ECLI:NL:RVS:2015:1412
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- E. Helder
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en invordering dwangsommen wegens geuroverlast bij bio-ethanolbedrijf
Abengoa Bioenergy Netherlands B.V. exploiteert een bio-ethanolproductiebedrijf in Rotterdam met vergunningen onder de Wet milieubeheer, gelijkgesteld aan omgevingsvergunningen. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland legde dwangsommen op wegens overtreding van voorschrift 1.4 van de veranderingsvergunning, gericht op het voorkomen van geuroverlast. Na diverse onderzoeken en constateringen van geurhinder legde het college dwangsommen op en vorderde deze in.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van Abengoa gedeeltelijk gegrond en vernietigde het besluit van het college tot invordering van dwangsommen op vier data vanwege het ontbreken van een geldig Olfacto-certificaat bij toezichthouders. Het college en Abengoa gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelt dat het ontbreken van een recent Olfacto-certificaat niet betekent dat toezichthouders niet deskundig zijn, aangezien het onderzoek kwalitatief is en geen kwantitatieve geurmeting vereist. De Raad stelt dat de waarnemingen en verslagen van de toezichthouders voldoende inzichtelijk en zorgvuldig zijn, en dat de geur afkomstig is van Abengoa. Het college heeft belang bij het hoger beroep vanwege precedentwerking.
De Raad verklaart het hoger beroep van het college gegrond en vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit van 26 maart 2013 vernietigde. Het beroep van Abengoa is niet-ontvankelijk voor de dwangsommen waarvan de bevoegdheid tot invordering is verjaard en ongegrond voor het overige. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college is gegrond, dat van Abengoa ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard; het besluit tot invordering van dwangsommen wordt bevestigd voor de niet-verjaarde gevallen.