling met de Syrische nationaliteit diende een asielaanvraag in, die de minister niet in behandeling nam omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitging vanwege risico's op pushbacks en tekort aan opvang in Kroatië.
De minister stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het toetsingskader voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel toegepast en onderzocht of er sprake is van een reëel risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Kroatië.
De Afdeling concludeert dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat Kroatië voldoet aan de voorwaarden en dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 4 EU Pro Handvest en artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de feitelijke situatie en beschikbare rapporten.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard omdat zijn asielaanvraag inmiddels in behandeling is genomen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk.